daarstellen;
daarstellende;
gesteld 19x+5n+2m;
gestelt 2x;
herstellen +m;
herstellinge;
onderstellen 3x;
onderstellingen;
ontsteld;
ontstelling m;
steld 2x;
stelde;
stelle;
stellende;
stellig 'positivus;
berustend op de feiten;
stelling(e) 16x+2n+9m;
stelt +m;
teegengestelde;
tegenstellen;
tegenstellinge;
vooronderstellen;
voorsteld;
voorstelling;
pon* 26xE (ipsius agendi potentiam ponunt; Et profecto non minus absurdum est ponere quod substantia corporea ex corporibus); propositio* 1188xE (internal references); propon* 4xE; proposu* 5xE; oppon* 15xE;
Related concepts: zeggen.
To put without the necessity of proof or enunciation. 'Daarstellen' (028, 091) is used for (causally) bringing into being. 'Stelling' (101) is not used in the technical sense of proposition. The term proposition only occurs in the appendix.
007 zo stellen wij deze volgende grond regulen;
012 n Doch eens gesteld dat deze Idea een versierzel is, ..., die onmogelijk in de Natuur, die wij bevinden anders te sijn gesteld, plaats konnen hebben;
024 Want deze stellende, isser noodzakelijk bepaling;
028 n Scheppen dan is een zaake daarstellen quo ad essentiam et existentiam maar genereren is dat een zaake voortkomt quo ad existentiam solum;
029 n Doch 't geen wij hier scheppen noemen, en kan eigentlijk niet gezeid worden ooijt geschied te zijn en is maar om aan te wijzen, wat wij tussehen scheppen en genereren onderscheid stellende , daar van konnen zeggen;
045 uijtgebreijdheijd een eijgenschap van God stellen te zijn;
049 n Niet het eerste, want daar is geen ijdel, dat stellig en geen lighaam is;
053 gesteld, datter buijten God niets niet en is;
057 Maar wij bebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn;
063 >welke ongerijmtheid wij ontgaan stellende dat hij is] Een, Eeuwige Eenheid;
065 Z en indien gij buijten deze zelfstandigheeden nog een derde wilt stellen , die in alles volmaakt is, ziet zo wikkeld gij U zelven in openbaare strijdigheeden; want zo deze derde gesteld word buijten de twee eerste, zo ontbreeken hem dan alle de eigenschappen die deze twee toebehooren;
070 en van alle deze stellen wij als gezeid, Een Eenige ofte Eenheid;
079 een voorbeeld stellen;
080 [een rechte] hoek noodzakelijk gelijk is met de twee teegengestelde innerlijke, en zo voort;
080 zal ik u een ander voorbeeld stellen namentlijk een denkbeeld, het welk ik;
082 niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij;
091 1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen , als op elkander opzigtig zijnde;
095 zonder nogtans in God te stellen een minvoorneem- beginnende oorzaak;
100 want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij verpligt;
101 zo zoude noodzakelijk moeten volgen na de stellinge der geener die God wille en verstand toeschrijven, dat dan God beide en een ander wille en een ander verstand als doen gehad heeft;
102 en zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe anders gesteld was als nu;
also dat indien wij stellen , hij nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles anders schiep;
107 wij dan volgens deze onze beschrijvinge stellen een Algemeene en een bezondere voorzien[igheid];
115 Dog deze tegenwerping ontstaat uijt deze onkunde van dat zij algemeene Ideen gesteld hebben, met dewelke zij meinen, dat de bezondere om volmaakt te zijn, moeten over een komen. Deze Ideen dan stellen zij te zijn in het verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben;
123 en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigende maar alleen ontkennender wijse weten;
124 Dewijl zij ons dan met deze haare stellinge genoegzaam toestaan, dat zij een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wij dan nu eens hare beschrijvinge gaan onderzoeken;
127 of wij zijn genoodzaakt te stellen;
129 Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verbonden aan haare stellingen te zijn, zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge voort brengen;
130 De twede zijn die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden. en dit is wat aangaat op haar stelling van de beschrijvinge;
149 echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen;
150 stellen dat dat aen de natuur van de zaak behoort;
151 Dit dan zo zijnde, wat voor een regul stellen wij dan daarbij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? De Regul dan is deze: Dat behoort aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is;
153 >worden pag. 67 voor' t eerste gesteld als ook hier en aldaar de waan genoemt..];
154 zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1)... en niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter zijne werkingen daar na gericht;
160 Alzo 6 dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de Kennisse stellen;
