uijtgebreide;
uijtgebreijdheijd 28x+16n+m;
uijtgestrektheid;
uytgebreidheid 2x+4m;
uitgestrekt* 42xB;
uitgebreid* 15xB;
extend* 8xE (4x putant voluntatem latius se extenderequam intellectum); extensio* 14xE: … quod substantia cogitans et substantia extensa una eademque est substantia quæ jam sub hoc jam sub illo attributo comprehenditur. …Sic etiam modus extensionis et idea illius modi una eademque est res sed duobus modis expressa... quatenus tantum est res extensa .. et quatenus ut modi extensionis considerantur.., 2,7s; … id ergo quod mentem ad cogitandum determinat, modus cogitandi est et non extensionis … id a Deo oriri debuit quatenus aliquo extensionis modo et non quatenus aliquo cogitandi modo affectus consideratur…, 3,2d; ..quod scilicet mens et corpus una eademque res sit quæ jam sub cogitationis jam sub extensionis attributo concipitur. Unde fit ut ordo sive rerum concatenatio una sit sive natura sub hoc sive sub illo attributo concipiatur..), 3,2s ;
Related concepts: denking, eigenschap.
Cogitation and extention (denking / uitgebreidheid) are the only two divine attributes within the reach of human cognition. The difficulties in adapting these Cartesian concepts to Spinozism are manifest in the terminological uncertainty: uitgebreide zelfstandigheid / zelfstandige uitgebreidheid (064, 044, 143). As a divine attribute extension has all divine properties like infinity and consequently undivisibility (045). As a proportion of motion and rest is the only conceivable quantitative way of existence of particular things in this infinite divine attribute (144, 310, 434).
043 hebben als denking en uijtgebreidheid, daar van wij nogtans bestaan;
044 n Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo verstaan wij die niet als in haar wesen en niet in haar wezent[lijk]heid, dat is dat haar wezent[lijk]heid noodzakelijk aan haar wesen toebehoort: Dog omdat wij bewijsen dat ze een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat se is en a posteriori (ten anzien van de uijtgebreijdheid alleen) uijt de wijsen die nootzaakelijk dit tot haar subjectum moeten hebben;
045 Uijt dit alles dan dat wij nu dus verre gezeijd hebben, blijkt dat wij de uijtgebreijdheijd een eijgenschap van God stellen te zijn >Dat de uijtgebreidheid een eijgenschap van God is word bewezen.], dewelke in een volmaakt wezen geenzins en scheijnt te konnen vallen: Want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar is, zo zoude het volmaakte Wezen van deelen bestaan, 't welk aan God alheel niet kan toegepast worden, dewijl hij een eenvoudig wezen is. Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben;
047 Maar de uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en;
048 n In de natuur dat is in de zelfstandige uijtgebreidheid: want die gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneijndige uijtgebreijdheid of geheel te zijn, dat het zelfde is. Maar zult gij zeggen: iss'er geen deel in de uijtgebreijdheijd voor alle wijse? Geenzins, seg ik. Maar zegt gij, alss'er beweging in de stof is, die moet in een deel van de stoff zijn, want niet in 't geheel, dewijl die oneijndig is, want waar heen zou die bewogen worden? Buijten haar is niet; ergo dan in een deel. Antwoord: daar is geen beweging alleen, maar beweging en stilte zamen; en deze is in het geheel en moet daar in zijn, want daar is geen deel in de uijtgebreijdheijd;
049 n Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan: als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest? Gij moet zeggen, of een ijdel of een ander lichaam of dat van de uijtgebreidheijd selve; daar is geen vierde. Niet het eerste, want daar is geen ijdel, dat stellig en geen lighaam is. Niet het twede, want dan wass'er wijze, die'er niet kan zijn, want de uijtgebreidheid als uijtgebreidheid is zonder en voor alle wijze. Ergo dan het derde en zo en iss'er geen deel, maar de uijtgebreidheid geheel;
050 vernietigt zijnde, evenwel nogtans de uijtgebreijdheijd zoude blijven en niet;
058 [m]aar bestaan in twee, namelijk Denking en Uijtgebreijdheid : want hier spreeken wij maar alleen van;
064 geen gemeenschap heeft met de uijtgebreide selfstandigheid en dat;
