005; 011; 013; 013; 016; 017; 027; 029; 039; 042; 069; 078; 081; 084; 085; 086; 087; 088; 099; 099; 100; 110; 110; 110; 115; 116; 116; 118; 125; 128; 133; 134; 135; 139; 145; 146; 156; 158; 161; 163; 175; 183; 184; 191; 198; 198; 200; 201; 203; 209; 209; 209; 209; 212; 212; 218; 218; 218; 219; 228; 229; 230; 236; 237; 243; 243; 243; 250; 253; 257; 257; 258; 266; 266; 272; 281; 282; 285; 290; 290; 291; 297; 300; 303; 311; 312; 312; 315; 315; 316; 317; 323; 325; 325; 325; 335; 336; 336; 339; 341; 342; 342; 344; 347; 363; 366; 369; 374; 376; 397; 399; 400; 400; 428;
198 Soo is hij dan immers wel ellendig, die met eenige vergankelijke [dingen];
088 bij de gelegentheid tot wat anders. Vaart wel;
183 het welk wel 18naauwkeurig van een regtschapen Philo[soof];
086 de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te;
341 de kwade te laaten en somtijds nochtans wel;
125 alleen eenige propria of eigenen, welke wel aan een zaak behoren, edog nooit;
069 de wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen;
282 Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op' t geene wij nu al van;
085 volmaaktheid, zo moet het alzo wel als alle andere dingen die onmiddelijk;
428 eijgenschappen de welke mede zo wel als de uitgebreidheid een ziele hebben;
201 dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij zouden konnen nalaten