oorsaak 3m;
oorzaake 4x;
oorzaaken 23x+4m;
oorzake;
oorzaken 3x;
veroorsaakt +m;
veroorzaaken 7x+6n;
veroorzaakt 21x+2m;
veroorzaken 2x;
veroorzaker;
oorza* 83xB (ter/uit oorzake dat, zonder oorzaak);
caus* 413xE;
006 Als' er een Idea van God is, zo moet de oorzaak deszelfs formelijk zijn;
008 [in]dien de verzieringe van de mensch alleen oorzaak was van zijn Idea, zo zoude hij;
010 Uijt alle het welk dan het twede bewezen word, namelijk Dat de oorzaak van de Idea des mensche niet is sijne verzieringe maar eenige uijtwendige oorzaak, die hem dringt het eene eerder als het andere te verstaan, Zijnde niet anders als dat die dingen formelijk zijn en hem nader als andere welkers voorwerpelijke wezentheid in zijn verstand is;
018 n De oorzaak van deze veranderinge zoude moeten zijn van buyten of in haar: Niet van buyten, want geen zelfstandigheid die als deze door zig zelf is, hangt van iets buyten hem af: ergo geen verandering daarvan onderwurpen. Ook niet in haar, want geen zaak veel min deze wil zijn zelfs verderf. Alle verderf is van buyten aankomende;
019 Ja nog beter a priori. Want de dingen die men als zodanig bewijst, moet men door haar uijtterlijke oorzake betonen, het welke in haar is een openbaare onvolmaaktheid, als de welke hun zelve door hun zelve niet en konnen te kennen geven, maar alleen door uijtterlijke oorzaaken. Dog God, de eerste oorzaak aller dingen en ook de oorzaak zijns zelfs, die geeft hem zelve te kenne door hem zelve. Weshalven van niet veel belang is het zegge van Thomas Aquina, namentlijk dat God a priori niet en zoude konnen beweezen worden, om dat hij kwansuijs geen oorzaak heeft;
024 Aldus: de oorzaak die deze zelfstandigheid zou voortbrengen, moet hebben de zelfde eigenschap van dese voortgebrachte en ook of eeven zo veel volmaaktheid of meerder, of minder. Niet het 1. want dan waren twe gelijke. Niet het 2. want dan wasser een bepaalde. Niet het 3. want van de Niet komt geen Iet;
025 Wat dan aangaat het 1. namelijk dat'er geen bepaalde zelfstandigheid en is enz. Zo iemand het tegendeel des zelfs zoude willen staande houden, die vraagen wij aldus, te weete: Of deze zelfstandigheid dan bepaald is door zig zelfs, namentlijk dat ze zig zelfs zo bepaald en niet onbepaalder heeft willen maaken: dan of zij zodanig is door haar oorzaak, welke oorzaak haar of niet meer heeft konnen of niet meer heeft willen geven;
026 ERGO dan zeg ik isse door haar oorzaak bepaald, de welke noodzaakelijk God is.;
027 Voorder indien zij dan door haar oorzaak bepaald is, zo moet dat zijn of omdat die oorzaak niet meer heeft konnen geven of omdat die niet meer heeft willen geeven;
Dat hij niet meer zoud hebben konnen, zoude strijden tegen zijn almagtigheijd, *dat hij niet meer zoude hebben willen, aangezien hij wel konde, smaakt na wangunst, dewelke in God die alle goet en volheid is, geen zins en is;
029 en zo zoude hij dan wangunstig zijn, zo hij wel konnende maar niet willende de zaak zodanig had geschapen, dat zij met haar oorzaak in essentia et existentia niet soude overeenkomen;
031 dan vragen wij of de oorzaak die deze zelfstandigheid zoude moeten;
032 en wij voorder of in die eijgenschap die oorzaak zoude zijn van dit voortgebragte;
034 Eijndelijk, zo wij de oorzaak van die zelfstandigheid die het beginzel is van de dingen dewelke uijt haar eijgenschap voorkomen, willen zoeken, zo staat ons dan al wederom te zoeken de oorzaak van die oorzaak en dan weder de oorzaak van die oorzaak et sic in infinitum, zodat, Indien wij noodzaaklijk ergens moeten stuijten en rusten gelijk wij moeten, zo is 't noodzaakelijk te rusten op deze allene zelfstandigheid;
035 1. uijt de oneijndelijke magt Gods, omdat in hem geen oorzaake en kan zijn door welke hij zoude hebben konnen beweegt worden het eene eerder of meerder als 't ander te scheppen;
040 Dewijl wij dan nu weten dat alles gelijkelijk in het oneijndelijk verstand Gods is en dat'er geen oorzaak is, waarom dat hij dit eerder en meerder als dat zoude geschapen hebben;
042 volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat;
045 (...nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is);
053 Ten anderen: wij hebben alreeds gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is en dat hij een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van datgeene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt: het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft;
054 Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd;
