mensche 3x+2m;
menschelijk 17x+4m;
menschen 31x+4m;
mens 470xB; mense* 638xB: mensen-, menselijk;
*hom* 451xE: 176xpl.(39.0%); 275xsg;
Related concepts: (even)naaste, evenmens.
Man (mensch) is used in KV in approximately the same proportion plural/singular (mensch* 126xKV; 27pl.(21.4%); 99sg.) as homo* in the Ethics for the category of man and never for a specific individual.
004 Indien de menscheen Idea van God heeft, zo moet **God formelijk zijn:[5] Maar de mensch heeft een Idea van God. ERGO;
006 maar de menschen in zig vervatten alles wat de Idea;
008 Indien de verzieringe van de mensch alleen oorzaak was van zijn Idea;
009 niet alles verstaan, dewijl het menschelijk verstand bepaald is;
010 Soo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar;
013 en zouden zijn, schoon ik of geen mensch ooijt om haar gedagt hadde;
016 Dat nu de mensch de Idea van God heeft;
052 gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan van de mensch ten aanzien hij zo een tsamenstel;
059 Al wat dan de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen;
064 de menschelijke niet >.Wanneer de goddelijke de menschelijke wetten vernietigen;
071 en dat in de Natuur buijten het menschelijk begrip geen zaake en is;
079 Z Een beeldhouwer die heeft van houwt gemaakt verscheijde gedaante na de gelijkenis van de deelen eenes menschelijken lighaams; hij neemt een van deze, 't welk de gedaante heeft van een menschelijke borst, hij voegd het te zamen met een ander, dat de gedaante heeft van een menschelijk hooft en maakt van deze twee een geheel, hetwelk het bovenste gedeelte van een menschelijk lighaam vertoond; zult gij nu daarom zeggen, dat het wezen van het hoofd heeft toegenomen, omdat het vereenigt was met de borst;
085 Want ik zie dat gij besluijt dat het menschelijk verstand onsterfelijk is;
099 Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij;
107 Alle de leeden van de mensch woorden voorzien ende voorzorgt voor zo veel zij deelen van de mensch zijn, het welk de algemene voorzienigheid is: en de bezondere is die poginge, die ieder bezonder lit (als een geheel en geen deel van de mensch) tot het bewaren en onderhouden van zijn eijgen welstand heeft;
113 en hier uijt dan blijkt meede dat deze en geene wille van den mensch (want de wezentlijkheid vande wil en behoort niet aan zijn Wezen) ook een uijterlijke oorzaak, van de welke zij noodzaakelijk veroorzaakt word, moet hebben: Het welk ook soodaanig blijkt te zijn uijt alle het geene wij in dit Cap. gezeit hebben en ook nog meer zal blijken, zo wanneer wij in het twede deel van de Vrijheid des menschen zullen handelen en spreeken;
114 en ook, waarom bij den mensch niet heeft geschapen dat hij niet en konde zondigen;
117 E. g. bij aldien God alle menschen zo als Adam voor den val had geschapen;
118 van waarom dat God de menschen niet en heeft geschapen dat ze niet en zondigen;
121 die verbeeldingen, die de menschen gemeenlijk van God hebben;
127 het welk hervoort gekomen is uijt haare dolinge van goet en kwaad, meijnende de mensch zelfs en niet God oorzaak is van zijn zonden en kwaad, het welke volgens 't geene wij nu alreede bewezen hebben, niet en kan zijn, of wij zijn genoodzaakt te stellen, dat de mensch dan ook oorzaak is van zijn zelfs. Doch dit zal zo wanneer wij van de wille des menschen hier na handelen, nog klaarder blijken;
138 Want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van;
141 maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken 1. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt. >Van wat de ziele is vergelijkt met het geene aangetekend is pag. .... ];
142 Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, ziele, of lichaam bestaat, een selfstandigheid is. Want wij hebben nu alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn. De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn;
149 alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a] m was;
149 en alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan zelfstandigheid [te] zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen. Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren;
149 en kan die natuur niet eigen zijn aan' t menschelijk ichaam, dewijl het klaar is;
151 Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat;
152 Om dan aantevangen te spreeken van de *wijsen uijt de welke de mensch bestaat >De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in waan, waar geloof, en klare onderscheide ken[n]is, veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.];
166 in de verhandelinge van de vrijheid des menschen ;
180 Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen >Van 't goet en kwaad des mensche.];
181 Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een Wezen van reden. *En wanneer wij dan een Idea van een volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan konnen een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen >Na het hebben van een Idea eenes volmaakten mensch, zoude men konnen zien offer middel was om daar toe te geraaken.];
183 Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil;
184 zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand;
188 En daarom dat is de volmaaktste mensch , de welke met God;
189 is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is;
190 welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereen[igen];
212 > ... noch ook tegen eenig mensch en om wat reden.];
213 en omdat een volmaakt mensch het alderbeste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken;
222 niet uijt buijten den nedriegen mensch ;
228 die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs;
239 Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben >Dat de zelve in geen volmaakt mensche plaats konnen hebben en waarom.]: dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerkt) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd;
240 Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben >En konnen de zelve in geen volmaakt mensch plaats hebben;
243 en om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: ... >Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen. Doch wel ingezien zijnde zijn schadelijk, kwaad en waarom.];
246 maar alleen op die mensch , die eenig goet in zig zelfs bemerkt;
248 schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc;
249 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk;
250 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude >Hoe wij evenwel de zelve hebben te gebruijken.]. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel >Word in een voorbeeld getoond.] zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op zijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan zijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk;
253 Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze togten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben >Niet tegenstaande dit zo konnen zij in geen volmaakt mensch plaats hebben en de reden waarom.]. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn evenmensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen;
254 maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs;
en daarom dan en kan die [sc.ondankbaarheid] in geen volmaakt mensch plaats hebben >Uijt haar oorzaak ziet men dat ze in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.];
260 Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo wanneer de mensch God komt te beminnen;
270 ook waarin de welstand van een volmaakt mensch bestaat Wat ons' t ware geloof geleert
273 maar de Wille zelve in de mensch en het Verstand is een oorzaak zonder;
278 Want omdat de mensch nu deze dan die will heeft, zo maakt hij;
279 waarom de mensch dit of dat wil;
288 of dat de mensch die zulke neiginge heeft;
290 Veele menschen schoon zij wel zien, dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door sijn lust of trek van het eene tot het ander overgaat, zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken
292 gezeid hebben dat de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil;
293 Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde een deel van geheel de Natuur van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn >Wat nuttigheden uijt deze stelling van dat de mensch uijt hem selfs tot sijn heil niets niet kan doen, volgen, namentlijk:];
296 het welke werkingen zijn van soodanige menschen , die een groote volmaaktheid of;
301 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. en zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand > en zonder 't welk wij niet en waren.]. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en soude dienen, 't waar even zo veel als hem van sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles 't geene hij is daarin bestaat, dat hij God diene;
331 De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip;
337 n 't Is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. ... hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (idea reflexiva).
359 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben >Wat dan mij te verhandelen staat, offer namentlijk een liefde is die van God valt op de mensch.]? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden >Datter geen kan zijn en de reden waarom.]: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten;
360 zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig zouden doen;
361 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden >....] alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is;
362 en hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. ... >Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem als hij die gedaan heeft te belonen;
363 Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten >En ook wat de menschelijke.]. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn;
364 Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet >Wanneer de goddelijke de menschelijke wetten vernietigen. De goddelijke wetten zijn haar zelfs laatste eijnde; de menschelijke niet en de reden waarom.]. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken;
365 de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; Doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken.
366 Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word >Tweederleij wett word de mensch in hem zelfs gewaar waardoor deze beijde veroorzaakt worden.]. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt;
367 Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen;
368 Dewijle wij dan een zoodanig een gemeenschap tusschen God en de menschen stellen, zoo zoude men met recht mogen vraagen >....], hoe zich dan God aan de mensche kan bekend maaken en of zulks geschied off geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen;
369 door woorden altijd niet want als dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, ... en zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van eenig uijtterlijk teeken zich zelve aan de menschen zoude konnen bekend maaken.
370 door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden;
373 dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden;
374 Datt' er zodanige duijvelen als de menschen gewoon zijn te stellen niet;
377 >Wat de menschen bewogen heeft duijvels te stellen.];
379 de meeninge en die onder de beste van de menschen in swang gaat.];
382 het is' t geen nochtans meest alle menschen ook de beste, als in de mond besturven;
383 Hoe natuurlijk het is dat de mensch sijn heijl zoeke en betrachte;
386 aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat;
386 zal dan zijn de verhandeling van de menschelijke vrijheid;
397 goot belang nopende de bestuuringe van' s menschen leven.];
398 licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke vrijheid;
419 [van de menschelijke ziel] De mensch aangezien hij een;
68 van twee hooftvijanden des menschelijken geslaghts de Haat namentlijk en het Ber[ouw];
420 Die ook vernietigt wordende, is het menschelijk lichaam niet meer alschoon ook;
434 Alsoo dat dan het menschelijk lichaam niet anders is als;