VOOR

VOOR (before) 79x+16m+5n;

van voren;

voorens 4x;

vooren 35x+5n;

tevoren;

alvoren(S) n;

alvoorens 5x;

alvooren 6x;

alvoren;

alvoordat;

eerder;

001Dat zeggen wij te konnen bewezen worden voor eerst( a priori of) van vooren aldus;

011 dit is onmogelijk te konnen doen zonder alvorens de zaake zelfs van de welke;

030 niet oneijdelijk zijn, gelijk[wij] al voor dezen bewezen hebben;

032 Minder kander niet in zijn om reeden vooren , meerder ook niet zeggen wij;

041 omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een;

048 geen deel in de uijtgebreijdheijd voor alle wijse;

049 uijtgebreidheid is zonder en voor alle wijze;

051 dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid;

057 Dog ligt is het voor ons hier op te antwoorden; ...: Maar wij hebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn, van het welke alle eijgenschappen geseid worden;

062 Verstand: Ik voor mij en aanschouw de Natuur niet anders;

074 en daarom word ook het verstand van mij( voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd);

079 Want het is het zelfde [sc.wezen] dat het te vooren was;

084 andere zaak geworden zijn als alleen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet;

090 Hier te vooren dan hebben wij nu al gezeid, hoe dat de;

091 doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen;

096 en dat deze voorbepaaldheid bij hem van Eeuwigheid moet zijn, in welke eeuwigheid geen voor of na is, zo volgt daaruijt kragtelijk, dat God te vooren op geen ander wijs de dingen heeft konnen voorbepaalen als die nu van eeuwigheid bepaald zijn en dat God nog voor, nog zonder deze bepalinge heeft konnen zijn;

098 Hetwelk zommige voor laster en verkleininge Gods achten;

100 Doch' t verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij;

102 God die nu, te vooren en in alle eeuwigheid onveranderlijk is;

103 Indien hij dan de dingen te vooren anders als die nu zijn, gemaakt hadde;

107 De algemeene is die door de welke ieder zaak voortgebragt en onderhouden word voor zoveel zij zijn deelen van de geheele Natuur. De bezondere voorzienigheid is die poginge die ieder ding bezonder tot het bewaren van zijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt word. Het welk met dit navolgende exempel verklaart word: Alle de leeden van de mensch woorden voorzien ende voorzorgt voor zo veel zij deelen van de mensch zijn, het welk de algemene voorzienigheid is;

108 de goddelijke praedestinatie. 1. Al voorens hebben wij bewezen dat God niet en kan;

111 en dewijl nu al te vooren bewezen is, dat van een eenige oorzaak;

112 betoond( gelijk wij zulks nu ook al te vooren gedaan hebben);

116 Dog wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt;

117 bij aldien God alle menschen zo als Adam voor den val had geschapen;

128 moeten al vooren kennen, zo en konnen wij;

132 daarop is mede van ons hier vooren al geantwoord aangezien dat God oorzaak;

139 en daarom gelijk wij nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten;

141 en daarom aanmerken 1. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen;

142 Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, ziele, of lichaam bestaat, een selfstandigheid is. Want wij hebben nu alvoorens in het begin dezes boeks getoond;

150 En dat zij voor een grondregul stellen ... dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan worden;

151 Dit dan zo zijnde, wat voor een regul ken stellen wij dan;

153 begrippen van dit geloof worden pag. 67 voor ' t eerste gesteld als ook;

158 en waar in het bevestigende genomen voor de wille, van het gelove verschilt, pag;

163 n Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; ... Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben dit gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc;

167 Dit zien wij mede die in zulke die voor ' t Vaderland uijt liefde haar leven laten;

172 van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond;

173 n gelijk dat voor ieder een klaar is;

179 en om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien;

180 so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden. Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen;

181 Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschik[tzijn];

186 Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan >Dat nu uijt het betoog van tevooren gedaan blijkt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uijt het begripp];

191 Maar de derde is God off' t welk wij voor een en' t zelfde neemen;

193 door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is;

195 noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend wezen zijn, het wel;

199 Bijzonder als wij zien van wat voor een goet wij ons door de vereeniginge;

200 Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver;

201 natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij;

202 [van] welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu alvooren getoond hebben dat als wij;

203 Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen >En zoo staat God noodsakelijk voor in kennisse van alle andere dingen, want die sonder hem niet konnen gekend werden.];

204 wat ons de 3e uijtwerkinge van' t gelove voor goet en kwaad in de haat sal aanwijsen;

205 nu onderzoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid;

212 omdat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daarvan willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de saake zelve;

213 en omdat een volmaakt mensch het alderbeste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken;

216 Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij;

218 >...sijn plicht wel waarneemen, dat is God voor alle dingen te kennen.];

219 zullen wij die voor voets opneemen;

225 zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien;

229 indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben;

230 zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen;

235 dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen;

237 Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben;

238 ten zij zij als vooren ( want van deze hebben zij haar zijn);

242 Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegenwoordig doch kortelijk spreeken];

244 de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn;

247 ons eens te erinneren' t geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben;

249 maar ook( voor zo veel zij op eigen liefde en;

256 Want wij nu alvooren hebben bewezen.... zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt;

259 God gelijk wij alvoorens gezeid hebben;

260 en daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul;

268 andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde;

269 dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid;

271 in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet;

272 De Wille dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt;

290 Maar wij dan om te betonen dat deze neiginge bij ons niet vrijwillig is, zoo zullen wij (om ons eens leevendig voor oogen te stellen wat het zij van het eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. ex.g >Woord in een voorbeeld aangewezen.]. Ik houde het een Belletie voor het welke in sijn ooren een aangenaam geluijd maakende, daar door lust tot hetzelve krijgt;

291 zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop;

293 nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn;

299 eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel >En van de vreze voor God gelijk andere voor de duijvel.];

307 Want ditt(gelijk wij nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben);

319 Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak;

320 > Uijt het geene wij nu al te vooren gezeit hebben volgt dat zoo wij God kennen met soo klaaren kennis als wij 't lichaam kennen wij als dan met hem veel nauwer als met het lichaam moeten vereenigt worden.]. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben;

322 daarna word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen;

329 De ziel dan als nu mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil;

335 het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze zwar;

337 n 't Is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap te vinden is als die al vooren in de Natuur was;

340 om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur;

343 vereeniginge van iets' t geen wij voor goet oordelen;

347 tegen de goede reden strijdig zijn( als vooren is aangewezen) ontstaan uijt de Waan;

349 blijkt uijt dat geene dat wij te vooren bewezen hebben hem te zijn de oorzaak;

350 Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan;

359 Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God;

360 Want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig zouden doen, dat zij niet souden afhangen van een eerste oorzaak het welk wij al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken, die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn;

362 Als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken;

363 Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten;

365 Wanneer de Beijen alschoon zij geen ander eijnde beoogen met al dien arbeijd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande, een geheel ander eijnde, namelijk voor hem den honigh te bekomen;

367 heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben;

369 door woorden altijd niet want als dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was;

372 is' t nochtans onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat' er;

374 overeen met de Niet, daar wij nu al te vooren van gesprooken hebben;

374 zoo de gebeeden mochten helpen, zo was voor hem te bidden tot bekeringe;

377 >Daar is geen noodzakelijkheid voor ons om duijvelen te stellen.];

379 Ook hebben wij nu al in't voorgaande getoond zoo door de reden als mede door de vierde manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse gelukzaligheid moeten geraaken. en hoe de passien vernietigt moeten werden >Hoe wij dat hebben te vernietigen is te voren getoond.];

381 Alzoo dat schoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben ... zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen;

382 Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen ( voor welke doch buijten het water geen leven is);

383 bereijken de waarheid van' t geene wij voor vast stellen aangaande ons heijl;

384 Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken >Het welk zonder kennisse en liefde Gods geen voortgank konnende hebben zo is't nodig dat wij voor alles dat behartigen. en die gevonden hebbende is meteen de ruste en alle goet gevonden.];

387 veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van;

393 volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: en voor zo veel te meer ook vrij van verandering en verderving;

396 die wij buijten ons zelve werken, zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer;

399 en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige;

401 Zelfstandigheid staat wegens sijn natuur voor alle zijne Toevallen( modificationes);

408 Eijndelijk zo u in het doorleezen dezes eenige swaarigheid tegen 't geene ik voor vast stelle moght ontmoeten, zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft;

416 dingen die wij zien, de welke te vooren niet wezentlijk zijnde;

423 Ook zodanig dat in gevalle die niet alvoor en ging, daar geen liefde, begeerte enz;

429 > ...maar dit wezen der dingen is voor de wenzentlijkheid, Ergo.];

432 achten wij dan genoegzaam verklaart wat voor een ding de ziel in' t algemeen;

434 Wij zullen dan hier voor onderstellen als een zake die bewezen;

437 Doch voor tegenwoordig zal het gezeide ons genoeg;