056 Daar word voorder tegengeworpen, datter nootzakelijk een eerste oorzaak die dit lichaam doet bewegen, moet zijn, want het zig zelfs als 't rust onmogelijk niet bewegen kan: en aangezien het klaarlijk blijkt, datter in de Natuur ruste en beweginge is, zo moet die, meenen zij, nootzaakelijk van een uijtterlijke oorzaak herkoomen.;
057 en diep, dat alsdan in het zelve geen oorzaak zou zijn indien het waarlijk ruste, om;
059 gelijker wijs als dat hij is een oorzaak , een Voorbeschikker, en Regeerder;
066 Z Daar en boven zo dit wezen almagtig is ende volmaakt, zo zal het zodanig dan zijn, om dat het zig zelfs en niet omdat het een ander heeft veroorzaakt; en nogtans zoude hij almagtiger zijn, die dewelke en zig zelve en daar en boven nog een ander konde voortbrengen;
072 Z Daar en boven zo ik uijt u Exempel afneem, zo vermengd gij het geheel met de oorzaak: want gelijk ik zegge, het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen en alzo is 't dat gij de denkende kraght verbeeld als zaak van de welke het Verstand, de Liefde, enz. afhangd. en gij kond die geen Geheel noemen, maar een Oorzaak van de uijtwerkselen van U nu al genoemd;
073 -4Z Dogh 't en zal u om door dat middel de Liefde tot U te krijgen, niet gelukken. Uw zeggen dan is, dat de oorzaak (aangezien zij is een Veroorzaker van sijne uijtwerkzelen) derhalven buijten dezelve moet zijn; en dit zegd gij daarom dewijl gij maar alleen en weet van de oovergaande en niet van de inblijvende oorzaak dewelke geenzins iets buijten zig zelve voortbrengd. Bij voorbeeld het Verstand, het welk oorzaak is van sijn begrippen. en daarom word ook het verstand van mij (voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd) genoemt een oorzaak. en wederom in opzigt het bestaat van sijne begrippen, een geheel. Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge;
075 Z Ik heb u, ô Theophile, hooren zeggen, dat God een oorzaak is van alle dingen en daarbij dat hij geen andere oorzaak kan zijn, als een inblijvende. Indien hij dan een inblijvende oorzaak is van alle dingen, hoe dan kond gij hem een verder oorzaak noemen? Want dat is in een Inblijvende oorzaak onmogelijk;
076 Z Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een verder oorzaak is, zoo is dat van mij niet gezegd als in opzigt van die dingen, dewelke God (zonder eenige omstandigheeden als alleen zijne wezentlijkheid) onmiddelijk heeft voort gebragt; maar geenzins dat ik hem absoluijt een verder oorzaak hebben genoemt: hetwelk gij ook uijt mijne woorden klaar hebt konnen afneemen. Want ik heb ook gezeid, dat wij hem in eeniger manieren een verder oorzaak konnen noemen;
077 Z 'T geen gij mij wilt zeggen, verstaa ik nu genoegzaam; maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. en indien dit zo is, zo en kan dunkt mij, God geen inblijvende oorzaak zijn;
082 Z Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren;
084 Z Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan zo lang zijn oorzaak duurd; hetwelk ik wel zie zeeker waar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van die gevrogte, die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, heeft voortgebragt en dat deze dan zo lang haar oorzaak duurt, niet en konnen te niet gaan; maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van die gevrogte welkers wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen, maar van eenige andere zaak geworden zijn als alleen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet werken nog konnen werken nog ook buijten hem en hierom dan ook, aangezien zij niet onmiddelijk van God zijn voortgebragt, te niet konnen gaan;
090 en vooreerst hoedanig God een oorzaak is van alles. ... Weshalven wij dan met alle reeden mogen zeggen, God te zijn een oorzaak van alles;
091 Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te verdeelen, zoo laat ons dan eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is? 1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde. 2. Ten anderen is Hij een inblijvende en geen overgaande oorzaake, aangezien hij alles in zig zelfs en niet buijten zig en werkt omdat buijten hem niets niet en is. 3. Ten derden. God is een vrije oorzaak en geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken, wanneer wij zullen handelen van of God kan nalaaten te doen hetgene hij doet, alwaar dan meteen verklaard zal worden waarin de waare vrijheid bestaat. 4. God is een oorzaak door zig zelfs en niet door een toeval, hetwelk uijt de verhandeling van de Praedestinatie nader zal blijken;
092 5. Ten vijfden. God is een Voornaame oorzaak van sijne werken die hij onmiddelijk geschaapen heeft als daar is de roeringe in de stof enz. in welke de min voorneeme oorzaak geen plaats kan hebben, nadien dezelve altijd is in de bezondere dingen, als wanneer hij door een harde wind de zee droogh maakt en zo voort in alle bezondere dingen, die in de Natuur zijn. De Minvoorneembeginnende oorzaak en is in God niet omdat buijten hem niet is dat hem zoude konnen prangen. Dog de voorgaande oorzaak is sijn volmaaktheid zelve; door dezelve is hij en van zig zelfs een oorzaak en bij gevolgh van alle andere dingen;
093 Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beginnende oorzaak gelijk blijkt bij onze voorgaande betooging. 7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak, [f.32] dog alleen in opzigt dat bij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkselen voort te brengen. 8. Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen die oneijndelijk zijn en onveranderlijk en de welke wij van hem zeggen onmiddellijk geschapen te zijn, dog de laatste oorzaak is hij en eenigzins van alle de bezondere dingen;
094 Dat God het geene hij doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wij en zullen het meede bewijzen handelende van de Predestinatie, alwaar wij betonen zullen, dat alle dingen noodzaakelijk van hare oorzaaken afhangen;
095 dewijle het in God te konnen nalaten 't geen hij doet, een onvolmaaktheid zoude zijn; zonder nogtans in God te stellen een minvoorneem-beginnende oorzaak, die hem zoude bewoogen hebben te doen, want als dan en waar bij geen God;
097 Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat voortkomen uijt een oorzaak in hem, of uijt geen. ... Alvoorder: in de geschape zaake is het een volmaaktheid datze is en datze van God is veroorzaakt;
098 maar de ware vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt en alleen door zijne volmaaktheid oorzaak is van alle volmaaktheid: ... Dat God alleen de enigste vrije oorzaak is, is niet alleen uijt het geene nu gezeid is klaar, maar ook hierdoor namentlijk dat'er buijten hem geene uijtwendige oorzaak is, die hem soude dwingen of noodzaaken; al het welk in de geschapen dingen geen plaats heeft;
099 Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij dat doen, de antwoord is, omdat de rechtvaardigheid het also vereischt. Vraagt men dan waarom de Rechtvaardigheid het also vereischt of liever de eerste oorzaak van dat alles dat regtvaardig is, zo moet de antwoord zijn, omdat de rechtvaardigheid dat zo wil. Maar eijlieve;
100 Doch 't verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij verpligt of verbonde zoude zijn, namelijk een oorzaak die een begeerte heeft van dat dit goet en dat wederom rechtvaardig is en zoude zijn;
103 Dit word van ons verder bewezen uijt de beschrijvinge die wij van de vrije oorzaak gemaakt hebben: de welke niet en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt. Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de allervrijste oorzaak gedaan en uijtgewerkt. Indien hij dan de dingen te vooren anders als die nu zijn, gemaakt hadde, zo moet immers volgen, dat hij t'eeniger tijd onvolmaakt geweest is. 't Welk dan valsch is. Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dingen, zo moet dan in hem iets zijn, door het welke hij doet dat geene het welke hij doet en niet nalaat te doen;
109 Iets dat geen oorzaak heeft om te zijn, is onmogelijk dat het zij: Iets dat gebeurlijk is heeft geen oorzaak ergo. Het eerste is buijten alle dispuijt: het tweede bewijzen wij aldus. Indien iets dat gebeurlijk is een bepaalde en zeekere oorzaak heeft om te zijn, so moet het dan noodzakelijk zijn; maar dat het ende gebeurlijke ende noodzaakelijke tegelijk zoude zijn is strijdig. Ergo;
110 -111 Misschien zal iemand zeggen, dat iets gebeurlijk wel geen bepaalde en zekere oorzaak heeft, maar een gebeurlijke. Als dit dan zodanig zoude zijn, zo moet het zijn of in sensu diviso, of in sensu composito te weten, of dat de wezentlijkheid van die oorzaaken niet, als oorzaak zijnde, gebeurlijk is; of wel dat het gebeurlijk is dat dat iets ('t welk wel noodzakelijk in de Natuur zoude zijn) een oorzaak zal wezen dat dat gebeurlijke iets voortkomt. Edog en het een en het ander, beide zijn zij valsch. Want wat het eerste aangaat; Indien dat gebeurlijke iets daarom gebeurlijk is om dat zijn oorzaak gebeurlijk is, zo moet dan ook die oorzaak gebeurlijk zijn, omdat die oorzaak die haar veroorzaakt heeft, ook gebeurlijk is, et sic in infinitum. en dewijl nu al te vooren bewezen is, dat van een eenige oorzaak alles afhangt, zo zoude dan die oorzaak ook gebeurlijk moeten zijn: 't welk openbaar valsch is. Aangaande het twede dan: bij aldien die oorzaak niet meer bepaald en was om het eene of om het ander voort te brengen, dat is om deze iets voort te brengen of na te laten voort te brengen, zo waar't t'eenemaal onmogelijk en dat hij het zoude voortbrengen, en dat hij het zoude laten voort te brengen, 't welk regt streidig is;
