OPZICHT

OPZICHT 5x;

aanzien 5x+3n;

betrekken;

betrekkinge 2x;

betrokken n;

inzicht;

opzicht;

opzigt 13x+6m;

opzigten;

opzigtig;

opzicht 8xB (surveillance);

respect* 7xE (6x respectu: alia de causa contingens dicitur nisi respectu defectus nostræ cognitionis; a sola imaginatione pendere quod res tam respectu præteriti quam futuri ut contingentes); relat* 20xE (individua absque relatione ad humanum corpus; quæ ad mentis durationem sine relatione ad corpus pertinent); 15x cum/absque/sine -ad;

Related concepts: ens rationis.

'Opzicht' and 'aanzien' can be used alternately in the same syntagmas in KV. Meyer mentions 'opzichtig' as a translation of 'respectivus'; antonym: absolute (076 ).

043 n Dat is, zo verscheijde selfstandigheden waren die niet tot een eenig wesen betrokken wierden: zo dan war de vereeninge onmogelijk omdat wij klaarlijk zien dat zij al heel geen gemeenschap te zamen hebben als denking en uijtgebreidheid, daar van wij nogtans bestaan;

044 Dog omdat wij bewijsen dat ze [sc.denking] een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat se is en a posteriori (ten anzien van de uijtgebreijdheid alleen) uijt de wijsen die nootzaakelijk dit tot haar subjectum moeten hebben;

052 gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan van de mensch ten aanzien hij zo een tsamenstel van wijse is van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheid van de welke hij afhangt zelve;

059 off een uijtwendige benaming, ... ofte zeg ik, in opzigt van sijne werkinge: gelijker wijs als dat hij is een oorzaak, een Voorbeschikker, en Regeerder van alle dingen, welke alle eijgen aan God zijn zonder nogtans te kennen te geeven wat hij is;

069 Z en bijaldien gij dan het lighamelijke en het verstandige wilt noemen zelfstandigheeden in opzigt van de wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de zelfstandigheden van de welke zij afhangen;

074 Z Bij voorbeeld het Verstand, het welk oorzaak is van sijn begrippen. en daarom word ook het verstand van mij (voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd) genoemt een oorzaak. en wederom in opzigt het bestaat van sijne begrippen, een geheel. Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge;

076 Z Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een verder oorzaak is, zoo is dat van mij niet gezegd als in opzigt van die dingen, dewelke God (...) onmiddelijk heeft voort gebragt; maar geenzins dat ik hem absoluijt een verder oorzaak hebben genoemt;

091 1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde;

093 7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak, dog alleen in opzigt dat bij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkselen voort te brengen;

118 Wat het andere aangaat van waarom dat God de menschen niet en heeft geschapen dat ze niet en zondigen, daarop dient, dat alles watter van de zonde ook gezeid word, zulks alleen maar gezeid word in opzigt van ons te weeten, als wanneer wij twee dingen met den anderen off onder verscheide opzigten vergelijken;

137 Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan; onder welke wij begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben en deze noemen wij Entia Rationis;

138 Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten geplaatst worde; want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is of ons niet zo nuttelijk als iet anders. Want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is of ook dat een appel kwaad is in opzigt van een ander die goet of beter is. Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden, bij aldien dat beter of goet in welker opzigt het zodanig genoemt word, niet en was;

220 De Achting en Versmading dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is;

231 De begrippen die wij ten opzigt van de saake zelve hebben > Wat dese begrippen zijn in opzigt van de zake zelve.], zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen;

of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve. Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit >Wat ten opzigt van de gene die ze begrijpt.]: of dat hij iets moet doen om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten;

235 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve >Dus verre van de passien uijt de begrippen in opzigt van de zake zelve.]. Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten >Volgt nu van die die voortkomen uijt de begrippen in opzigt van die de saak begrijpt;

246 Het lachgen heeft geen opzicht op een ander >Van het lachgen en wat opzigt het heeft en wat het is.], maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; ... Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten >Doch niet van 't lachen uijt beweging der geesten.]. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk;

248 De eerste is een seeker slag van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen;

250 zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op zijn even mensch te hebben;

254 gelijk de onbeschaamtheid van de schaamte en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs;

272 n en die een Gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en Waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is;

284 -5 Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de Wil bij die, die de Wille stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad;

Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word;

297 Want door haar zal een rechter nooijt meer partije van de eene als van de ander konnen werden en genoodzaakt zijnde om te straffen den eenen om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpen en te verbeteren als den anderen;

305 Tot het welke mij dunkt vereischt te worden, dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken;

329 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is >Dat is tusschen verstaan algemeen genomen en tusschen verstaan als opzigt hebbende op het goet of kwaad van de zaak.];

345 en hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voortkomt >en hier om is zo dikwijls gezeid dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt, daar door uijtsluijtende de begeerte om datze niet gelijk de liefde, uijt ware kennisse maar uijt redenering herkomt.];

365 Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan; Doch in aanzien hij ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken;