BEHOREN

BEHOREN 5x;

behoord 4x;

behooren 10x+9n;

behoorlijk;

behoort 11x+m;

behore m;

behorende;

toebeho* 9x;

toebehoren;

vereischen 5n+m;

vereischt 10x+n;

beho* 35xB (horen bij, moeten): Voorders wordt in de uytdeelers vereyscht, dat elck getrouw bevonden werde, 1Cor.4:2;

pertin* 46xE (ad essentiam pertin* (15x); ad naturam pertin* (6x));

Related concept: moeten

'Behoren aan, toebehoren' (belong) -relatively frequent in notes and appendix- are used for the expression of -intuited (005, 150)- essential properties (002). Properties belonging to something's essence are necessary (028 ).

001Alles wat wij klaar en onderscheiden verstaan aan de Natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: [2] Maar dat de wezentheid aan de Natuur Gods toebehoort, konnen wij klaar en onderscheidentlijk verstaan. Ergo;

002n als dat tot het wezen van een Berg behoort dat bij een dal hebbe;

005n al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap dewelke is Zijn. Ergo. Hierop nu te zeggen dat dit wel bevestigt [word] van de Idea, maar niet van de zaak zelfs is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter van de eigenschap die tot dit wezen behoort;

015 n Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. ...ja maar integendeel bevinden wij in ons zulks iets het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneijndige volmaakte eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn, eer 't volmaakt gezeid kan worden;

017 n God is wel zonder deze geen God, maar niet door deze, dewijl ze [sc.deze eigenschappen] niet zelfstandigs te kennen geven, maar sijn alleen als adjectiva die substantiva vereischen om verklaart te worden;

023 n Konnende dan bewijzen datter geen bepaalde selfstandigheid kan zijn, zo moet dan alle selfstandigheid onbepaald aan't goddelijk wezen behooren;

028 n de natuur van de zaak kan niets vereischen als ze niet en is. Zegt gij dat men nogtans kan zien wat tot de natuur van een zaak behoort die niet en is: dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam;

042 aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort;

044 n Of aldus: alle selfstandigheid is wezentlijk en geen wezentlijkheid van eenige selfstandigheid op zig zelfs begrepen, en volgt uijt zijn wezen; ERGO dan geen wezentlijke selfstandigheid kan op zig zelve werden begreepen, maar moet tot iets anders behooren: Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo verstaan wij die niet als in haar wesen en niet in haar wezent[lijk]heid, dat is dat haar wezent[lijk]heid noodzakelijk aan haar wesen toebehoort: Dog omdat wij bewijsen dat ze een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat se is en a posteriori (ten anzien van de uijtgebreijdheid alleen) uijt de wijsen die nootzaakelijk dit tot haar subjectum moeten hebben;

059 Al wat de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen meer toeschrijven, dat zal (indien het anderzins tot hem behoord) moeten zijn off een uijtwendige benaming, gelijker wijs als dat hij is door zig zelfs bestaande, Eewig, Eenig, Onveranderlijk enz;

065 Z en indien gij buijten deze zelfstandigheeden nog een derde wilt stellen, die in alles volmaakt is, ziet zo wikkeld gij U zelven in openbaare strijdigheeden; want zo deze derde gesteld word buijten de twee eerste, zo ontbreeken hem dan alle de eigenschappen die deze twee toebehooren; het welk immers in een geheel buijten 't welk geen ding is, geen plaats kan hebben;

082 Z Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve komen te vereenigen;

086 Z Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen. Want van de nootzaakelijke dingen die vereijscht worden om de zaaken te doen zijn, zijn eenige omdat zij de zaak zouden voortbrengen en andere omdat de zaak zoude konnen voortgebragt zijn;

087 Z en alzo word ook tot de beweeging van een lighaam een ander lichaam vereijscht, 't welk al die beweeging moet hebben die van hem over gaat tot het ander. Maar om in ons een denkbeeld van God voort te brengen en word geen ander bezonder zaak vereischt, die daar hebbe het geen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen... Want God, heb ik gezeid, word alleen door zig zelfs en niet door wat anders gekend;

099 Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij dat doen, de antwoord is, omdat de rechtvaardigheid het also vereischt. Vraagt men dan waarom de Rechtvaardigheid of liever de eerste oorzaak van dat alles dat regtvaardig is, zo moet de antwoord zijn, omdat de rechtvaardigheid dat zo wil. Maar eijlieve;

112 Want indien de wezentlijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken: doch indien het zoodanig niet en is met dit iet, zo moeten wij immers de oorzaak buijten haar zoeken. Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond (...) dat God namentlijk alleen de oorzaak van alles is;

113 en hier uijt dan blijkt meede dat deze en geene wille van den mensch (want de wezentlijkheid vande wil en behoort niet aan zijn Wezen) ook een uijterlijke oorzaak, van de welke zij noodzaakelijk veroorzaakt word, moet hebben;

119 Alhier zullen wij dan nu aanvangen te spreken van die eigenschappen welke gemeenlijk aan God toegepast worden en echter nogtans aan hem niet en behooren;

120 n Voort alles dat gemeenlijk aan God werd toegeschreven, en zijn geen eijgenschappen, maar alleen zeekere wijzen, de welke hem toegeeigent mogen werden of in aanmerkinge van alles, dat is alle zijne eigenschappen, of in aanmerkinge van Een EIGENSCHAP. In aanmerkinge van Alle, als dat by is een eeuwig, door zig zelfs bestaande, oneindig, oorzaak van alles, onveranderlijk. In aanmerkinge van eene, als dat hij is alwetende, wijs, enz. het welk tot de denking, en weder dat hij is overal, alles vervult, enz. het welk tot de uytgebreidheid toebehoort;