112 Wat dan ons voorige tweede belangt van datter in de Natuur geen zaak en is van de welke men niet kan vragen waarom datze is, welk ons seggen te kennen geeft, dat bij ons te onderzoeken staat door welke oorzaak iets wezentlijk is; want die niet zijnde, was 't onmogelijk dat het iets zoude zijn. Deze oorzaak dan moeten wij of in de zaak of buijten de zaak zoeken. Dog zo men na den regul vraagt om dit onderzoek te doen, wij zeggen, dat er alheel geen schijnt van nooden te zijn. Want indien de wezentlijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken: doch indien het zoodanig niet en is met dit iet, zo moeten wij immers de oorzaak buijten haar zoeken. Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond (gelijk wij zulks nu ook al te vooren gedaan hebben) dat God namentlijk alleen de oorzaak van alles is;
113 en hier uijt dan blijkt meede dat deze en geene wille van den mensch (...) ook een uijterlijke oorzaak, van de welke zij noodzaakelijk veroorzaakt word, moet hebben;
114 ten hoogsten volmaakt en de eenigste oorzaak , beschikker en voorzorger van alles;
115 aangezien dat niemand alle de oorzaken van de dingen bekend zijn;
116 Dog wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt, want eerst de bijzondere alle alleen hebben oorzaak en niet de algemeene, dewijle die niets zijn. God dan is alleen een oorzaak en voorzorger van de bezondere dingen;
120 door zig zelfs bestaande, oneindig, oorzaak van alles, onveranderlijk;
121 wezen uijt of van zich zelfs bestaande, oorzaak van alle dingen, Alweetende, Almachtig;
124 en kan bewezen worden, omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheijnlijk;
125 alhoewel van zig zelfs bestaande, oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt;
127 te weten dat God onveranderlijk is en een oorzaak van alle dingen, zo zijn zij in haar eigen begrip verward geweest of hebben hun zelfs niet konnen verstaan, het welk hervoort gekomen is uijt haare dolinge van goet en kwaad, meijnende de mensch zelfs en niet God oorzaak is van zijn zonden en kwaad, het welke volgens 't geene wij nu alreede bewezen hebben, niet en kan zijn, of wij zijn genoodzaakt te stellen, dat de mensch dan ook oorzaak is van zijn zelfs;
129 Nu dan: Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de kennisse aller andere dingen, niet gekent word, veel minder dan konnen de andere dingen die door dat geslagt verklaart worden, verstaan [noch] gekend worden;
132 aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is 't genoeg dat wij hem door zig zelfs bewijzen. en is zulk bewijs ook veel bondiger als dat aposteriori, 't welk gemeenlijk niet als door uijtwendige oorzaaken geschied;
133 dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soodat de Natura naturata;
134 Want den Autheur meent daaraf de oorzaak nog te vinden gelijk hij aposteriori al;
145 in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is;
152 >De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in waan, waar geloof, en klare onderscheide ken[n]is, veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.], zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak;
160 Alzo 6 dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de K[ennis stellen];
181 dat zoude dan konnen een oorzaak zijn om zien;
191 Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; andere wel niet vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk >En verschieden naar de hoedanigheid van 't voorwerp. en van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelijk zijn; andere alleen door haar oorsaak onvergankelijk, ...]... De andere dat zij[n] alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen >Welke alleen door haar oorzaak onvergankelijk: siet pag.53 et seq.];
200 willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende;
203 Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken >Omdat wij de zaaken moeten kennen in haar oorzaaken.]: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods ...: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van de eerste oorzaak;
206 De Haat is een neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft >Dat de haat is een nijginge van ons af te weren 't geen ons kwaad veroorsaakt heeft.];
207 of dat wij de geene die ons kwaad veroorsaken met haat vlieden;
215 Deze [passies] aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo ... >Dese omdat ze met de Liefde uijt een en dezelfde oorzaak ontstaan, zo kan daar van gezien worden pag.70, 79.];
