NAMELIJK

NAMELIJK (namely): name(nt)lijk 51x +6n+13m;

Namelijk explicates what is stated in the preceeding phrase, word or sentence. It introduces a reformulation of the preceeding statement in a sense that can be used in the Spinozistic argument. So that it can be used as a sign for Spinozistic interpretation of traditional concepts (cf. Spinoza's semantics): 302 "onse welstand, namentlijk de Liefde Gods; 331 De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, namelijk van 't verlies van eenig goet; 352 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God."

009; 010; 016; 020; 025; 040; 058; 063; 100; 101; 108; 130; 134; 152; 159; 163; 167; 186; 206; 219; 230; 294; 315; 321; 331; 331; 347; 349; 352; 356; 357; 358; 365; 371; 379; 383; 399; 428;

001Belangende dan het eerste namenlijk of'er een God is;

136 deze sijne eigenschap is maar een, namenlijk : alles klaar en onderscheiden;

245 en waarop't gelove zegt dat die steunen namenlijk op een valsche waan;

259 welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben;

047 ze nu zodanig moet zijn, volgt hieruijt, namentijk om dat indien zij zodanig niet en is;

019 het zegge van Thomas Aquina, namentlijk dat God a priori niet en;

025 dan bepaald is door zig zelfs, namentlijk dat ze zig zelfs zo bepaald en niet;

037 t geene dat wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneijndelijk verst[and];

044 een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen