NEIGEN

NEIGEN (incline):

geneegen 4x;

neiging 9x;

neijginge;

nijginge 2x+2m;

inclin* ~E; appet* 61xE (Diximus supra ... cupiditatem esse appetitum cum ejusdem conscientia; appetitum autem esse ipsam hominis essentiam quatenus determinata est ad ea agendum quæ ipsius conservationi inserviunt. Sed in eodem scholio etiam monui me revera inter humanum appetitum et cupiditatem nullam agnoscere differentiam);

Disposition without deliberation. The term 'neiging' is not used in a (Spinozist) technical sense in KV, but keeps its Aristotelian connotation.

167 Liefde die alleen van hooren zeggen komt. Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieve;

166 Het eerste dan aangaande >Van de liefde uijt waan.]: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen;

172 gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt;

206 De Haat is een neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft >Dat de haat is een nijginge van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.]. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder passien;

252 Wat de twee eerste [=gunst en dankbaarheid] aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten [enig goed te gunnen];

271 De Begeerte hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de Wille genoemt word;

285 Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de Begeerte ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen. 't Welk volgens haar zeggen de wil is en de Begeerte die neijginge die men eerst daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de Begeerte, maar de Begeerte niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan;

286 Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (...) konnen alleenlijk onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden;

288 waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de Begeerte... alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die voluntas of goede wille; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij voluptas of kwade wille. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad;

290 zoo en aanmerken zij nogtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken. Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij () ons verbeelden een kind;

296 Ten derden behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen;