WAAN

WAAN 14x+8n+16m;

bedrieg;

bedriegen 4x+n+m;

bedriegt m;

bedrog 2x;

bedrogen;

doling 2x;

doold;

doolen;

dooling 6x+n;

gewaande +2m;

gewaant;

gissen +n;

waanbegrip;

waande;

waanen 4x;

waant 3+m;

wanen;

wanende 2m;

decip* 5xE; decept* 7xTIE (4x deus deceptior, TIE079); opinio* 13xE(falsa opinione; vulgi opinione; opinionem vel imaginationem); imaginatio* 55xE;

Related concepts: opinie, geloof, verbeelding.

'Wanen' is used as a synonym of 'bedriegen, dolen' in ordinary language non technical sense as well as for the first kind of knowledge in technical sense. The editor uses it in the margin (16x) in order to structurate the reasoning of the text where the technical terms 'opinie' and 'menen' are used; cf. Kók: opinio=waan, mening.

079 zult gij nu daarom zeggen, dat het wezen van het hoofd heeft toegenomen, omdat het vereenigt was met de borst? Dat is bedrog. Want het is het zelfde dat het te vooren was;

085 en zo ik mij niet bedrieg , heb ik het u hooren zeggen;

098 dewelke geenzins en is zo zij waanen, namentlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten;

122 aangezien geen beschrijvinge na haar waan , als van geslacht en onderscheit bestaa[n kan];

127 het welk hervoort gekomen is uijt haare dolinge van goet en kwaad;

152 Begrippen, afgedeeld in waan , waar geloof, en klare onderscheide ken[nis ];

153 Deze begrippen >Deze begrippen van dit geloof worden pag.67 voor't eerste gesteld als ook hier en aldaar de waan genoemt gelijkze het ook is.] dan verkrijgen wij [(1)] of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) [(2)] of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof [(3)] of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting. Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen ;

154 Deze waant alleen, of zo men gemeenlijk zijt;

155 Een (2)ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen >Deze is zeker door het waare geloove, dat hem nooijt en kan bedriegen; en is eigentlijk gelovende.], maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevindende daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezondere hem een regul kan zijn van alle;

156 Een (3)derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde >Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding; en dit zijn de twederleij wanende.], die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft...>Maar deze laatste en is nooijt wanende, nog gelovende, maar de zaake zelve beschouwende, niet door wat anders, maar in de zaake zelve.];

157 > ..Nader verklaringe van de waan,' t waare gelove en klaare kennisse ..];

158 [da]ar wij zeker van zijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word;

158 Waan dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is;

161 de(Passien) Lijdinge uijt de waan komen te ontstaan > Hoedanig de lijdinge uijt de waan komen te ontstaan, zijnde het 2de dat C..];

165 Dat de liefde uijt waan, uijt klare kennis en ook van hooren se[ggen ontstaat];

166 Het eerste dan aangaande >Van de liefde uijt waan .]: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen;

167 also die niet uijt waan komt; doch daar van ziet pag....;

168 De Haat dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt >De haat het tegendeel van de liefde, ontstaat uijt waan .];

170 > .. van goet als ook de vorige liefde uit waan .];

173 > ..word geeijndigt van die passien die uijt waan voort komen.];

174 getoont hoe uijt de dooling van de Waan de Passien voortkomen;

177 n Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffelachtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke vereeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake waarlijk en sodanig is buijten mijn verstand seg ik: waarlijk, omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan ;

187 Want de waan brengt ons dikwijls in dooling;

209 Wat de *haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen plaats hebben > Zo de haat uijt de waan hervoort komt, zo mag die in ons geen plaats hebben.]... Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat;

210 >...en de afkerigheid is een ontsteltenisse in ons tegen een zaak die uijt haar natuur ons of in waan of waarlijk heeft beledight.]. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig;

213 > ..De goede conscientie en bedriegt ons noijt.];

216 dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve > Ontstaat alleen uijt de waan en is nodig daar af bevrijd te zijn ..];

218 Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid;

223 niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen;

224 niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen;

226 en dat zij ontstaat uijt zekere waan;

228 die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, met God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en zo vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde;

237 en welk kwaad zijn en uijt een kwaade waan voortkomen;

238 het gene hij nog te verwagten heeft, goet waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte;

240 E.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word;

245 De bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid >Van de bespottinge en boerterijen waarop 't gelove zegt dat die steunen namenlijk op een valsche waan en welke die is en waaruijt die voortkomt]. Op een valsche waan ist dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken;

249 op eigen liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is;

264 eijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet;

266 Dog iemand die in valsheid of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij;

272 n Maar van de Waan verschilt zij [sc.de wil] ook hier in dat zij wel t'eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn; dat in de Waan die van gisse en meijne bestaat, geen plaats heeft. Alzoo dat men die een Gelove zoude konnen noemen in aanzien zij zoo zeker zoude gaan en Waan in aanzien zij de dooling onderwurpen is;

331 n De droevheid in den mensch word veroorzaakt uijt een waan begrip van dat hem iets kwaads overkomt... dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt;

342 Door de reden konnen de opinien of de waan die van horen zeggen komt wel vernietig[en].. Doch geenzins kan de reden de waan die door ondervinding is weg neemen;

347 en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de waan de zonde, onder het gelove de wet;

385 buijten alle valsheijd en bedrog van het opperste goedt boodschapt;

408 dat beloninge uwen arbeijd niet en zal bedriegen;