237 Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. en alhoewel de Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan;
245 dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en;
246 Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten;
249 op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en;
253 de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn evenmensch te helpen en;
254 en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben >Uijt haar oorzaak ziet men dat ze in geen volmaakt mensch kan plaats hebben.];
257 betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo ;
260 dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker;
267 Nu de oorzaak , waarom de eene van sijne waarheid meer;
268 als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft;
269 welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben;
272 n het bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij, want aangezien;
273 n Te zeggen: de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het Verstand is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ergo de Will onbepaalt genomen en ook het Verstand geen wezens van Reden maar dadelijke wezens;
276 n Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en dat alle Willingen van hem bepaald worden;
277 Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze Bevestiging van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied >Dat de oorzaak niet vrij is siet pag. …], dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers wezentlijkheid niet aan sijn Wezentheid is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn;
278 de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen;
279 >.zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden]. Nam ex nihilo nihil fit;
283 wij hebben gezeid, dat het voorwerp de oorzaak is van' t geene waar af iets bevestigt;
289 en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook' t geene wi;
291 Zo gij jaa zegt: Hoe, vraag ik, door wat oorzaak;
292 alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken. Zodat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat deze of geene Begeerte een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan;
294 konnen verrigten en met recht daar uijt oorzaak neemen om ons zelfs te bedroeven. Voor ;
295 (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wij meenende nu al wat groots te zijn en als of wij niets verder behoefden, staan blijven; (...) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken;
303 indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben;
305 Doch dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: ...omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden;
312 De oorzaak hiervan is >Wat hiervan noodzaakelijk de oorzaak moet zijn.] en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken;
313 Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge >Waarom zij geen uijtgebreidheid is of aan dezelve kan toegepast worden, maar de oorzaak van alle hare veranderinge in de denkende zaak moet zoeken. ...];
314 Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve;
316 en omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alzoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten >En hier uijt ontstaan die benaauwtheeden swaarmoedigheden, etc. die wij zonder de oorzaak te weten in ons gewaar worden.];
317 zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door' t zelve Loopen;
318 Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden;
319 gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet;
321 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien >Dat uijt dit voorige lichtelijk af te neemen is, welke de voornaamste oorzaaken van de passien zijn. Wat het lichaam en zijne uijtwerkingen hier in doet.];
322 want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien);
325 het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien , maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven hetgeene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet;
326 n Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken ;
327 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben; en bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken;
328 bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn;
329 benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van' t algemeen lichaam;
330 Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge die;
331 n De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt, ..., het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind;
334 zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken;
339 dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte;
