schijnt 3x;
scheijnd 2x+n;
scheijndt m;
scheijnt +m;
scheint m;
schijn 4x+m;
scheijn 2x;
toescheijnt;
schijnredenen;
71xB;
vider* 49xE (Communis vulgi persuasio alia videtur esse; superstitio id contra videtur statuere bonum esse; hæc videtur prima fuisse horum vocabulorum significatio);
'Schijnen' is used close to the Latin 'vidiri' it seems to translate.
045 dewelke in een volmaakt wezen geenzins en scheijnt te konnen vallen;
071 want gij schijnt, te willen dat het geheel iets zoude zi[ijn zonder de delen];
112 wij zeggen, dat er alheel geen schijnt van nooden te zijn;
128 Nodig zal het dan nu zijn, dat wij haar schijnredenen waarmede zij haar;
237 plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans;
243 >Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen. Doch wel..];
264 Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea >Dat uijt de beschrijving van waarheid en valsheid scheijnt te volgen datter geen onderscheid is tusschen ware en valsche Ideen.];
265 >Op welke schijn word geantwoord.];
273 zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadel[lijks];
275 want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is;
281 Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan >Waar uijt het komt dat dit niet waar scheijndt.], om dat haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is;
286 [aang]ezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad);
288 Na Aristotelis beschrijving >Wat bij Aristotelem voluntas.] scheijnt Begeerte een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Want hij zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet, waar uijt het mij toe schijnt, dat hij de Begeerte (of cupiditas) >Wat bij hem cupiditas. ] alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn: Doch als de neiginge alleen tot het goede is of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noemt hij die voluntas of goede wille; maar zoo zij kwaad is, dat is, als wij in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is, dat noemt hij voluptas of kwade wille > en wat bij hem voluptas is.]. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad;
293 zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen;
338 De derde tegenwerpinge kan deze zijn >De derde tegenwerpinge.]: Wij schijnen klaarlijk te konnen zien dat wij nochtans in het lichaam eenige stilte konnen veroorzaaken.