MACHT

MACHT 11x+2m;

kracht 3x+3n+m;

krachtig +2n;

kraght;

kragt 3x;

kragtelijk;

machtiger;

maghtig;

magt 11x+2n+2m;

magtig +2n;

onmacht;

Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen, Zach.4:6; Wee dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is, Mich.2:1;

potenti* 203 xE (cujuscunque rei potentia sive conatus); potesta* 35xE;

Related concepts: voortbrengen, afhangen.

'Macht/kracht' or the ability to determine is the quantitative dimension of causality. God being allmighty in traditional theology, thus is presented as the all-determining force in Spinozist philosophy. The political dimension of this doctrine is not realised in the KV yet, but implied by 200: as far as man is part of this devine power, he is not subjected to this changeable world. In this respect might and perfection equate each other (225; cf.072), so that knowledge of the less perfect can be estinguished by the kwowing of what is more perfect (342 sqq.). In some contexts kracht* and macht* function as non-tehnical terms (e.g.007, 082, 257).

007 3. Dat een eijndig verstand door zigzelfs ten zij het van iet van buijten bepaald wordt, niet en kan verstaan; omdat gelijck het geen magt heeft alles gelijkelijk te verstaan, alzo wijnig heeft het ook magt om te konnen Exempli gratiâ, dit eer als dat of dat eer als dit beginnen of aanvangen te verstaan;

023 n Deze [sc.God] dan zoude moeten bepaald hebben of omdat het hem aan de magt of aan de wil ontbrak: maar 't eerste is tegen de almachtigheid, het tweede tegen de goedheid;

035 Ten vierden, dat er geen zelfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen 1. uijt de oneijndelijke magt Gods, omdat in hem geen oorzaake en kan zijn door welke hij zoude hebben konnen beweegt worden het eene eerder of meerder als 't ander te scheppen;

072 Z want gelijk ik zegge, het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen en alzo is 't dat gij de denkende kraght verbeeld als zaak van de welke het Verstand, de Liefde, enz. afhangd. en gij kond die geen Geheel noemen, maar een Oorzaak van de uijtwerkselen van U nu al genoemd;

082 Z Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve komen te vereenigen;

096 geen voor of na is, zo volgt daaruijt kragtelijk, dat God de dingen te vooren;

099 Dog zodanig argumenteeren sluijt alzo wel, als of ik zeide: om dat God wil dat bij God is, daarom is hij God, ergo 't is in sijn magt geen God te wezen;

177 n Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan;

191 Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk >En verschieden naar de hoedanigheid van 't voorwerp. en van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelijk zijn; andere alleen door haar oorsaak onvergankelijk, maar een derde alleen door sijn eigen kracht eeuwig en onvergankelijk.];

193 Op twederleij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept;

198 Want deze [sc.vergankelijke dingen] dewijlze buijten sijne macht zijn en veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn;

200 Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die vergankelijk zijn, buijten onze macht zijn >Wat wij verstaan door de dingen die buijten onse macht zijn of van ons niet afhangen. Pag.80.]. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen in, andere buijten onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke in onse macht zijn , zulke die wij uijtwerken door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke niet in onse macht zijn zulke die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, afzijn;

201 de twede maniere van voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt;

205 Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken;

207 of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des;

217 't Welk wij doen konnen met te denken op middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is;

225 Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. en wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat;

257 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op zijn plaatze ook zullen bewijsen;

271 welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen , de *Wille genoemt word;

276 n want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word. Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en dat alle Willingen van hem bepaald worden;

304 als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegtste op ons geen magt;

308 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen , die wij zien van de uijtgebreijdheid noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn, dat de zelve zouden konnen wezen;

311 zoo wanneer een steen stille leijd, zoo is't onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen worden;

317 Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen >Dat en hoe de ziele kan belet worden de geesten te bewegen.] of omdat de beweginge vande geesten veel zijn verminderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. ... Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam te bestieren;

329 De ziel dan als nu mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die de geesten als dan ontfangen;

341 Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan waar door het komt dat wij somtijds alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nochtans wel >Waar door het komt dat wij gezien hebben de zaake goet, somtijds magt hebben die uijt te werken en somtijds weder niet, als ook om het kwaad te laaten];

342 en dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons van buijten aankomt, so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die opinien die wij alleen van hooren seggen hebben;

344 n Maar zal deze overwonnen worden, zo moet er iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste;

346 Aangezien dan de reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen, zo blijft dan overig dat wij onderzoeken of wij door de vierde en leste manier van kennisse daar toe konnen geraaken;

347 Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan. Alles wat in de zelve goet of kwaad is, dat is ons aangewezen door het Ware Geloof, maar deze beijde nog geen van beijde is magtig ons daar af te bevrijden;

364 Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen;

381 Alzoo dat schoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste.

398 -9 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke vrijheid >...] >Uijt dit gezeide blijkt dan ook welke dingen in onze magt en aan geen uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn. Als mede de onsterfelijkheid van de ziele, waarmede wij eijndigen.], die ik dan aldus beschrijf te zijn: ... Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand;