VERENIGEN

VERENIGEN: Nietvereenigde;

vereenigd 5x;

vereenigde 2x;

vereenigen 10x+3n+m;

vereenight;

vereeniging m;

vereeniginge 15x+7n+m;

vereeniginge 3m;

vereenigt 26x+6m;

vereniginge m;

verenig* 3xB;

unita* 12xE;unio* 6xE; uni* 132xE (Substantia unius attributi non nisi unica existit; sed etiam quid per mentis et corporis unionem intelligendum sit; ponere quod a reliquis per hanc corporum unionem distinguitur; Quid quæso per mentis et corporis unionem intelligit; idea eodem modo unita est menti ac ipsa mens unita est corpori; idea eodem modo unita est affectui ac mens unita est corpori; Hæc mentis idea eodem modo unita est menti ac ipsa mens unita est corpori. DEM Mentem unitam esse corpori ex eo ostendimus quod scilicet corpus mentis sit objectum (...) adeoque per eandem illam rationem idea mentis cum suo objecto hoc est cum ipsa mente eodem modo unita esse debet ac ipsa mens unita est corpori, 2,21;

Uniting occurs between 1) cause and effect; 2) part and whole; 3) body and soul; 4) object and cognition. Circumstantial effects: love and fruition. The use of 'unite and union' in the Ethics is almost restricted to the relation between body and soul. Due to Leone Ebreo's (ca.1460-1523) Platonist love mysticism in Spinoza's early philosophy, this semantic field has a wider extension in the KV.

042 om de eenigheid die wij alom in de natuur zien [sc.zijn de eigenschappen in de natuur een enig wezen]. In de welke zo verscheijde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen;

068 Want zo ik mij ooit met datgene 't welk gij mij hebt aangewezen hadde vereenigd, aanstonds was ik vervolgd geweest van twee hooftvijanden des menschelijken geslaghts de Haat namentlijk en het Berouw en van Vergeetenheid ook menigmaal;

077 maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt;

078 Het wezen van de zaak en neemt niet toe door het vereenigen van een ander zaak met dewelke het een geheel maakt;

maar in teegendeel het eerste blijft onveranderlijk;

079 zult gij nu daarom zeggen, dat het wezen van het hoofd heeft toegenomen, omdat het vereenigt was met de borst? Dat is bedrog. Want het is het zelfde dat het te vooren was;

080 Deze, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw denkbeeld na dat de drie hoeken van den driehoek gelijk zijn met twee regte. Welk denkbeeld met het eerste zo vereenigd is, dat het zonder dezelve niet bestaan nogh begreepen kan worden;

081 en van alle denkbeelden die een ieder heeft, maaken wij een geheel ofte ('t welk hetzelfde is) een wezen van reeden, 't welk wij Verstand noemen. Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met het voorgaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen verandering vald, maar integendeel zonder de minste verandering blijft. en hetzelve kont gij ook zien in een iegelijk denkbeeld, dat in zig liefde voortbrengd: welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen;

082 en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve komen te vereenigen;

083 Doet hierbij dat het geheel maar is een wezen van Reeden en niet en verschild van 't algemeen als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt word van verscheide Niet-vereenigde ondeilbaare, maar het Geheel van verscheide Vereenigde ondeilbaare;

en ook hierin, dat het Algemeen maar begrijpt deelen van hetzelve geslagt, maar het Geheel deelen en van hetzelve en van een ander geslagt;

088 Dog dit zeg ik u dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen;

147 n Doch dewijl het een wijse is in de denkende zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken;

166 Het eerste dan aangaande >Van de liefde uijt waan.]: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen;

175 en dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak. Ik zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is;

177 Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffelachtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke vereeniginge met de zaak zelve;

188 Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God die het aldervolmaaktste wezen is, vereenigt en hem zo geniet;

190 De Lievde die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden >Wat inde liefde goet of kwaad is. Dat se bestaat in een vereeniginge met de geliefde zaak.], die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen;

195 Noodzaakelijk dan ist niet van de zelve [sc.de liefde] verlost te zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan >Noodzakelijk omdat wij zonder met iets vereenigt te zijn niet en zouden konnen bestaan.];

196 Wat de vergankelijke aangaat >Niet met die welke door haar natuur vergankelijk en moeten wij trachten te vereenigen.] (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden >Want door de zelve en bekomen wij geen versterking onser natuur,];

197 Want wij hebben gezeid de liefde te wezen een vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn;

en daar bij verstaan wij zo een vereeniginge, door de welke en de liefde en het geliefde een en de zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken;

198 Soo is hij dan immers wel *ellendig, die met eenige vergankelijke dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn >Dewijl wij met haar vereenigt zijnde ook met haar noodzakelijk komen te lijden. ]. en zo bijgevolg besluijten wij: Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn >En zijn wij met deze vereenigt zijnde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben;

wat zijn wij dan vereenigt zijnde met eere, Rijkdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig.];

