aard 4x+n (3x aard en natuur);
aardt;
aart;
natura 8x (3x natura naturans; 4x natura naturata);
natuur;
natuurlijk 3x+m;
natuurs;
natuur-weet (=physica, Kók);
31xB: Vruchtbaar geboomte, dragende vrucht na sijnen aert, Gen.1:11; Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is, 1Cor.11:14;
Natur* 565xE (Deus seu Natura; Naturae ordo, Naturae pars, in rerum natura, natura seu essentia);
Related concepts: wezen, God, zelfstandigheid.
In ordinary (biblical) use 'natuur' and 'aard' are synonyms for objective characteristics. But with the 'aard van de zaak' KV adds the concept esssence to it (wezen; cf.028, 151). And soo the technical content of 'natuur' in general becomes God (036); i.e. the formal essence of nature (039) and not nature itself. The chapter (133sqq.) in which this nature in general is distinguished in natura naturans and natura naturata completely derives from 1,29s. In this light it is remarkable that the Spinozistic formula 'deus sive natura' (Natuur of God) is used exclusively in the appendix; in 317 the editor replaces nature in the text by God in the margin. Epistemologically nothing exists of which the attribute of thinking does not have the idea of its formal essence (352, 415). In the appendix 'door haar natuur' means by definition (per definitionem) and nature is interpreted in a rationalistic, strictly logical way.
001klaar en onderscheiden verstaan aan de Natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij;
002Verstaat de bepaalde natuur door de welke de zake is dat ze is;
005 al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap dewelke is Zijn;
012 n Want Wij zien eenige die het onmogelijk is dat ze zijn: e.g. alle monsterdieren die men van twee naturen zoud t'zamen zetten als een dier dat een Vogel en een paard zoude zijn en diergelijke, die onmogelijk in de Natuur, die wij bevinden anders te sijn gesteld, plaats konnen hebben;
015 n Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren;
022 1. ... dat in het oneijndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid volmaakter kan zijn als die alreeds in de Natuur is. 2. ... 3. ... 4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid is als die formelijk in de Natuur is;
028-9n Hier op te zeggen dat de natuur van de zaak zulk vereischte en derhalven niet anders konde zijn, is niet gezeit: want de natuur van de zaak kan niets vereischen als ze niet en is. Zegt gij dat men nogtans kan zien wat tot de natuur van een zaak behoort die niet en is: dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam. en daarom isser nu in de Natuur geen scheppen, maar alleen genereren. So dat dan als God schept, zo schept hij de natuur van de zaak met de zaak gelijk. en zo zoude hij dan wangunstig zijn, zo hij wel konnende maar niet willende de zaak zodanig had geschapen, dat zij met haar oorzaak in essentia et existentia niet soude overeenkomen;
035 Ten vierden, dat er geen zelfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn;
036 Uijt alle deze dan volgt: dat van de Natuur alles in allen gezeijt word en dat alzo de Natuur bestaat van oneijndelijke eijgenschappen, van de welke een ieder deszelfs in zijn geslagt volmaakt is. Hetwelk ten eenemaal overeenkomt met de beschrijvinge, die men van God geeft;
037 Tegen 't geene dat wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is als 't geen formelijk in de Natuur is;
039 Dog indien God alles in zijn verstand heeft en door zijn oneijndelijke volmaaktheijd niet meer kan weten; wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde, heeft voortgebragt en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn;
041 De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is en geenzins verscheijde, want wij die de eene zonder de ander en d'ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan, die zijn deze: 1. ... 2. om de eenigheid die wij alom in de natuur zien. In de welke zo verscheijde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen;
042 Ten 3. ...*En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (die wij niet te min weeten dat in de Natuur is, afzonderlijk begrepen zijnde), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort;
046 1. dat deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen Wezens van reeden en dien volgende en zijn *inde Natuur nog geheel nog deelen;
047 Maar de uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, aangezien ze noch kleijnder noch grooter kan worden en geen deelen deszelfs bezonder zoude konnen worden verstaan, dewijl zij in haar natuur moet oneijndelijk zijn. en dat ze nu zodanig moet zijn, volgt hieruijt, namentijk om dat indien zij zodanig niet en is, maar dat ze zoude van deelen bestaan, zo en waar zij geenzins door haar natuur oneijndelijk als gezeijd: Dog dat in een oneijndelijke natuur deelen zoude konnen werden geconcipieert, is onmogelijk, want door haar natuur zijn alle deelen eijndelijk;
048 -9n In de natuur dat is in de zelfstandige uijtgebreidheid: want die gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneijndige uijtgebreijdheid of geheel te zijn, dat het zelfde is ... Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan: als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide;
