SCHOON

SCHOON (allthough) 7x+5n+m;

alschoon 13x+n;

alhoewel 6x (hoewel ~KV);

alhoewel:hoewel=6:68xB; (al)schoon ~B; 22x ofschoon (~KV);

tametsi 13xE; quamquam 2xE; licet 9xE; quamvis 42xE;

002 in't concept van een Berg, schoon hij nooit was of is;

013 n Alsoo dat alschoon ik eerst dacht, dat ik die verzierd hadde, daarna nochtans gedwongen worde te zeggen dat sij niet te min hetzelve zijn en zouden zijn, schoon ik of geen mensch ooijt om haar gedagt hadde;

014 gelijk nogtans van de andere dingen schoon zij niet wesentlijk zijn, gedaan word;

081 Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met;

086 Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er;

101 dan voorder het geschil namelijk of God, schoon alle dingen van hem op een andere wijze [geschapen waren];

115 en die Aristotelem volgen alschoon zij wel zeggen dat deze dingen;

125 Want alhoewel van zig zelfs bestaande, oorzaak te zijn...aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans;

128 Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet;

136 het welke alhoewel genoegsaam door zig zelfs klaar zijnde;

149 en alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur;

153 Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen;

201 twede maniere van voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk door haar;

210 zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfan[gen];

237 en alhoewel de Verzekerdheid en Wanhoop in die;

268 dat het Verstaan(schoon het woord anders luijd) is een suijvere [lijding];

274 en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging;

283 wij ons inbeelden dat het voorwerp(schoon wij zeer weinig van het selve gewaar wo[rden];

290 Veele menschen schoon zij wel zien, dat;

308 het soude onmogelijk zijn(schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen;

325 maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven hetgeen;

332 Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam;

335 Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft;

341 waar door het komt dat wij somtijds alschoon wij zien een zaake goet of kwaad te zijn;

343 en de Reden schoon zij ons dat beter is aanwijst;

360 Ook niet schoon zij hem lieven want dit zoude een God;

365 Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met;

369 wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was;

372 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn;

381 Alzoo dat schoon ook voor het verstand uijt kragt van;

419 de ziel ook vernietigt word alschoon dat de voorgaande eigenschap;

420 is het menschelijk lichaam niet meer alschoon ook de eigenschap van uijtgebreidheid;

427 het noch noch veranderd noch vernietigt alschoon het voorwerp veranderd of vernietigt.