begeerende;
begeerlijkheid 4x;
begeerten 2x;
begeren;
begeerlijkheid 36xB: Al den arbeyt des menschen is voor sijnen mont: ende nochtans en wort de begeerlickheyt niet vervult, Pred.6:7; De werelt gaet voorby, ende hare begeerlickheyt: maer die den wille Godts doet, blijft in der eeuwigheyt, 1Joh.2:17; Wandelt door den Geest, ende en volbrenght de begeerlickheyt des vleeschs niet, Gal.5:16; begeerte 40xB: Daer toe hadde de Heere den volcke genade gegeven in de oogen der Egyptenaren, dat sy hen hare begeerte deden: ende sy beroofden de Egyptenaren, Exod.12:36; Dese honden zijn sterck van begeerte, sy en kunnen niet verzadight worden, Jes.56:11; Weest in geen dingh besorght: maer laet uwe begeerten in alles, door bidden ende smeecken, met dancksegginge bekent worden by Godt, Philipp.4:6; De Heere vervulle alle uwe begeerten, Ps.20:6;
desiderium 7xE; cupidita* 143xE: Cupiditas est ipsa hominis essentia quatenus ex data quacunque ejus affectione determinata concipitur ad aliquid agendum, defaff1; Desiderium est cupiditas sive appetitus re aliqua potiundi quæ ejusdem rei memoria fovetur et simul aliarum rerum memoria quæ ejusdem rei appetendæ existentiam secludunt, coercetur; Quare desiderium revera tristitia est quæ lætitiæ opponitur illi quæ ex absentia rei quam odimus oritur, .... Sed quia nomen "desiderium" cupiditatem respicere videtur, ideo hunc affectum ad cupiditatis affectus refero, defaff32expl; cf.2,48s
As the name for the allegorical personage in the first dialoque the biblical name 'Begeerlijkheid' is choosen. NS uses the translation 'verlangen' for cupiditas (~KV). The distinctin between 'wil' and 'begeerte' possibly has been derived from Burghersdijk, Metaphysica.
064 Begeerlijkheid : eij dog dit rijmt zig alwonderlijk;
069 Reede: Dat gij dan, O Begeerlijkheid, zegd verscheide zelfstandigheden;
071 Begeerlijkheid : In deze uwe manier van spreken zie ik;
100 namelijk een oorzaak die een begeerte heeft van dat dit goet en dat wederom;
160 hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude;
170 De Begeerte: het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten, 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet >De begeerte komt onder de gedaante van goet als ook de vorige liefde uit waan.];
171 als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op;
172 Alsoo dan is 't klaar, dat Begeerte gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want iemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt. Begeerte komt ook uijt bevindinge >Komt ook voort uijt bevinding, volgens de 2 bepalinge, die mij niet behaagt.] gelijk datt gezien word in de practijk van de doctors die zeeker remedie eeni[ge]maalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden;
215 Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de begeerte en de Blijschap >Van de Begeerte en de Blijschap. Wat de 3de uijtwerkinge van't gelove ons daar in sal aanwijzen];
217 Want't is zottelijk een verlooren goedt door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren >En 't is zottelijk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen.];
258 Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aan de liefde eigen is;
271 zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt;
285 Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de Begeerte ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen. 't Welk volgens haar zeggen de wil is en de Begeerte die neijginge die men eerst daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de Begeerte, maar de Begeerte niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan;
286 onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden;
287 laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de Wille en Begeerte;
288 Na Aristotelis beschrijving scheijnt Begeerte een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Want hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de Begeerte (of cupiditas) alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn;
289 Zoo is dan nu overig te onderzoeken of deze Begeerte vrij of niet vrij is >Dat de begeerte niet vrij is.]. Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben, zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is;
290 wel soude konnen laaten deze lust off begeerte te krijgen;
292 alzoo is ook in hem niet anders als deze en die Begeerte die van dit en dat begrip veroorzaakt word >En de begeerte en is niet anders dan deze of die begeerte, gelijk van de wil pag, zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zij is alleen van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken. Zodat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat deze of geene Begeerte een oorzaak is van zich zelfs dat is dat eer dat zij was, heeft zij gemaakt dat ze zoude zijn: 't welk de *ongerijmtheid zelve is en niet zijn kan >Ongerijmtheid die te volgen staat zo de begeerte vrij is.];
345 en hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voortkomt >en hier om is zo dikwijls gezeid dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt, daar door uijtsluijtende de begeerte om datze niet gelijk de liefde, uijt ware kennisse maar uijt redenering herkomt.];
397 gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat zijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur, altijd in alles overeenkomende;
423 Staat aan te merken dat alle de overige wijzingen gelijk als Lievde, Begeerte, Blijdschap haaren oorspronk van deze eerste onmiddelijke wijzing hebben; Ook zodanig dat in gevalle die niet alvoor en ging, daar geen liefde, begeerte enz. en zoude konnen zijn;
425 Want zoodanig een Idea sleept met zich de overige wijzingen van Liefde, begeerte enz.
Article 57. Le désir. De la même considération du bien et du mal naissent toutes les autres passions. Mais afin de les mettre par ordre, je distingue les temps, et considérant qu'elles nous portent bien plus à regarder l'avenir que le présent ou le passé, je commence par le désir. Car non seulement lorsqu'on désire acquérir un bien qu'on n'a pas encore, ou bien éviter un mal qu'on juge pouvoir arriver, mais aussi lorsqu'on ne souhaite que la conservation d'un bien, ou l'absence d'un mal, qui est tout ce à quoi se peut étendre cette passion, il est évident qu'elle regarde toujours l'avenir.