163 maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangeda[an];
183 off bij andere gelegentheden zullen stellen;
200 aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld , afzijn. >Zo en moeten wij ook niet vereenigen met die voorwerpen die door haar oorsaak onvergankelijk zijn: het welk zijn de 2de voorwerpen van ons gesteld .];
206 in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn;
210 De haat is een ontstelling in de ziel tegens die ons willens en wetens misdaan heeft en de afkerigheid is een ontsteltenisse in ons tegen een zaak die uijt haar natuur ons of in waan of waarlijk heeft beledight;
217 Want't is zottelijk een verlooren goedt door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren >En 't is zottelijk een verloren goet door een opkweekende kwaad te herstellen .];
227 Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer;
239 dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerkt) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen;
260 en daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul;
262 >die bij ons pag. 75 nog niet en is gesteld. ];
263 beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen;
269 [vol]maaktheid van een die in Waarheid staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat;
270 wat bij die gene die de Wille stellen, de Wille is;
280 en eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben;
284 Want de Wil bij die, die de Wille stellen, is alleen dat werk;
290 (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander [te worden getrokken];
293 Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn >Wat nuttigheden uijt deze stelling van dat de mensch uijt hem selfs tot sijn heil niets niet kan doen, volgen, namentlijk:];
294 Voor al in tegenstellinge van 't geene wij nu zien: Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is;
296 maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten;
303 zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen andere oorzaken en hebben als wij daar van hebben gesteld , dat als wij ons verstand maar wel gebruijken;
312 dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken;
318 De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de zie[le];
326 Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste [oorzaak van de passien];
329 [de] ziel dan als nu mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewe[zen];
330 geholpen: of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte;
337 zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet and[ers is];
353 Want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vere[nigen];
354 geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk;
360 Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets;
362 en hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. ... Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden >Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem als hij die gedaan heeft te belonen;
364 de wetten van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere;
366 Dus verre dan van de wet van God gesteld;
368 gemeenschap tusschen God en de menschen stellen;
374 duijvelen als de menschen gewoon zijn te stellen;
376 in de Duijvelen gesteld zijnde;
377 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen > Daar is geen noodzakelijkheid voor ons om duijvelen te stellen .], waar toe dan die gesteld? 96Want wij hebben niet gelijk andere, om de oorzaake van Haat, Nijd, Toornigheid en dier gelijke Passien te vinden, van noden Duijvelen te stellen >Wat de menschen bewogen heeft duijvels te stellen .];
378 Met de stellinge van't voorgaande >Wat wij in 't voorige cap. met die stelling hebben willen te kennen geven.] hebben wij niet alleen willen te kennen geven, dat'er geen Duijvelen zijn;
383 de waarheid van' t geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl en ruste;
386 >Het besluijt van dit geheel werk zal dan zijn de verhandeling van de menschelijke vrijheid, een zaake van zeer groot gewigt en van de onsterfelijkheid van de ziele, van niet min gewigts, alles in korthoudige stellinge vervattet]. Om het welke te doen, ik van deze navolgende stellingen als zaaken die zeker en bewezen zijn, daar toe zal gebruijken;
392 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten >Wat nu al uijt deze voorige waare stellinge klaarlijk zal komen te volgen.];
408 swaarigheid tegen' t geene ik voor vast stelle;
415 is in eenig oneijndig verstand te konnen stellen de Idea van het wezen eenens zelfstandi[gheids];
421 zodanig, dat bij aldien men stelde eenig formelijk ding welkers wezen;
434 Wij zullen dan hier voor onderstellen als een zake die bewezen is, dat in de uijtgebreidheid geen andere wijzinge is als beweging en stilte;