VORDEREN

VORDEREN;

+m voorderd;

vordert;

vorderlijk 3x;

bevorderen 4x;

bevordering 2x;

*vorder* 13xB;

beletten 2x;

belet 4x+m;

verhinderd +m;

hinderen;

gehindert;

hindert m;

hinderlijk;

vermeerderen 2x;

vermeerderd 2x;

verminderd 2x;

overwonnen 2n;

overwinne;

overwinning;

vermeerdering;

verminderen;

verminderd 2x;

overwinning; 19xB: Gy zijt sterck, ende het woort Godts blijft in u, ende gy hebt den boosen overwonnen, 1Joh.2:14; vermeerder* 46xB: U herte beware mijne geboden. Want lanckheyt van dagen, ende jaren van leven, ende vrede sullen sy u vermeerderen, Spr. 3, 2; In veel wijsheyt is veel verdriets: ende die wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smerte, Pred.1:18; En laet u niet hinderen uwe geloften te betalen, Sirach 18, 22; De Heere de Godt Israëls,.., die my verhindert heeft, van u quaet te doen, 1Sam.25:3; Jesus seyde, Laet af van de kinderkens, ende en verhindert haer niet tot my te komen, Matth.19:14; Ick moet doch eenmael sterven, wat sal my dan voorderen 't recht der eerstgeboorte? Gen.25, kantt. 65; Een wijse voordert hem selven door woorden, ende een voorsichtich mensche behaeght de Groote, Jezus Sir.20:27; Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen, Job 30:13; En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap des geloofs, Phil.1:25; Daerom hebben wy willen tot u komen,.., maer de satanas heeft ons belet, 1Thess.2:18.

Related concepts: doening, volmaaktheid.

The concepts addition and diminution are directly related to Spinoza's doctrine of perfection and of the passions or human liberty. What is more perfect has power over the lesser perfect and the basic effects of the passions (joy and sorrow) are caused by addition and diminution of perfection. The most perfect (God or reason) will be able to eliminale the effects of all the passions.

082 dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet;

182 en daarom dan alles wat ons tot die volmaaktheid voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad >En volgens zo een Idea zoud men konnen goet noemen alles wat ons daar toe zoude konnen vorderen en kwaad alles wat ons of daar in verhindert];

197 en niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs ons schadelijk;

207 dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse.

214 werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is;

216 Ontstaat alleen uijt de waan en is nodig daar af bevrijd te zijn omdat ze ons hindert. Een zeker slag van droefheid zijn dese: 1. De Wanhoop 2. 't Berouw en Knaging 3. Beschaamtheid 4. Beklag.]: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen;

227 Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid;

228 De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen't geene wij anders mosten doen;

230 en dan welke van deze ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen. Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is;

231 Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit >Wat ten opzigt van de gene die ze begrijpt.]: of dat hij iets moet doen om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten;

236 Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. en de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid;

249 en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare;

250 [d]aar door hij aan zijn eeven naasten konde vorderlijk zijn);

285 die men eerst om daarna om dat te bevorderen bekomt;

286 Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet of belet worden door reeden onder schijn van kwaad) konnen alleenlijk onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden;

297 Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van't gemeen Best >Is zij voordeelig aan het gemeene best.];

317 Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen of omdat de beweginge vande geesten veel zijn verminderd of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd zoo wanneer wij veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door't zelve Loopen aan het lichaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende en dezelve missende, noodzaakelijk zo veel verzwakt zijn: Zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzel. Vermeerderd; zoo wanneer wij te veel wijn of andere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het lichaam te bestieren;

343 -344 n en zo is 't klaar waarom wij die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen; want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of onnmiddelijke vereeniginge van iets 't geen wij voor goet oordelen: En de Reden schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten. Nu dat geene dat wij genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wij niet en genieten en buijten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de Reeden aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moet er iets zulks zijn dat magtiger is: Hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste: En dit daar zijnde is de overwinninge altijd noodzakelijk, off ook wel door genietinge van een kwaad dat grooter gekend word als 't genoote goet.

364 daar door haar eijgen welstand te bevorderen;

378 't geen wij zonden noemen die ons verhinderen om tot onse volmaaktheit te geraaken;

435 Als e.g. zo de stilte zig komt te vermeerderen en de beweging te verminderen, zo word daar door veroorzaakt de pijne of droefheid die wij koude noemen.