oppersten 4x;
opperst* 20xB (opperste wijsheid, but often more litteral: op het opperste diens bergs);
summ* 58xE (summum bonum; summa perfectione);
121 machtig, eeuwig, eenvoudig, oneindig,' t opperste goet, van oneindige barmhertigheid enz.;
125 oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz;
127 Eijndelijk noemen zij Hem het opperste goed;
128 wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt, het welk geen geslagt boven;
129 Nu dan: Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de;
165 en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste;
218 Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet.
227 door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl;
299 dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke;
302 Of wij door' t ware geloof tot ons opperste heijl konnen geraaken;
385 buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door;
385 welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid;
061 zulk een wezen begreepen hebt, dat ten oppersten volmaakt is, niet konnende door iets;
062 als in sijn geheel oneijndelijk en ten oppersten volmaakt;
413 is door haar natuur oneijndig en ten oppersten volmaakt in zijn geslacht;
417 niet konnen zijn oneijndig en ten oppersten volmaakt in haar geslacht