200 zo verstaan wij door die welke in onse macht zijn, zulke die wij uijtwerken door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke niet in onse macht zijn zulke die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, afzijn. >Zo en moeten wij ook niet vereenigen met die voorwerpen die door haar oorsaak onvergankelijk zijn: het welk zijn de 2de voorwerpen van ons gesteld.];

201 deze [sc.voorwerpen] niet en zijn als maar wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. en dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde moet rusten. en om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij zouden konnen nalaten God te beminnen >Omdat het maar alleen zijn wijsen die onmiddelijk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewijl wij die sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wij niet laten hem meteen te beminnen.];

274 n Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt. Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan;

dogh volgens het voorige en kan dit in de wil niet zijn, schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was;

275 n Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd;

312 De oorzaak hiervan is >Wat hiervan noodzaakelijk de oorzaak moet zijn.] en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken.;

319 en omdat het eerste het welke de ziele komt te kennen het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word >Waarom de ziele het lichaam zo bemind, daar mede vereenigt wordt.];

320 Zo volgt daaruijt klaarlijk, indien wij eens God komen te kennen ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam mede kennen, dat wij als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt worden en als van het lichaam ontslagen zijn >Uijt het geene wij nu al te vooren gezeit hebben volgt dat zoo wij God kennen met soo klaaren kennis als wij 't lichaam kennen wij als dan met hem veel nauwer als met het lichaam moeten vereenigt worden.];

330 Welke droevheid veroorzaakt word uijt de lievde en vereeniginge dieze heeft met het lichaam;

334 n Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereeniging zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan: want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versa, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken;

337 n 't Is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was. en nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak;

343 n want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of onnmiddelijke vereeniginge van iets 't geen wij voor goet oordelen: en de Reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten;

344 n Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste;

346 en zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben;

348 So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (...) met hem moeten vereenigen >Dat de ware liefde uijt haar voortkomt en gevolglijk de vereeniging met God door de liefde uijt deze ware kennisse voortkomt.]. ..., maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. Want ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als het is of volmaaktelijk;

en nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde?;

349 Daar benevens ook hier uijt >...], omdat wij door Natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wij zonder hem nogh bestaan nog verstaan konnen worden. en hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan dat wij hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan;

350 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren >Nader verklaringe van de vereniginge met God hoe die is en waar in die bestaat.]. Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks*: en na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve;

352 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. en dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de Idea >Dat is onze ziel, zijnde een Idea van 't Lichaam, heeft uijt het lichaam sijn eerste wezen;

want ze is maar en reprezentatie van 't lichaam, zo geheel als bijzonder, in de denkende zaak.]. Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in de kennisse van het lichaam zonder dat ze overgaat in de kennisse van dat geene zonder het welke het lichaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zij ook dan met dat (na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt;

353 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. en alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is, zullen en moeten zijn de zodanige uijtwerkinge, uijt deze vereeniginge ontstaande: Want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word;

354 Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. ... en dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestandigheid;

356 Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele kan vereenigt worden of met het lichaam van het welke zij de Idea is, of met God >De ziele kan vereenigen met het lichaam en ook met God.], zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden. Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word;

357 Maar (..) bij aldien zij met een andere zaake die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zij in het tegendeel ook onveranderlijk moeten blijven;

367 Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben;

370 Want aangezien dat geene in ons 't welke God moet kennen, het Verstand is en dat dat zelve zoo onmiddelijk met hem vereenigt is, dat het noch bestaan noch verstaan kan worden zonder hem, zoo blijkt daar uijt onwederspreekelijk dat geen dink altoos zoo naa het Verstand kan toegevoegt worden als eeven God zelve;

376 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan;

385 Of gelijk als een goede geest die ons buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt om ons daar door aan te porren het zelve te zoeken en daar mede te vereenigen, welke vereeniginge ons opperste heijl is en gelukzaligheid;

391 Daar bij ook is het met dezelve zodanig vereenight dat het met dezelve te zamen een geheel maakt;

393 voor zoo veel te meer als zij [sc.de dingen] door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding;

395 Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere;

396 Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen om een zelve natuur met ons uijt te maaken;

397 Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden ... Want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is, maakende alzoo daar door dat zijn wil en de mijne een en dezelve is, uijtmakende een en dezelve natuur;

399 Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt;

421 Om nu te verstaan hoedanig deze Wijzing zij die wij ziel noemen en hoe hij zijn oorsprong van het lichaam heeft en ook hoe zijne verandering (alleen) afhangt van het lichaam ('t welk bij mij is de vereeniginge van ziel en lichaam);

425 Nu dan aangezien de Idea voortkomt vande wezentlijkheid des voorwerps, zoo moet dan ook het voorwerp veranderende of vernietigende, de zelve Idea na graden veranderen of vernietigen. en dit zo zijnde, zo is zij dat geen 't welk vereenigt is met het voorwerp;

427 Want de eigenschap als eigenschap en is niet vereenigt met het voorwerp, dewijlze noch veranderd noch vernietigt alschoon het voorwerp veranderd of vernietigt;

437 en ook uijt alle deze (gelijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God en een deel is van de oneijndige Idea, van God onmiddelijk ontstaande) kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse en de onsterfelijkheid der ziele.