PASSIE

PASSIE(N) 26x+4n+18m;

leeden;

leijd;

leijder;

leijt;

lijd 2x;

lijden 5x+m;

lijdende 2x;

lijder 3x;

lijding 13x+2m;

lijdt;

onlijdelijk;

tochten 6x;

tog(h)ten. 4x+m;

passio* 62xE: Ad omnes actiones ad quas ex affectu qui passio est, determinamur, possumus absque eo a ratione determinari, 4,59; Apparet itaque quod omnis cupiditas quæ ex affectu qui passio est, oritur, nullius esset usus si homines ratione duci possent. Videamus jam cur cupiditas quæ ex affectu qui passio est, oritur, cæca a nobis appellatur, 4,59s; Per affectum intelligo corporis affectiones quibus ipsius corporis agendi potentia augetur vel minuitur, juvatur vel coercetur et simul harum affectionum ideas. Si itaque alicujus harum affectionum adæquata possimus esse causa, tum per affectum actionem intelligo, alias passionem, 3a3;

Related concepts: aandoen, werken, doening.

The general term 'hartstocht' does not occur in KV); 'passie' dates from the 16th century (affectio animi, perturbatio, Kiliaen) and is the general term for affect or state of mind in KV, together with begeerte, lijding and lust. "Lijden' and 'werken' are antonyms for exert and undergo (causal) influence. The use of 'lijding' for passion derives from this causal use of 'lijden' (159sqq), inclusiding the underlying epistemology (186).

045 Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben;

052 De deeling dan of lijding geschied altijd in de wijs;

053 Ten anderen: wij hebben alreeds gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is en dat hij een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van datgeene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt: het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft;

054 Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd;

055 Eijndelijk de zelfstandigheijd, dewijl zij en het beginsel is van alle haare wijsen, zo kan zij met veel grooter regt een doender als een leijder genoemt worden;

159 Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (passien) die daar streijdig zijn tegen de goede reden;

160 dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de Kennisse stellen;

161 Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (Passien) Lijdinge uijt de waan komen te ontstaan >Hoedanig de lijdinge uijt de waan komen te ontstaan, ...];

173 Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen >'t Geen nu van deze wijnige, doch voornaamste gezeijt is, kan mede van alle andere gezeijt worden; en hiermede word geeijndigt van die passien die uijt waan voort komen.] gelijk dat voor ieder een klaar is;

174 hoe uijt de dooling van de Waan de Passien voortkomen;

179 De derde uijtwerkinge is, datze aan ons verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle passien, die te vernietigen zijn >De 3. Dat ons verschaft het onderscheid van goet en kwaad, en welke van de passien wij te vernietigen hebben of niet]. en om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is;

186 Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan >Dat nu uijt het betoog van tevooren gedaan blijkt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uijt het begripp];

189 Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen;

194 Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien >Dese liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde; siet daar af pag. ]) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen >Van de liefde tracht men nooijt ontslagen te worden gelijk als van de andere passien om 2 redenen;

198 zo is't onmogelijk dat als die [sc.vergankelijke dingen] komen te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn >Dewijl wij met haar vereenigt zijnde ook met haar noodzakelijk komen te lijden.];

205 aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen;

206 Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder passien? >Wij konnen werken met of zonder passien: met gelijk een meerder over sijn minder gemeenlijk doet; zonder gelijk van Socreates gezeght word.] ) Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn;

207 Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of met, of zonder Passien gedaan worden... >Dewijl wij dan nu sonder passien konnen werken, wat sal dan best zijn, of dat wij de geene die ons kwaad veroorsaken met haat vlieden of dat wij hem sonder ontsteltenisse des gemoeds ondergaan?];

208 Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder passien doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen. en also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met passie te werken, dat het dan goet moet zijn zonder die te werken >Als wij iet zonder passie doen, daar uijt en kan dan geen kwaad voortkomen. Nu tusschen goet en kwaad is geen derde, ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.];

215 Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort, zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien;

221 die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijn zelvs;

225 wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft;

232 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus >Hoe nu alle dese passien uijt de begrippen voortkomen.];

234 Tot hiertoe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken;

235 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve >Dus verre van de passien uijt de begrippen in opzigt van de zake zelve.]. Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt;

239 de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd;

249 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid;

253 dat meest alle menschen oordeelen deze togten goet te zijn, doch niet tegenstaande;

255 Het beklagh dan zal zijn het laatste, waarvan wij in de verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen > De laatste passie waar van ons de derde uijtwerkinge vant geloof het onderscheid van goet en kwaad anwijst is't beklagh.];

257 voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijke;

258 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken >Wat wij hier als een zeer aanmerkelijke zaak in de passien hebben aan te merke.], hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aan de liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt;

260 zo is' t hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervallen;

269 en dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden >Want hij is bestandig omdat hij van de zaak nooijt anders aangedaan kan worden.], dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is;

298 Ten vijfden: zo bevrijd ons deze kennisse van de droefheid, van de wanhoop, van de nijdigheid, van de schrik en andere kwade Passien >Wij worden daar door bevrijd van veele kwade passien];

302 en ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad hebben geoordeeld, vrij konnen worden >]Of wij door 't ware geloof tot ons opperste heijl konnen geraaken en van de kwaade passien vrij zijn?];

303 Om dan van het laatste, namentlijk van het vrij worden der passien eerst te spreeken >Hoe dat in de passien aangevangen word te tonen.], zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld;

304 n Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegtste op ons geen magt;

305 omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: en met een ook dat geene, door't welke alle deze tochten zullen konnen vernietigt worden;

315 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken, zoo ontstaat daar uijt lijdinge de eene van de ander, namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele in het lichaam gelijk nu al gezeid is, kan wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen;

321 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der Passien >Dat uijt dit voorige lichtelijk af te neemen is, welke de voornaamste oorzaaken van de passien zijn. Wat het lichaam en zijne uijtwerkingen hier in doet.];

322 Daarna word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen;

325 Waar uijt dan volgt niet dat het lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien , maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven hetgeene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet;

326 n Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer;

want 't en zoude niet meer in de natuur konnen verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille;

327 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen, dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse die zij telkens van de zaake komt te hebben;

en bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken;

328 Eerstelijk bij aldien de beweginge niet en is de oorzaak van de passien, hoe het dan kan zijn, dat men de droefheid nochtans door middelen uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt;

342 wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten;

343 n en het zal't zelve zijn of wij hier 't woord opinie of passie gebruijken en zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen;

347 Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn;

377 Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden;

379 en hoe de passien vernietigt moeten werden;

387 Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft;

388 Alle lijding de welke is van niet zijn tot zijn of van zijn tot niet zijn, die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een innerlijke: Want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt, heeft in zich oorzaak om zich te konnen vernietigen als zij is, of te konnen maken als zij niet en is;

393 Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: en voor zo veel te meer ook vrij van verandering en verderving.