onmogelijk 31x+9n+4m;
mogelijkheid;
mogen;
vermogen (force) 2x;
vermogt;
mogendheid +n;
vermocht 60xB; mogendheid 12xB: Looft hem van wegen sijne Mogentheden: Looft hem na de menighvuldigheyt sijner grootheyt, Ps.150:2; De kinderen Israëls namen de wijven der Midianiten, ende hare kinderkens gevangen: sy roofden oock alle hare beesten, ende al haer vee, ende al haer vermogen, Num.31:9; onmogelijk 10xB: Sonder geloove is het onmogelick Gode te behagen, Hebr.11:6; mogelijkheid 22xB;
*possibil* 22xE (impossibile, possibilem, possibiles, impossibilis (9x+contingens)): Ex data causa determinata necessario sequitur effectus et contra si nulla detur determinata causa , impossibile est ut effectus sequatur 1a3; Easdem res singulares voco possibiles quatenus dum ad causas ex quibus produci debent , attendimus , nescimus an ipsæ determinatæ sint ad easdem producendum . In scholio I propositionis 33 partis I inter possibile et contingens nullam feci differentiam quia ibi non opus erat hæc accurate distinguere, 4d4;
Related concepts: gebeurlijk, noodzakelijk.
'Onmogelijk' is almost four times as frequent as 'mogelijk' (44:13). 'Onmogelijk' is not used for the concept impossible, but especially in reasoning for what is necessarily not the case. It therefore belongs to the conceptual field of necessity.
008 zaak was van zijn Idea, zo zoude hij het onmogelijk zijn, dat hij iet zoude konnen begrijpen;
009 eerder als Dit te verstaan, zo zoude het onmogelijk zijn, dat het volgens de derde;
011 n Vorders te zeggen dat deze Idea een verzieringe is, dat is ook vals: want het is onmogelijk die te hebben zoo z'er niet en is: en dit word hier nu getoont pag. 2. daar wij dit nog bij doen. Het is wel waar, dat wij van een Idea die ons eenmaal eerst van de zaake zelfs is hergekomen, en so in abstracto algemeen van ons gemaakt sijnde, dat daarna van die zelve in ons verstand veel besondere worden versiert, die wij dan ook veel andere en van andere saaken afgetrokkene eijgenschappen konnen toedigten. Maar dit is onmogelijk te konnen doen zonder alvorens de zaake zelfs van de welke zij aftreksels zijn, gekend te hebben;
012 n Want Wij zien eenige die het onmogelijk is dat ze zijn: e.g. alle monsterdieren die men van twee naturen zoud t'zamen zetten als een dier dat een Vogel en een paard zoude zijn en diergelijke, die onmogelijk in de Natuur, die wij bevinden anders te sijn gesteld, plaats konnen hebben;
013 andere Ideas, wel mogelijk maar niet noodzakelijk datze zijn;
023 hebben, dat ze van de niet heeft,' t welk onmogelijk is;
024 want niet[zijnde], daar is geen mogelijkheid te konnen komen;
026 Niet het eerste is waar omdat het niet mogelijk is;
035 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het zoude konnen komen.
042 Ten 3. omdat gelijk wij nu al gezien hebben dat de eene zelfstandigheijd de ander niet kan voortbrengen noch ook dat zo een zelfstandigheijd niet en is, het onmogelijk is dat se zouden beginnen te zijn;
043 zo dan war de vereeninge onmogelijk, omdat wij klaarlijk zien dat zij al;
047 en zoude konnen werden geconcipieert, is onmogelijk, want door haar natuur zijn alle deelen;
056 want het zig zelfs als' t rust onmogelijk niet bewegen kan;
075 Want dat is in een Inblijvende oorzaak onmogelijk;
085 Nu dan het is onmogelijk, dat' er meer van nooden is geweest om;
100 deze zeg ik, zullen mogelijk denken, dat ze met ons niet verschillen;
109 dat geen oorzaak heeft om te zijn, is onmogelijk dat het zij;
111 voort te brengen, zo waar' t t' eenemaal onmogelijk en dat hij het zoude[f. 42] voortbrengen;
112 want die niet zijnde, was' t onmogelijk dat het iets zoude zijn;
114 Hoe is't mogelijk dat God, die gezeid word;
138 Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden;
156 eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde;
160 Want wij t' eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande;
191 alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk;
194 om 2 redenen: 1. Omdat het onmogelijk is; de 2. om datse ons nootzaakelijk is;
198 zo is' t onmogelijk dat als die komen( *) te lijden;
201 In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde moet rusten. en om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij zouden konnen nalaten God te beminnen >Omdat het maar alleen zijn wijsen die onmiddelijk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewijl wij die sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wij niet laten hem meteen te beminnen.];
232 en wederom als wij de mogelijk komende saake oordelen kwaad te zijn;
260 onveranderlijk is en blijvt, zo is' t hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervallen;
269 geheel met de zaak overeenkomen, zo is' t onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak;
273 Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip;
274 zoo en kan hier af in de wil geen liefde ontstaan: want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid.
278 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn;
281 Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke;
281 Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan;
304 want dan is' t onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk;
305 of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen;
308 niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn;
309 datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn;
311 wanneer een steen stille leijd, zoo is' t onmogelijk dat die door de kracht van denken of;
315 wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan;
325 het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt wer[kingen];
327 eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien;
336 hierom dan is' t niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel;
345 Want de mogelijkheid die ons de zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak,.. Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie;
347 en zonder de welke het onmogelijk is dat wij ooijt hier af vrij gemaakt;
357 Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen;
369 en zo achten wij het dan onmogelijk dat God door middel van;
371 Het is ook onmogelijk door iets anders God te konnen verstaan;
372 Want hoe is't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndel[ijke];
372 zoo is' t nochtans onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten;
376 zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan;
390 Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. en dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling;
396 voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen.
406 t welk een oorzaak is van zich zelfs, is onmogelijk dat het zich zelfs zoude hebben bepaald;
415 de wezentlijkheid ook zo zeer dat het onmogelijk is in eenig oneijndig verstand te konnen.