050 indien zij [sc.de uitgebreidheid]van verscheide deelen zoude bestaan, zo zoude dan konnen verstaan worden, dat eenige deelen deszelfs vernietigt zijnde, evenwel nogtans de uijtgebreijdheijd zoude blijven en niet door eenige vernietigde deelen meede vernietigt worden: een zaak de welke klaarlijk tegenstrijdig is in zo iets, het welke door zijn eijgen natuur oneijndig is en nooijt bepaald off eijndig kan zijn off verstaan worden;
051 Voorder, wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wij, dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid in de zelfstandigheijd, maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd;
056 en aangezien het klaarlijk blijkt, datter in de Natuur ruste en beweginge is, zo moet die, meenen zij, nootzaakelijk van een uijtterlijke oorzaak herkoomen;
057 Maar wij hebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn, van het welke alle eijgenschappen geseid worden en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken om voort te brengen alles wat voort te brengen is;
062 Z Verstand: Ik voor mij en aanschouw de Natuur niet anders als in sijn geheel oneijndelijk en ten oppersten volmaakt en gij zo [gij] daar aan twijffeld, vraagd het de Reeden, deze zal het u zeggen;
063 Z Want zo wij de Natuur willen bepaalen, zo zullen wij hem, 't welk ongerijmt is, met een Niet moeten bepaalen en dat onder deze volgende eijgenschappen, namelijk dat hij is Een, Eeuwige Eenheid, oneindig, almagtig, enz. De Natuur namentlijk oneijndig en alles in dezelve begreepen: en de ontkenninge dezes noemen wij de Niet;
064 Z eij dog dit rijmt zig alwonderlijk, dat de Eenheid met de Verscheidentheid die ik alomme in de Natuur zie, te zamen overeen komt;
071 Z Want alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tweede kundigheid en dat in de Natuur buijten het menschelijk begrip geen zaake en is;
087 Z Maar om in ons een denkbeeld van God voort te brengen en word geen ander bezonder zaak vereischt, die daar hebbe het geen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen;
091 God is een vrije oorzaak en geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen;
092 en zo voort in alle bezondere dingen, die in de Natuur zijn;
101 dat bij aldien de Natuur van alle eeuwigheid op een andere wijze;
106 De twede eigenschap die wij (Proprium of) eigen noemen is de Voorzienigheid, welke bij ons niet anders is als die poginge die wij en in de geheele Natuur en in de bezondere dingen ondervinden, strekkende tot behoudenisse en bewaringe van haar zelfs wezen. Want het is openbaar, dat geen ding door zijn eige natuur zoude konnen tragten tot sijn selfs vernietinge;
107 een Algemeene en een bezondere voorzienigheid. De algemeene is die door de welke ieder zaak voortgebragt en onderhouden word voor zoveel zij zijn deelen van de geheele Natuur. De bezondere voorzienigheid is die poginge die ieder ding bezonder tot het bewaren van zijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt word;
109 2 Staat nu aan te merken offer dan in de Natuur eenige gebeurlijke dingen zijn;
110 of wel dat het gebeurlijk is dat dat iets ('t welk wel noodzakelijk in de Natuur zoude zijn) een oorzaak zal wezen dat dat gebeurlijke iets voortkomt. Edog en het een en het ander, beide zijn zij valsch;
112 datter in de Natuur geen zaak en is van de welke men niet kan vragen waarom datze is, ... Want indien de wezentlijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken;
114 zulk een verwarringe word gezien inde Natuur : en ook, waarom bij den mensch niet hee;
115 Vooreerst dan, datter verwarringe in de Natuur is, kan met regt niet gezeid worden;
117 Zo dan de bezondere dingen zullen moeten overeenkomen met een andere Natuur, soo en zullen zij dan niet met haar eigen overeen konnen komen en volgens dien niet zijn die zij waarlijk zijn;
118 Want alle dingen en werken die inde Natuur zijn, die zijn volmaakt;
129 Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verbonden aan haare stellingen te zijn, zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge voort brengen, te weeten volgens de schiftinge die wij van de Natuur maaken;
133 Alhier zullen wij nu eens eer wij voortgaan tot iets anders, kortelijk gheel de Natuur schiften. Te weten in Natura Naturans en Natura naturata. [1,29s Antequam ulterius pergam, hic quid nobis per Naturam naturantem et quid per Naturam naturatam intelligendum sit, explicare volo vel potius monere.] Door de Natura naturans verstaan wij een wezen dat wij (door zig zelfs en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (Attributa) die wij tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. [l.c. Nam ex antecedentibus jam constare existimo nempe quod per Naturam naturantem nobis intelligendum est id quod in se est et per se concipitur sive talia substantiae attributa quae aeternam et infinitam essentiam exprimunt hoc est (per corollarium I propositionis 14 et corollarium II propositionis 17) Deus quatenus ut causa libera consideratur.] Gelijk ook de Thomisten bij het zelve God verstaan hebben, doch haare Natura naturans was een wezen (zij zo noemende) buijten alle zelfstandigheden. De Natura naturata zullen wij in twee verdeelen, in een algemeene en in een bezondere. De algemeene bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen. Waarvan wij in het navolgende Cap. zullen handelen. De bezondere bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soodat de Natura naturata om wel begrepen te worden, eenige zelfstandigheden van noden heeft. [l.c. Per naturatam autem intelligo id omne quod ex necessitate Dei naturae sive uniuscujusque Dei attributorum sequitur hoc est omnes Dei attributorum modos quatenus considerantur ut res quae in Deo sunt et quae sine Deo nec esse nec concipi possunt.];
