beminning;
bemin 2x;
bemind 6x+3m;
beminde 2x;
beminnende;
beminnens;
lief 2x+m;
liever;
liefde 64x+2n+22m;
lievde 13x+m;
liefelijk;
liefhebben +m;
lieven 2x+m;
lieft;
| lexical field | 100%=220 |
| liefde | 40%=88(64x+2n+22m) |
| liefhebben | 1%=2(+m) |
| geliefde | 1,8%=4(2x+n+m) |
| lief(lijk) | 1,8%=4(3x+m) |
| beminnen | 17,2%=38(26x+3n+9m) |
| beminning | 0,5%=1 |
| verenigen | 25%=55(45x+3n+7m) |
| verenging | 12,7%=28(15x+7n+6m) |
| summary | |
| lief* | 98: 44,5% |
| bemin* | 39: 17,7% |
| verenig* | 83: 37,7% |
bemin* 46xB;
ama* 108xE (68x re* amata*); amor* 164xE; æterno erga Deum amore sive in amore Dei erga homines; et hoc est quod amorem Dei intellectualem voco; Amor est lætitia concomitante idea causæ externæ. Expl.: Hæc definitio satis clare amoris essentiam explicat; illa vero auctorum qui definiunt amorem esse voluntatem amantis se jungendi rei amatæ , non amoris essentiam sed ejus proprietatem exprimit et quia amoris essentia non satis ab auctoribus perspecta fuit , ideo neque ejus proprietatis ullum clarum conceptum habere potuerunt et hinc factum ut eorum definitionem admodum obscuram esse omnes judicaverint . Verum notandum cum dico proprietatem esse in amante se voluntate jungere rei amatæ , me per voluntatem non intelligere consensum vel animi deliberationem seu liberum decretum ( nam hoc fictitium esse demonstravimus propositione 48 partis II ) nec etiam cupiditatem sese jungendi rei amatæ quando abest vel perseverandi in ipsius præsentia quando adest; potest namque amor absque hac aut illa cupiditate concipi sed per voluntatem me acquiescentiam intelligere quæ est in amante ob rei amatæ præsentiam a qua lætitia amantis corroboratur aut saltem fovetur, defaff6.
Related concepts: genieten, heerlijk, verenigen.
'Amor' in E has lost the epistemological function it still had in KV.
094 Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien >Dese liefde is met de passien door ondervindinge een en de zelfde;siet daar af pag. … ]) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen >Van de liefde tracht men nooijt ontslagen te worden gelijk als van de andere passien om 2 redenen: 1. Omdat het onmogelijk is; de 2. om datse ons nootzaakelijk is.];
195 Onmogelijk dan is't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en nut, dat wij in het voorwerp aanmerken, het welke soo wij't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend zijn, ...>Dat dan van ons niet most gekend zijn, zo wij niet en zouden beminnen. Nu deze kennisse en hangt van onse vrijheid niet af. Ergo.];
196 noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door' t beminnen en vereenigen met de zelve;
197 Want wij hebben gezeid de liefde te wezen een vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn; en daar bij verstaan wij zo een vereeniginge, door de welke en de liefde en het geliefde een en de zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken;
198 Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn;
199 het vergif en het kwaad dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is;
201 In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde moet rusten. en om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij zouden konnen nalaten God te beminnen >Omdat het maar alleen zijn wijsen die onmiddelijk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewijl wij die sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen. Want God kennende konnen wij niet laten hem meteen te beminnen.];
202 en wij nu alvooren getoond hebben dat als wij iets beminnende >Omdat God alleen wezen heeft en alle andere dingen maar Wijzen zijn: Nu zo veel heerlijker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzakelijker moet dat wezen bemind worden van die die het kend. Seg boven de toevallen omdat wij een beter kennende, altijd een beter beminnen, als pag.80 van ons getoond is.], een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen;
203 en de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse;
204 Het geen van de liefde noch meer te seggen is;
205 Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse;
214 >..in zich zo veel onvolmaaktheden als de liefde volmaaktheeden en waarom.];
215 uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze;
229 Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben;
239 Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerkt) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen;
241 anders te zeggen als' t geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben;
244 dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging;
249 (voor zo veel zij op eigen liefde en op een waan van dat de mensch een;
250 deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige;
254 door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs;
258 Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aan de liefde eigen is;
259 dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp;
260 Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervallen;
274 n Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hier af in de wil geen liefde ontstaan: want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid;
296 Ten derden behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zij ons zo gesteld dat wij hun nooijt nog haaten noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden haar te helpen en tot beter standt te brengen >Dat wij onse naasten liefhebben en nooijt haten.];
302 tot onse welstand, namentlijk de Liefde Gods;
313 De voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat etc >Van des denkings uijtwerking welkers voornaamste is een begrip van zaaken uijt de welke liefde haat of droefheid etc. volgt.]. ...> ... maar de oorzaak van alle hare veranderinge in de denkende zaak moet zoeken. Ziet daarvan pag…. Tot en voorbeeld zij de liefde.];
