VORM

VORMELIJK 2x;

formeel;

formelijk 5x+n(4x VMZ);

vorm ~KV;

Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was, Ps.139:16;

forma* 24xE: Esse formale idearum Deum quatenus tantum ut res cogitans consideratur, pro causa agnoscit et non quatenus alio attributo explicatur, 2,5; Hinc sequitur quod esse formale rerum quæ modi non sunt cogitandi, non sequitur ideo ex divina natura quia res prius cognovit sed eodem modo eademque necessitate res ideatæ ex suis attributis consequuntur et concluduntur ac ideas ex attributo cogitationis consequi ostendimus, 2,5c; Ideæ rerum singularium sive modorum non existentium ita debent comprehendi in Dei infinita idea ac rerum singularium sive modorum essentiæ formales in Dei attributis continentur, 2,8; Atque hoc cognoscendi genus procedit ab adæquata idea essentiæ formalis quorundam Dei attributorum ad adæquatam cognitionem essentiæ rerum, 2,40s2; Tertium cognitionis genus pendet a mente tanquam a formali causa quatenus mens ipsa æterna est, 5,31; PPI ax.8 (cf.010 ): Quidquid est realitatis sive perfectionis in aliqua re, est, vel formaliter vel eminenter, in prima et adaequata ejus causa. Per eminenter intelligo, cum causa perfectius continet omnem realitatem effectûs, quam effectus ipse; per formaliter vero, cum aeque perfecte illam continet.

Relatd concepts: voorwerp, idee.

'Vormelijk' is used the way PPI derived it from Aristoteles' eidos, as it seems preferably in technical sense in notes and appendix: the form of an object is its idea in the thinking attribute.

004 een Idea van God heeft, zo moet God formelijk zijn;

006 Het eerste bewijzen wij aldus: Als'er een Idea van God is, zo moet de oorzaak deszelfs formelijk zijn en in zig vervatten alles wat de Idea voorwerpelijk heeft: Maar daar is een Idea van God: ERGO;

010 eenige uijtwendige oorzaak, die hem dringt het eene eerder als het andere te verstaan, Zijnde niet anders als dat die dingen formelijk zijn en hem nader als andere welkers voorwerpelijke wezentheid in zijn verstand is. Soo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar dat God formelijk moet zijn, dog niet uijtstekentlijk, aangezien boven of buijten hem niet wezentlijker of voortreffelijker is;

022 /024 4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid is als die formelijk in de Natuur is (..)n: Ten anderen: als van de onbepaalde een bepaalde kwam, zo wierd de onbepaalde ook bepaald enz. Ergo de eene zelfstandigheid kan d'ander niet voortbrengen. en uijt dit volgt dan alweer dat alle zelfstandigheid formelijk moet zijn, want niet [zijnde], daar is geen mogelijkheid te konnen komen;

035 dat er geen zelfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen 1;

037 Tegen 't geene dat wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is als 't geen formelijk in de Natuur is, willen eenige op deze wijzen argumenteren;

039 wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde, heeft voortgebragt en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn;

163 dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan;

421 1. dat de wijzing, de alderonmiddelijkste van de eigenschap die wij denking noemen, voorwerpelijk in zig heeft het formelijke wezen van alle dingen: en dat zodanig, dat bij aldien men stelde eenig formelijk ding welkers wezen niet en was voorwerpelijk in de voorgenoemde eigenschap, zo en waar ze alheel niet oneijndig noch ten hoogsten volmaakt in haar geslacht tegen 't geen nu al bewezen is door de 3e propositie;

426 Verder aangezien tot het wezentlijk zijn van een Idea (of voorwerpelijk wezen) geen ander dink vereijscht word als de denkende eigenschap en het voorwerp (of vormelijk wezen), zoo is't dan zeeker 't geene wij gezeid hebben, dat de Idea of 't voorwerpelijk wezen, de *alderonmiddelijkste wijzing is van de eigenschap;

430 schepzel onmiddelijk van God geschapen aangezien ze in zich voorwerpelijk heeft het vormelijk wezen van alle dingen zonder te nemen of te geven;