dankbaarheid 3x;
ondankbaarheid 2x+m;
*dank* 181xB: 2 Tim.3:2. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig; Hand.24:3 Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volke geschieden door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan;
(in)gratitud* 4xE (nobis benefacere conatur, gratia seu gratitudo vocatur; Gratia seu gratitudo est cupiditas seu amoris studium; Porro ingratitudo affectus non est. Est tamen ingratitudo turpis quia);
Related concepts euvelneming.
252 Zo volgt nu van de Gunste, Dankbaarheid en ondankbaarheid. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben;
254 De ondankbaarheid is >Wat ondankbaarheid is.] een verachtinge van de dankbaarheid gelijk de onbeschaamtheid van de schaamte en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs;
260 Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt.