VERANDEREN

VERANDEREN 8x+6n+2m;

onveranderlijk 9x+2n;

onverbrekelijk 2x;

onvergankelijk 5x+6m;

veranderd 7x;

veranderende;

verandering 15x+7n+m;

veranderlijk 2x+m;

veranderlijkheid;

verandert 2x;

verander* 124xB; onverander, onvergank* ~B;

*muta* 37xE(mutatio formae 6x); *mutabil* 4x (immutabilis);

Related concepts: eeuwig, volmaakt, duur, onvergankelijk, vernietigen.

'Onveranderlijk' is often used in doublets with 'oneindig' and 'eeuwig'. All three are qualities of what is perfect, whereas changeability is a characteristic of what is imperfect and subject of destruction. The terminology is from scholastic origin and does not occur in bible language. A quantitative interpretation of change: 146n (cf.310, 435). Epistemologic consequences: 191 sqq. Because change implies time it cannot be eternal or perfect.

002hetwelk waarlijk eeuwig en onveranderlijk is en altijd moet zijn in' t concept;

003 en zullen van in alle ewigheid onveranderlijk blijven;

016 datter geen twee oneijndelijke en konnen zijn, maar Een Eenig: dat het volmaakt en onveranderlijk is, als wel wetende dat geen zaake door zig zelfs haar eijgen vernietinge zoekt: en meede, dat het tot of in iet beters [niet] kan veranderen , aangezien het volmaakt is;

018 n De oorzaak van deze veranderinge zoude moeten zijn van buyten of in haar: Niet van buyten, want geen zelfstandigheid die als deze door zig zelf is, hangt van iets buyten hem af: ergo geen verandering daarvan onderwurpen;

023 n 1. of ze [sc.zelfstandigheid] moet haar zelfs bepaald hebben, of haar moet een ander bepaald hebben: niet zij haar zelve want onbepaald geweest zijnde, zoude zij haar geheel wezen moeten verandert hebben;

078 Z Het wezen van de zaak en neemt niet toe door het vereenigen van een ander zaak met dewelke het een geheel maakt; maar in teegendeel het eerste blijft onveranderlijk;

081 Z Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met het voorgaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen verandering vald, maar integendeel zonder de minste verandering blijft;

093 van die dingen die oneijndelijk zijn en onveranderlijk;

096 moet voorbepaalt zijn, andersins waar hij veranderlijk, dat dan in hem een groote onvolmaakthe[id];

102 die nu, te vooren en in alle eeuwigheid onveranderlijk is geweest en blijven zal;

116 Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere en vergankelijke dingen, maar wel van de algemeene die na haar meeninge onvergankelijk zijn;

120 oneindig, oorzaak van alles, onveranderlijk;

125 opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz. aan God alleen eigen zijn;

127 te weten dat God onveranderlijk is en een oorzaak van alle dingen;

134 en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen blijven;

135 Eeuwigheid is geweest en in eeuwigheid onveranderlijk zal blijven;

136 onmiddelijk schepzel van God, ook van alle eeuwigheid van hem geschapen en in alle eeuwigheid blijvende onveranderlijk : deze sijne eigenschap is maar een, namenlijk: alles klaar en onderscheiden in alle tijden te verstaan, uijt het welke spruijt een oneindelijk of aldervolmaakst genoegen onveranderlijk;

146 n Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3. gaat; dog zo veel het verandert , zo veel verandert ook telkens de ziel. 13. en deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert , deze verandering gewaar word. en deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen;

166 >Hoe deze komt te veranderen. ];

191 Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; andere wel niet vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk >En verschieden naar de hoedanigheid van 't voorwerp. en van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelijk zijn; andere alleen door haar oorsaak onvergankelijk , maar een derde alleen door sijn eigen kracht eeuwig en onvergankelijk .]. De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben >Welke de vergankelijke zijn door haar selfs natuur.]. De andere dat zij[n] alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen >Welke alleen door haar oorzaak onvergankelijk : siet pag.53 et seq.].. Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de Waarhe[i]d >Welke de derde is.].;

200 Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die vergankelijk zijn, buijten onze macht zijn. ...: door die welke niet in onse macht zijn zulke die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, afzijn. >Zo en moeten wij ook niet vereenigen met die voorwerpen die door haar oorsaak onvergankelijk zijn: het welk zijn de 2de voorwerpen van ons gesteld.];

201 voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk door haar;

212 wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de saake;

237 de Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is);

239 die wij door haar veranderlijke aard(gelijk in de beschrijving;

259 de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp;

260 God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt;

268 dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken;

269 Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert , zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: en zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: en dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden >Want hij is bestandig omdat hij van de zaak nooijt anders aangedaan kan worden.], dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is;

310 Zoo wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden >Eerst de uijtgebreijdheids werkinge die maar bestaat in beweginge en ruste uijt de welke alle de uijtwerkingen herkomen en die zoodanig dat geen ander zaak als zij zelve alleen haar kan veranderen ]. en zoodanig zijn deze twe wijzen >Twee wijsen: omdat de ruste geen Niet is.] in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve;

313 maar de oorzaak van alle hare veranderinge in de denkende zaak moet zoeken;

314 Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan;

326 welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat);

329 Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar [sc.de ziel] kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die de geesten als dan ontfangen;

330 doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk;

334 Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versa, zo dat hier geen derde;

354 eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestandigheid;

355 wat de Ziele is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan;

356 Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn;

357 Maar (ten 2e) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven >Soo met God, wat dan daaruijt volgt, namelijk dat ze onvergankelijk is en de noodzaakelijkheid waarom het zo moet zijn.]. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen te niet gaan? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan . Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen;

360 Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken. Ook niet schoon zij hem lieven want dit zoude een God vereischen die veranderlijk is.];

362 dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles;

389 en zal het van de zelve noch veranderd noch verwisselt konnen worden;

390 Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling;

393 zo veel te meer ook vrij van verandering en verderving;

394 zoo en kan het van de zelve geen veranderinge ontfangen;

399 om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden;

419 app dat de voorgaande eigenschap onveranderlijk blijft;

420 ook de eigenschap van uijtgebreidheid onveranderlijk blijvt;

421 van het lichaam heeft en ook hoe zijne verandering (alleen) afhangt van het lichaam;

425 Nu dan aangezien de Idea voortkomt vande wezentlijkheid des voorwerps, zoo moet dan ook het voorwerp veranderende of vernietigende , de zelve Idea na graden veranderen of vernietigen;

427 dewijlze het noch noch veranderd noch vernietigt alschoon het voorwerp veranderd of vernietigt;

435 Zo wanneer nu een van deze twee wijzingen of in meer of in min (beweginge of stilte) veranderen , zo veranderd zig ook na graden de Idea;

436 dat de uijterlijke oorzaaken die ook deze veranderingen te weeg brengen, in zich verschillen en niet alle dezelve uijtwerkinge hebben, zo ontstaat hier uijt de verscheidenheid van't gevoel in een en't zelve deel. en wederom indien de verandering welke geschied in een deel, een oorzaak zij dat ze wederkeer tot haar eerste proportie;