REFLEXIVA

REFLEXIVA;

conscientie +m;

medegeweten;

wederkerig;

reflex* ~E; refle* 7xTIE (4x cognitio reflexiva): diximus, methodumque cognitionem esse reflexivam; Unde colligitur, Methodum nihil aliud esse, nisi cognitionem reflexivam, aut ideam ideae; et quia non datur idea ideae, nisi prius detur idea; ergo Methodus non dabitur, nisi prius detur idea. Unde illa bona erit Methodus, quae ostendit, quomodo mens dirigenda sit ad datae verae ideae normam. Porro eum ratio, quae est inter duas ideas, sit eadem cum ratione, quae est inter essentias formales idearum illarum; inde sequitur, quod cognitio reflexiva, quae est ideae Entis perfectissimi, praestantior erit cognitione reflexiva caeterarum idearum; hoe est, perfectissima ea erit Methodus, quae ad datae ideae Entis perfectissimi normam ostendit, quomodo mens sit dirigenda; consci* 29xE (6x conscientia; 2x conscientiae morsus); conscius 23xE (cupiditatem esse appetitum cum ejusdem conscientia; appetitum autem esse ipsam hominis essentiam quatenus determinata est ad ea agendum quæ ipsius conservationi inserviunt. [...] Nam sive homo sui appetitus sit conscius sive non sit, manet tamen appetitus unus idemque [...] Igitur ut hujus conscientiæ causam involverem, necesse fuit (per eandem propositionem) addere "quatenus ex data quacunque ejus affectione determinata etc.");

The epistemological doctrine of the cognitio as idea reflexiva of TIE does not occur in the Ethics. KV has it in common with TIE. The link with consciousness (152) enables the reinterpretation of the Christian concept of consciousness (213): "ik hebbe met goede conscientie voor God gewandeld".

151 -2 Dat behoort aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden; te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen. ..... 1. Belangende het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onzes zelfs en van die dingen die buijten ons zijn;

213 en omdat een volmaakt mensch het alderbeste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport >De goede conscientie en bedriegt ons noijt.];

337 n 't Is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. en nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. en om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte (die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen) en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ons datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (idea reflexiva). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren;

437 Eijndelijk dan dewijle wij nu verklaart hebben wat het gevoel is, zo konnen wij lichtelijk zien, hoe hier uijt komt te ontstaan een weerkeerige Idea off de kennisse sijns zelfs, de ervaring en redenering. en ook uijt alle deze (gelijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God en een deel is van de oneijndige Idea, van God onmiddelijk ontstaande) kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse en de onsterfelijkheid der ziele. Doch voor tegenwoordig zal het gezeide ons genoegh zijn;