070 uw eijgen bewijzen, dat en de Oneijndige uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige;
120 alles vervult, enz. het welk tot de uytgebreidheid toebehoort;
135 worden, maer alleen door middel van de Uijtgebreidheid, van deze alle zeg ik, en zullen wij;
143 n 2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de denking;
144 n 7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen in de zelfstandige uijtgebreidbeid, die wij lichaam noemen;
275 t lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een Chimera waar in wij;
306 en aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk;
307 zoo is dan klaar blijkelijk dat deze uijtwerking van het lichaam, door het welke wij gewaar worden, van niets anders kan komen als van de uijtgebreidheld zelve. en geenzins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uijtgebreidheid heeft: Want ditt (gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet;
308 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen, die wij zien van de uijtgebreijdheid noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. ... Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen. Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is;
309 Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn in ons als de uijtwerkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid , wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn >Wat nog daarbij is aan te merken, namentlijk dat wij met verzekering mogen zeggen niet van iets anders te bestaan als van denking en uijtgebreidheid.];
310 Zoo wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden >Eerst de uijtgebreijdheids werkinge die maar bestaat in beweginge en ruste uijt de welke alle de uijtwerkingen herkomen en die zoodanig dat geen ander zaak als zij zelve alleen haar kan veranderen];
313 Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge >Waarom zij geen uijtgebreidheid is of aan dezelve kan toegepast worden, maar de oorzaak van alle hare veranderinge in de denkende zaak moet zoeken. Ziet daarvan pag…. Tot en voorbeeld zij de liefde.];
314 zaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezog[t worden];
403 De dingen welke dadelijk onderscheiden worden, hebben of verscheide eigenschappen gelijk als Denking en Uijtgebreijdheid of worden toegepast aan verscheide eigenschappen als Verstaning en Beweeging; welkers eene behoort tot de Denking en het ander tot de Uijtgebreijdheid;
416 hoedanig zijn alle de wezens van dingen die wij zien, de welke te vooren niet wezentlijk zijnde, in de uijtgebreidheid, beweging en ruste begrepen waren: en wanneer zij wezentlijk zijn niet en worden onderscheiden van de uijtgebreidheid dadelijk, maar alleen wijzelijk;
420 Op dezelfde manier van't geen hij heeft van uijtgebreidheid 't welk wij lichaam noemen, en is niet anders als een wijzing van de andere eigenschap die wij uijtgebreijdheid noemen. Die ook vernietigt wordende, is het menschelijk lichaam niet meer alschoon ook de eigenschap van uijtgebreidheid onveranderlijk blijvt;
428 Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentlijk is enz. zonder meer bezonderheid. Om dan hieronder te begrijpen niet alleen de wijzingen van de uijtgebreidheid, maar ook de wijzingen van alle de oneijndige eijgenschappen de welke mede zo wel als de uitgebreidheid een ziele hebben;
433 Maar aangezien wij van de overige eigenschappen niet en hebben zoodanige kennisse als wij hebben van de uijtgebreidheid, zo laat ons eens zien of wij oogmerk neemende op de wijzingen van de uijtgebreidheid, konnen uijtvinden een bezonderlijker beschrijving en die meer eigen is om 't wezen van onze zielen uijt te drukken, want dit is ons eigentlijke voornemen;
434 Wij zullen dan hier voor onderstellen als een zake die bewezen is, dat in de uijtgebreidheid geen andere wijzinge is als beweging en stilte en dat ieder bezonder lichaamelijk ding niets anders is als een zeekere proportie van beweginge en stilte; ook soo zeer dat bij aldien in de uijtgebreijdheid niet anders was als alleen beweging of alleen stilte, soo en zoude in de geheele uijtgebreidheid niet konnen aangewezen worden of zijn eenig bezonder ding. Alsoo dat dan het menschelijk lichaam niet anders is als een seekere proportie van beweginge en stilte.