MERKEN (remark, indicate) 9x+n+m;
merke+m;
aanmerken 6x;
aangemerkt 18x+4n+2m;
aanmerkt 2x;
aanmerkelijke m;
aanmerking 4x+5n+m;
bemerkte;
bemerkt;
gemerk 2x;
opmerken;
aanmerkelijke ~B; gemerk ~B; aanmerking 1xB: ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt, Job 32:11; bemerken: Doe bemerckte ick oock, dat eenerley geval hen allen bejegent, Pred. 2, 14; Nu sullen mijne oogen open zijn, ende mijne ooren opmerckende op het gebedt deser plaets, 2 Chron. 7, 1; aanmerk* 12xB: O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord! Jer.2:38;
annotare, respicere: (in) respectu +gen. (in aanmerking van/dat) 7xE: Ejus enim intellectus et voluntas circa res creatas et earum ordinem in respectu suæ essentiæ et perfectionis perinde est, quomodocunque concipiatur. 1,33s2; not* 93xE: apprime, deinde etc. notandum (25x); notari vellem; de affectibus ea notare quae etc. (8x);
Often 'staat aan te merken (is/ hebben wij aan te merken)', introducing an new subject not necessarily following from what precedes, but part of the subjects to be treated in the KV. Sometimes (141) used for to predicate.
074 ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge; 077 maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt; 086 Maar staat aan te merken, dat; 107 als een geheel aangemerkt word; 109 Staat nu aan te merken offer dan in de Natuur; 115 worden die bij haar veeltijds als zaaken aangemerkt; 116 met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt; 120 Voort alles dat gemeenlijk aan God werd toegeschreven, en zijn geen eijgenschappen, maar alleen zeekere wijzen, de welke hem toegeeigent mogen werden of in aanmerkinge van alles, dat is alle zijne eigenschappen, of in aanmerkinge van Een EIGENSCHAP. In aanmerkinge van Alle, als dat by is een eeuwig, door zig zelfs bestaande, oneindig, oorzaak van alles, onveranderlijk. In aanmerkinge van eene, als dat hij is alwetende, wijs, enz. het welk tot de denking, en weder dat hij is overal, alles vervult, enz. het welk tot de uytgebreidheid toebehoort; 126 >Verstaat hem genomen in aanmerking van alles wat hij is]; 141 twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt; 166 en om't goets wille dat hij in't selve aanmerkt; 195 nut, dat wij in het voorwerp aanmerken; 199 klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk; 206 Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge; 211 Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien; 221 zonder passien noch gemerk op de achting sijn zelvs te hebben; 222 als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs; 225 Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt; 230 Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is; 231 dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt; 239 [ge]lijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerkt ); 246 die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; 249 't geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt; 258 hebben wij nopende de passien hier aan te merken >Wat wij hier als een zeer aanmerkelijke zaak in de passien hebben aan te merke.]; 259 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt >Watt tot meerder klaarheid van al het gezeide aangemerkt dient te worden..]; 261 Zoo komt mede in aanmerkinge; 268 Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt >Wat aangemerkt diend om dit beter te be[grijpen]; 278 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: en zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als zodanig maar als een ens reale ... zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn; 290 zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn; 294 Want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig; 302 Liefde Gods(die wij hebben aangemerkt onse hoogste gelukzaligheid te zijn); 308 Soo staat dan nu aan te merken >Wat nu in aanmerkinge komt en van groot gevolg is.]; 308 Soo staat dan nu aan te merken >Wat nu in aanmerkinge komt en van groot gevolg is.]; 309 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: ...>Wat nog daarbij is aan te merken, namentlijk dat wij met verzekering mogen zeggen niet van iets anders te bestaan als van denking en uijtgebreidheid.]; 325 behalven hetgeene wij nu aangemerkt hebben dat de passien; 334 Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's; 340 n 8. Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders; ... 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak. Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alderklaarst en onderscheidenst begrijp hebben; doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is: want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz; 345 gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering; 355 Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de Ziele is; 356 Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele kan vereenigt worden; 366 Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook; 372 eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was; 388 Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak; 421 zo moet aangemerkt worden 1. dat de wijzing; 423 Staat aan te merken dat alle de overige wijzingen; 431 Maar staat nogh aan te merken dat deze wijzingen in aanmerkinge dat geen derzelver dadelijk is.