314 Gelijk wij dit in de Liefde zo konnen zien, de welke of zullende vernietigt of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve het welk gelijk wij nu al hebben gezeid, geschied of omdat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen;
319 en omdat het eerste het welke de ziele komt te kennen het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word >Waarom de ziele het lichaam zo bemind, daar mede vereenigt wordt.]. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele (want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste) en dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is;
345 en hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voortkomt >en hier om is zo dikwijls gezeid dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt, daar door uijtsluijtende de begeerte om datze niet gelijk de liefde, uijt ware kennisse maar uijt redenering herkomt.];
348 Hier uijt dan volgt onwederspreekelijk dat de kennisse die is, welke de liefde veroorzaakt. So dat als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk (want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen >Dat de ware liefde uijt haar voortkomt en gevolglijk de vereeniging met God door de liefde uijt deze ware kennisse voortkomt.]... en nochtans wat een vereeniginge? Wat een liefde;
350 De vereeniginge dan die wij met hem door de Natuur en de liefde hebben, die zullen wij dan nu trachten te verklaaren >Nader verklaringe van de vereniginge met God hoe die is en waar in die bestaat.];
352 met dat( na voorgaande kennisse) door liefde terstond vereenigt;
353 heerlijker indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder' t w[elk];
354 maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden. en zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onlichaamelijk, geest en vleesch. en dit mag daarom te meer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uijt deze Liefde en Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlijke bestandigheid, zo wij zullen betonen;
356 het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan;
358 genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zel[ven];
359 So zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wij gesprooken van de liefde van ons tot God) offer ook een liefde van God tot ons, dat is of God ook de mensche lief heeft en dat wanneer zij hem lief hebben >Wat dan mij te verhandelen staat, offer namentlijk een liefde is die van God valt op de mensch.]? Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden >Datter geen kan zijn en de reden waarom.]: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft; veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten;
360 Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken.>Ook niet schoon zij hem lieven want dit zoude een God vereischen die veranderlijks is.], die daar hij te vooren nog bemind noch gehaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten en daar toe veroorzaakt soude worden door iets dat buijten hem zoude zijn. Doch dit is de ongerijmtheid zelve;
361 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden >Hoe dit nochtans niet moet verstaan werden om ongerijmtheid voor te komen.] alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat [de] mensch te zamen met alles watter is, soodanig in God zijn en God van deze alle zodanig bestaat dat aldaar geen eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben: Aangezien dat alles in een eenige zaake, die God zelve is, bestaat;
376 vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft;
379 eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken;
381 Alzoo dat schoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben >Men zoude God lief hebben al kwam er geen eeuwig leven op te volgen.];
382 Namelijk bijaldien op de liefde Gods geen eeuwig leeven en kwam te volgen;
384 Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder alvoren gekomen te zijn tot de kennisse en liefde van God, zo is't dan hierom hoog nodig geweest deze (God) te zoeken >Het welk zonder kennisse en liefde Gods geen voortgank konnende hebben zo is't nodig dat wij voor alles dat behartigen. en die gevonden hebbende is meteen de ruste en alle goet gevonden.]... Want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen dink en is dat ons eenig heijl kan geven. en dat het een waare vrijheid is met de lieffelijke ketenen van sijne liefde geboeijdt te zijn en te blijven;
396 als bij voorbeeld >Bij voorbeeld verklaart.], zo ik mijne naaste leer beminnen de wellusten, de eere, de gierigheid en ik zelve of ik bemin die ook of ik bemin die niet. Hoe't zij of niet zij, ik ben gehouwen of geslaagen. Dit's klaar;
423 Staat aan te merken dat alle de overige wijzingen gelijk als Lievde, Begeerte, Blijdschap haaren oorspronk van deze eerste onmiddelijke wijzing hebben;
Ook zodanig dat in gevalle die niet alvoor en ging, daar geen liefde, begeerte enz. en zoude konnen zijn;
424 Waar uijt klaarlijk besloten word, dat de natuurlijke liefde die in ieder zaak is tot behoudinge zijns lichaams (ik zeg de wijzing) niet en kan eenige andere oorspronk hebben als van de Idea of het voorwerpelijk wezen het welk van zoodanig lichaam is in de denkende eigenschap;
425 en dienvolgende zoo en kanner in de denkende eigenschap geen andere wijzing gegeven worden de welke zoude behooren tot het wezen van de ziel eenes ijgelijken dings als alleen de Idea welke noodzakelijk van zulk een dink, wezentlijk zijnde, moet zijn in de denkende eigenschap: Want zoodanig een Idea sleept met zich de overige wijzingen van Liefde, begeerte enz. Nu dan aangezien de Idea voortkomt vande wezentlijkheid des voorwerps, zoo moet dan ook het voorwerp veranderende of vernietigende, de zelve Idea na graden veranderen of vernietigen. en dit zo zijnde, zo is zij dat geen 't welk vereenigt is met het voorwerp.