342 Dit konnen wij lichtelijk bevroeden wanneer wij acht neemen op de oorzaaken die wij van de *opinien gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. ..., so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die opinien die wij alleen van hooren seggen hebben;
348 dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt;
349 te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak van alle kennisse;
352 at dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de *Idea Dat is onze ziel, zijnde e;
355 [bek]nopte beschrijvinge van de ziele en haar oorzaak;
357 Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen;
360 Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig zouden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken .Ook niet schoon zij hem lieven want dit zoude een God vereischen die veranderlijks is.], die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit is de ongerijmtheid zelve;
362 dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich;
366 >Tweederleij wett word de mensch in hem zelfs gewaar waardoor deze beijde veroorzaakt worden.]. De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse van God komt. en deze worden veroorzaakt;
371 getoond hebben, namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wez;
372 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't ...>Uijt eenige werkinge welkers oorzaak ons onbekend is en kan niet beslooten worden dat het God is en de rede waarom.];
373 Want of' er om dit voort te brengen Veel oorzaaken hebben te zamen geloopen dan of' er m;
376 die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft;
377 wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid;
378 en Duijvelen zijn, Jaa maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen' t geen wij zonde;
380 Maar alzoo dat alleen de kennisse oorzaak is van de vernietiginge der;
388 heeft in zich oorzaak om zich te konnen vernietigen als zij;
389 is voortgebracht van uijtterlijke oorzaaken , dat en kan ook dan met dezelve geen;
390 Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. en dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling;
391 De aldervrijste oorzaak en die God het alderbeste past, is de inblijvende: Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt, dat het sonder dezelve noch bestaan noch verstaan kan worden, noch ook aan eenige andere oorzaak onderworpen is;
394 Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. en om dat het niet is voortgekomen uijt uijtterlijke oorzaaken, maar van God, zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen volgens de 3e stelling. en aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebracht en hij niet alleen is een innerlijke oorzaak, so volgt nootzakelijk dat het niet en kan vergaan so lang deze zijne oorzaak blijft volgens de 4e stelling. Nu deze zijne oorzaak is eeuwigh, ergo het ook;
395 noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak;
398 >De slavernij van een zaake bestaat in onderworpen aan uijtterlijke oorzaaken;
de vrijheid daar en tegen, aan de zelve niet onderworpen, maar daar van bevrijd te zijn.]>Uijt dit gezeide blijkt dan ook welke dingen in onze magt en aan geen uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn;
399 zonder nochtans dat noch zijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn;
405 Dat geene twelk in zich niet heeft iets van een ander dink, en kan ook geen oorzaak zijn van de wezentlijkheid van zulk een ander dink;
406 Dat geene 't welk een oorzaak is van zich zelfs, is onmogelijk dat het zich zelfs zoude hebben bepaald;
411 De eene zelfstandigheid en kan geen oorzaak zijn van de wezentlijkheid van een ander zelfstandigheid.;
412 Soodanigen oorzaak en kan [Prop.1] in zich niet hebben iets van zulk een uijtwerking;
414 Geen zelfstandigheid is veroorzaakt van een ander [Prop.2] en bij gevolg zoze wezentlijk is, zo isse of een eigenschap van God of ze heeft buijten God geweest een oorzaak van zig zelfs;
432 en dit is de oorzaak waarom wij in de beschrijving gebruijkt deze woorden, dat de Idea is ontstaande uijt een voorwerp 't welk wezentlijk in de Natuur is;
435 zo word daar door veroorzaakt de pijne of droefheid die wij koude;
436 dat de uijterlijke oorzaaken die ook deze veranderingen te weeg brengen, in zich verschillen en niet alle dezelve uijtwerkinge hebben, zo ontstaat hier uijt de verscheidenheid van't gevoel in een en't zelve deel. en wederom indien de verandering welke geschied in een deel, een oorzaak zij dat ze wederkeer tot haar eerste proportie, hier uijt ontstaat de blijdschap die wij ruste, vermakelijke oeffening en vrolijkheid noemen.