135 Wat dan bezonderlijk aangaat de Beweginge aangezien die eigentlijker tot de verhandeling van de Natuur weet als wel hier behoord;
137 Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk;
140 Alle dingen die in de NATUUR zijn, die zijn of zaaken of werkingen. Nu goet en kwaad en zijn noch zaaken nog werkingen. ERGO en zijn goet en kwaad niet in de Natuur. Want indien goet en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zij dan hare beschrijvinge hebben. Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven. Ergo. ut supra volgt, dat goet en kw[a]at geen zaaken zijn of werkingen, die in de Natuur zijn;
143 n 1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat er geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze;
144 n 5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die gheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren;
149 en alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan zelfstandigheid [te] zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen. Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren;
150 En dat zij voor een grondregul stellen >Beschrijvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.] dat dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij;
151 Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul stellen wij dan daarbij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? De Regul dan is deze: Dat behoort aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden;
152 > ... veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.];
181 Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat in de Natuur geen goet en geen Kwaad is >Dat het zelve niet in de natuur is, maar in ons verstand.];
191 Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; andere wel niet vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk >En verschieden naar de hoedanigheid van 't voorwerp. en van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelijk zijn; andere alleen door haar oorsaak onvergankelijk, maar een derde alleen door sijn eigen kracht eeuwig en onvergankelijk.]. De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben >Welke de vergankelijke zijn door haar selfs natuur.];
195 omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij;
196 Wat de vergankelijke aangaat >Niet met die welke door haar natuur vergankelijk en moeten wij trachten te vereenigen.] (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden >Want door de zelve en bekomen wij geen versterking onser natuur];
200 zo verstaan wij door die welke in onse macht zijn, zulke die wij uijtwerken door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke niet in onse macht zijn zulke die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, afzijn;
201 en dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij;
203 staat voor(ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle;
210 de afkerigheid is een ontsteltenisse in ons tegen een zaak die uijt haar natuur ons of in waan of waarlijk heeft beledight.]. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig;
212 en om wat reden.] omdat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daarvan willen;
239 die wij door haar veranderlijke aard;
240 Wat de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen aardt en natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge van haar Natuur als negative;
245 omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur ) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespottelijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig zo betonen zij een kwaden aard , bespottende het geene niet te bespotten is;
245 zo betonen zij een kwaden aard, bespottende;
258 van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve;
259 maar die dingen die door eigen aart en natuur vergankelijk zijn;
267 met de natuur van de zaak geheel overeenkomt;
278 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn : ... en om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van reden en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn;
279 en geen ens reale >Daar zij nochtans maar een Idea van dit of dat te willen en geen zaake in de natuur .] zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. Nam ex nihilo nihil fit. en zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur , maar alleen een verzieringe;
291 Want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. Want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste;
292 Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat;
293 mensch als zijnde een deel van geheel de Natuur van welke hij afhangt;
301 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. en zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand;
305 >Voor eerst dat in de natuur een lichaam is.];
306 Hoe bewezen word dat in de natuur een lichaam is, namentlijk uijt;
307 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan >En datter buijten hem geen ander wezen is of zijn kan en wat daar uijt volgt.];
308 Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen;
324 andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge;
326 want' t en zoude niet meer in de natuur konnen verschillen;
333 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende [zaak];
335 Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is >Antwoord op de zelve. De Natuur heeft wel verscheide eigenschappen maar is maar en eenig wezen.], van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur was de welke in oneijndelijke Ideen is uijtgedrukt, na de oneijndelijke dingen die in de Natuur zijn;
337 als die al vooren in de Natuur was;
339 Zo dat dan alomme blijkt dat in de natuur een en dezelve slagh van beweginge is;
340 n 9. Deze Idea dan alleen buijten alle andere Ideas aangemerkt, kan niet meer zijn als maar een Idea van zo een zaak en niet dat zij een Idea heeft van zo een zaak. Daarbij dat zo een Idea zo aangemerkt om datze maar een deel is, zo kan zij van haar zelfs en haar voorwerp geen alderklaarst en onderscheidenst begrijp hebben; doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuur is: want een deel buijten zijn geheel aangemerkt, kan niet enz;
349 Daar benevens ook hier uijt, omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden;
350 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren. Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks;
351 n en hierdoor word met een verklaart het geene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet en dat wij de zone Gods noemden;
352 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. en dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de Idea;
355 De ziele dan hebben wij gezeid te zijn een Idea die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks die in de Natuur is ontstaande;
362 die van soodanige aard zijn dat ze nooijt en veranderen;
362 Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur , dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden >Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem als hij die gedaan heeft te belonen. Want de wetten Gods en konnen niet werden overtreeden, zo men de reguls die in de natuur zijn met die benaming zoude willen noemen.]. Als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is;
363 ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel;
364 Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. ... zoo kan nogtans dit haar [sc.der menselijke wetten] eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen;
365 Doch in aanzien hij [sc.de mens] ook is een deel en werktuig van geheel de natuur , zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur , dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken;
366 De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse van God komt. en deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur;
372 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn;
383 een zaake in alle dingen zeer natuurlijk >Hoe natuurlijk het is dat de mensch sijn heijl zoeke;
396 vereenigen om een zelve natuur met ons uijt te maaken;
397 uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende;
399 buijten zig zelve gevroghten, met sijn natuur wel overeen komende;
401 De Zelfstandigheid staat wegens sijn natuur voor alle zijne Toevallen(modification;
407 is wegens sijn natuur het eerste(eerder) in zodanige dingen;
409 of( het welk hetzelvde is) in de Natuur en konnen geen twee zelfstandigheeden;
410 want dan waren de toevallen door haar natuur eer als de zelfstandigheid, tegens;
413 zelfstandigheid is door haar natuur oneijndig en ten oppersten volmaakt;
415 Aan alle wezen van zelfstandigheid behoord van natuur de wezentlijkheid ook zo zeer dat het onmogelijk is in eenig oneijndig verstand te konnen stellen de Idea van het wezen eenens zelfstandigheid de welke niet en zij wezentlijk in de Natuur;
417 zoude ze door haar natuur niet konnen zijn oneijndig en;
418 De natuur word gekent door zig zelfs en niet door eenig ander dink. Zij bestaat van oneijndige eigenschappen, een ieder van dezelve oneijndig en volmaakt in zijn geslacht, aan welkers wezen de wezentlijkheid toebehoort, alzo dat buijten de zelve geen wezen of zijn meer en is en zij alzo naaupuntig overeenkomt met het wezen van de alleen heerlijke en gezegende God;
422 en zijnde het zodanig dat de Natuur of God een wezen is van welke oneijndige eijgenschappen gezeid worden en de welke in zich bevat alle wezens van de geschaape dingen, zo ist noodzaakelijk dat van al dat geene 't welk in de denking voortgebracht word eene oneindige Idea de welke in zich voorwerpelijk bevat de geheele natuur , zulks als die in zig dadelijk is;
424 waar uijt klaarlijk besloten word, dat de natuurlijke liefde die in ieder zaak is tot behoudin[ge];
428 eenes voorwerps' t welk inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van een voorwerp;
429 door' t geene het eerste is in haar natuur;
431 aangezien die in de natuur niet zijn;
432 en dit is de oorzaak waarom wij in de beschrijving gebruijkt hebben deze woorden, dat de Idea is ontstaande uijt een voorwerp 't welk wezentlijk in de Natuur is. en hiermede achten wij dan genoegzaam verklaart wat voor een ding de ziel in 't algemeen is;