REDE

REDEN 11x+11n+13m;

bewijsreden;

onredelijk;

rede 2m;

redelijk 2x;

redenen 6x+m;

redenering 5x+4m;

redengevinge m;

reede 3x+m;

reeden 31x+7m;

reedenen 3x;

114xB(oratio): Hoort naarstiglijk mijn rede(nen) etc.; ratiocin* 6xE: Mens quatenus ratiocinatur nihil aliud appetit quam intelligere, 3,27d; notionum quæ communes vocantur quæque ratiocinii nostri fundamenta sunt 2,40s1; ratio 138xE: ratio seu causa; sana ratio; ratio docet; motus et quietis ratio; vera ratio; certa ac determinata ratione; ex ratione; ratione duci; ex ductu rationis (vivere) (44x);

Related concepts: kennis, idee, geloof.

KV177 (cf.158) distinguishes between three kinds of knowledge: klare en onderscheidenlijke reden (120n) or geloof (156) is the second kind of knowledge and ware reden (156) the third one. KV is not consequent in its use of the terms 'reden, redenen and redenering' for the second kind of knowledge. Reden is used in non technical sense for reason as well as for the faculty of reasoning in general together with 'redenering'. In the technical term 'wezen van reden' (ens rationis) reden is used as antonym of dadelijk wezen. For KV115 (zaken van reden) cf. causas breviter addam ex quibus termini transcendentales dicti suam duxerunt originem ut Ens, Res, Aliquid.... Ex similibus deinde causis ortæ sunt notiones illæ quas universales vocant ut Homo, Equus, Canis etc, 2,50s1;

007 Om het eerste dezes bewijsredens te tonen, zo stellen wij deze volgende grond regulen, te weten;

062 en gij zo [gij] daar aan twijffeld, vraagd het de Reeden, deze zal het u zeggen.;

083 dat het geheel maar is een wezen van Reeden en niet en verschild van' t algemeen als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt word van verscheide Niet-vereenigde ondeilbaare, maar het Geheel van verscheide Vereenigde ondeilbaare;

115 Dog deze tegenwerping ontstaat uijt deze onkunde van dat zij algemeene Ideen gesteld hebben, met dewelke zij meinen, dat de bezondere om volmaakt te zijn, moeten over een komen. Deze Ideen dan stellen zij te zijn in het verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben, dat namentlijk deze algemeene Ideen (als Redelijk , Dier, en diergelijke) van God zijn geschapen; en die Aristotelem volgen alschoon zij wel zeggen dat deze dingen geen daadelijke, maar zaaken van Reeden zijn, nogtans worden die bij haar veeltijds als zaaken aangemerkt, aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne voorzorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt;

120 Dat dit noodzaakelijk zo moet zijn, daarvan overtuygt ons de klare en onderscheidelyke reeden;

156 Een derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden , de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft;

158 Geloof dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar alleen aan ons bekend [zijn] door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn;

159 alle de lijdinge (passien) die daar streijdig zijn tegen de goede reden;

173 omdat wij in 't volgende zullen aanvangen te onderzoeken, welke [sc.passies] die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn;

177 Het gelove is een krachtige betuijginge van Redenen door welke ik in mijn Verstand overtuijgt ben dat de zaak waarlijk en zodanig is buijten mijn Verstand als ik in mijn Verstand daar af overtuijgt ben. Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffelachtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke vereeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake waarlijk en sodanig is buijten mijn verstand seg ik: waarlijk, omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan; sodanig, want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten; buijten, want het doet ons verstandelijk niet het geen in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten;

183 wezen(ens reale) met een wezen van Reden (ens Rationis) verwarren zoude;

202 De Reedenen waarom zijn klaar:(1) vooreerst omdat;

209 Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden >Maar staat te ondersoeken of sij ook niet ontstaat door ware redenering . Hier toe sal nodig zijn, dat de haat van ons wel verklaart en van de afkerigheid wel word onderscheiden.];

212 Ende zo zien wij ook door de reeden , dat wij heel geen haat ooijt tegen iemand en konnen hebben >Hieruijt volgt dan dat wij ons reden wel gebruijkende geen haat of afkeer tegen eenige zaak konnen hebben: zo en kan die dan uijt de ware redenering niet zijn, noch ook tegen eenig mensch en om wat reden.];

244 is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen;

248 niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc

254 De ondankbaarheid is een verachtinge van de dankbaarheid, gelijk de onbeschaamtheid van de schaamte en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden , maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; hoe ons de Reden aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden

257 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt >Het waare gelove dan of de reden het geene zijnde dat ons tot kennisse van goet en kwaad brengt, zo ist zeker dat wij nooit in 't geen kwaad is zullen komen te vervalle zo wij maar de reeden wel gebruijken .]. en zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende , nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen >Door de reeden verstaan wij het verstand dat wat meerder is als de reeden. Ziet Cap.21.] maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op zijn plaatze ook zullen bewijsen;

273 en ook het Verstand geen wezens van Reden maar dadelijke wezens;

278 zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in;

286 aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van

305 en dit doen wij daarom > Reden waarom dit gedaan word.] omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien, wij dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden: .... Waar uijt wij dan mede konnen zien >En wat daar uijt zal volgen.]of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen;

325 Zoo dat dan om weder tot ons voorige te keren >Vervolg van dese redengevinge.;

343 en het zal't zelve zijn of wij hier 't woord opinie of passie gebruijken en zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen; want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of onnmiddelijke vereeniginge van iets 't geen wij voor goet oordelen: en de Reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de Reeden aanwijst;

345 Want de mogelijkheid die ons de zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand , pag. 64, ... >en hier om is zo dikwijls gezeid dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt, daar door uijtsluijtende de begeerte om datze niet gelijk de liefde, uijt ware kennisse maar uijt redenering herkomt.];

346 Aangezien dan de reeden geen magt heeft om ons tot onse welstand te brengen;

347 n Alle passien die tegen de goede reden strijdig zijn (als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan;

363 reeden , omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn, maar in het tegendeel wel tot vernietiginge van veel andere dingen konnen zijn;

384 en omdat wij hem (...) ondervonden hebben te zijn het beste goed van alle goed, zo worden wij genoodzaakt hier pal te staan en te rusten >Uijt het voorige volgt dan noch ook dat de redenering in ons niet het beste is en word dan gezeid wat het is.];

385 Eijndelijk dan zo zien wij ook hoe dat de redenering in ons niet en is het voornaamste, maar alleen gelijk een trap langs de welke wij na de gewenste plaats opklimmen;

437 Eijndelijk dan dewijle wij nu verklaart hebben wat het gevoel is, zo konnen wij lichtelijk zien, hoe hier uijt komt te ontstaan een weerkeerige Idea off de kennisse sijns zelfs, de ervaring en redenering . en ook uijt alle deze (...) kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse en de onsterfelijkheid der ziele;