VREES

VREES (fear);

vreeze +m;

vreze 2x+n+m;

vrezen 2x;

vreezen;

45xB (14x vrees niet); Van het gedierte der aerde en sult gy niet vreesen, Statenb., Job 5:22; Ghy en sult den dooven niet vloecken ..., maer ghy sult voor uwen Godt vreesen, Statenb., Lev.19:14; Want ick vreesde eene vreese (Kantt.: een vreeslicke sake), ende sy is my aengekomen: ende dat ick schroomde, is my overgekomen, Statenb., Job 3;25; Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde 1Joh.4:18; En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden. Op.11:11; Godt en heeft ons niet gegeven eenen geest der vreesachticheyt (Bijbel N.B.G.: lafhartigheid), maer der cracht, ende der liefde, ende der gematichtheyt, Statenb., 2Tim.1,7;

metu* 67xE: Metus est inconstans tristitia orta ex idea rei futuræ vel præteritæ de cujus eventu aliquatenus dubitamus defaff13; Timor est cupiditas majus quod metuimus malum minore vitandi, defaff39; Consternatio dicitur de eo cujus cupiditas malum vitandi coercetur admiratione mali quod timet defaff42;

Related concepts: hoop, wanhoop.

'Vrees' is used in technical sense the way Spinoza defined it 232.

171n De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de begeerte op. Die gestalte dan die alsdan in ons is om die zaak te behouden, is geen begeerte, maar vreze van de geliefde zaak te verliezen;

230 Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en;

232 en wederom als wij de mogelijk komende saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen >Hoedanig de vreeze.];

234 wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het goet niet en zal komen;

237 Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt;

238 Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn);

299 eijndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe dat wij voor God niet en zullen vrezen gelijk andere voor de duijvel >En van de vreze voor God gelijk andere voor de duijvel.] die zij verzierd hebben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen die het opperste goet zelve is van de welke alle dingen die eenige wezentheid hebben, zijn het geene zij zijn? en ook wij die in hem leven.