125 Eerstelijk wij en zien niet, dat zij ons hier eenige attributa of eigenschappen geven, door de welke de zaak (God) gekend word wat ze is: maar alleen eenige propria of eigenen, welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is. Want alhoewel van zig zelfs bestaande, oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz. aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans door die eijgenheeden niet weten, wat dat wezen is ende wat eigenschappen het heeft, aan welke deze eigenheeden behooren;

126 Het zal dan nu ook tijd zijn, dat wij eens bezien die dingen de welke zij God toeschrijven en nochtans aan *hem niet en behooren >Verstaat hem genomen in aanmerking van alles wat hij is, of van alle sijn eigenschappen; ziet hiervan pag. 46.]. Als daar is Alwetende, Barmhertig, wijs, en zoo voort, welke dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn en hierom dan ook aan hem die Een Wezen is zonder iets als uijt hem zelfs bestaande, niet en konnen toegepast worden;

135 Wat dan bezonderlijk aangaat de Beweginge aangezien die eigentlijker tot de verhandeling van de Natuur weet als wel hier behoord, gelijk als daar is dat ze;

138 Zo is dan nu de vrage, of goet en kwaad onder de ENTIA Rationis of onder de ENTIA Realia behooren. Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten geplaatst worde;

145 n 11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc;

149 zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren;

150 En dat zij voor een grondregul stellen >Beschrijvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.] dat dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij;

151 niet aan de natuur van de beschrijving behooren , maar dat zulke dingen die zonder ander;

151 wat aan de natuur van een zaak behoort ? De Regul dan is deze: Dat behoort tot aan de natuur van een zaak zonder;

175 Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn >De 1. uijtwerkinge is dat ze ons aanwijst wat de zaake behoort te zijn.], maar niet wat zij waarlijk is. en dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak. Ik zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is;

177 n want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten;

199 Laat ons dit dan genoeg zijn, om te betonen hoe ons de Reden aanwijst ... >Dat geen 't welk ons de reeden hier van aanwijst behoort genoeg te zijn. ...];

215 Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort;

224 eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort;

226 volmaaktheid die aan hem niet behoord;

240 de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken;

243 (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruiken ontbreekt);

258 dat wij zonder de zelve [sc.passien] niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aan de liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt;

272 n 'T is zeeker dat het bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij, want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders;

277 Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers wezentlijkheid niet aan sijn Wezentheid is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben;

286 en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden >Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is alleen onder de begeerte en niet als heel oneigen onder de wille behore.];

300 Want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt >Het welk ons laatste eijnde is om 't welk wij zijn.], dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk volvoeren;

305 Doch 68dat ze geen andere oorzaaken hebben is 't geene ons nu te betoonen staat: Tot het welke mij dunkt vereischt te worden >Wat hier toe vereijscht word.], dat wij ons geheel zo ten aanzien van 't lichaam als ten aanzien van den geest onderzoeken;

360 Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken. >Ook niet schoon zij hem lieven want dit zoude een God vereischen die veranderlijks is.];

403 De dingen welke dadelijk onderscheiden worden, hebben of verscheide eigenschappen gelijk als Denking en Uijtgebreijdheid of worden toegepast aan verscheide eigenschappen als Verstaning en Beweeging; welkers eene behoort tot de Denking en het ander tot de Uijtgebreijdheid;

404 De dingen welke verscheide eigenschappen hebben als mede de dingen welke behooren tot verscheide eigenschappen, en hebben in zich geen dink de eene van de ander;

415 Aan alle wezen van zelfstandigheid behoord van natuur de wezentlijkheid ook zo zeer dat het onmogelijk is in eenig oneijndig verstand te konnen stellen de Idea van het wezen eenens zelfstandigheid de welke niet en zij wezentlijk in de Natuur;

418 De natuur word gekent door zig zelfs en niet door eenig ander dink. Zij bestaat van oneijndige eigenschappen, een ieder van dezelve oneijndig en volmaakt in zijn geslacht, aan welkers wezen de wezentlijkheid toebehoort, alzo dat buijten de zelve geen wezen of zijn meer en is en zij alzo naaupuntig overeenkomt met het wezen van de alleen heerlijke en gezegende God;

419 zulks zij [sc.de ziel] een eigenschap van die eigenschap die wij denking noemen zonder dat tot sijn wezen eenig ander ding als deze wijzing behoort;

425 n dienvolgende zoo en kanner in de denkende eigenschap geen andere wijzing gegeven worden de welke zoude behooren tot het wezen van de ziel eenes [ij]gelijken dings als alleen de Idea welke noodzakelijk van zulk een dink, wezentlijk zijnde, moet zijn in de denkende eigenschap;

427 Eijndelijk indien wij zouden willen voortgaan en aan het wezen van de ziel toeschrijven dat geene door het welke zij wezentlijk zoude konnen zijn, men zoude niet anders konnen vinden als die eigenschap en het voorwerp van de welke wij nu gesprooken hebben: en geen van deze en kan behoren an't wezen van de ziel aangezien het voorwerp van de denking niets en heeft en van de ziel dadelijk onderscheiden word: en de eigenschap aangaande, wij hebben nu ook al bewezen dat ze tot het voorgenoemde wezen niet en kan behoren, 't welk door't geene wij daar na gezeid hebben, noch klaarder gezien word: Want de eigenschap als eigenschap en is niet vereenigt met het voorwerp, dewijlze noch veranderd noch vernietigt alschoon het voorwerp veranderd of vernietigt.