gevrocht 7x;
gevroghten 3x;
gevrogte 8x;
uijtgewerkt 2x;
uijtwerken 3x+4n+m;
uijtwerking(en) 35x+14m;
uijtwerkt;
uijtwerkzelen 3x;
uitwerksel(en) 3x;
werk m;
werken 17x+8n+7m;
werkende 4x+m;
werker;
werking 22x+3n+5m;
werkmeesters;
werks;
werkstuk;
werkt 5x;
werktuig 5x+n;
*werk* 825xB: 21x werkmeester: meesterambachtsman;
opus 14xE: non est opus (10x); oper* 42xE: ad operandum determinari (26x); operae pretium (7x); effic* 62xE: efficere ut/ne (33x); causa efficiens (17x); effect* 22xE: 9x +causa; 7x +sequor;
Related concepts: oorzaak, lijden, voortbrengen.
The effect of causality is the 'werking'. For the causal production of this effect ('voortbrengen'), the term 'uitwerken' is used and the products of this process are called 'gevrochten'. Because Spinoza does not use the concept final cause the 'werkende oorzaak' is by far the most important and most frequent cause (091, 093). Motion and thinking are are distinguished as the effects of causality in the atttributes (134 -5, 309sqq.). The term werkmeester, used in this context for the Aristotelian concept d?µ???????, has a biblical origin. All what exists can be analysed in things (zaken, dingen) and causes (werkingen) (140, 118). What cannot be analysed this way, is not real, but 'ens rationis'. Epistemologically speaking, the quality or perfection of the object is determining the kind of knowledge and this kind of knowledge on its term, is determining its emotional effects (157, 186sqq. 268, 353sqq.). *werk* is remarkebly infrequent in the appendix.
045 Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben;
054 Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder;
058 want hier spreeken wij maar alleen van eijgenschappen die [men] zoude eigene eijgenschappen Gods kunnen noemen, door de welke wij hem in zig zelf en niet als werkende buijten zig zelfs komen te kennen;
059 off een uijtwendige benaming, ... ofte zeg ik, in opzigt van sijne werkinge: gelijker wijs als dat hij is een oorzaak, een Voorbeschikker, en Regeerder van alle dingen, welke alle eijgen aan God zijn zonder nogtans te kennen te geeven wat hij is;
072 Z en gij kond die geen Geheel noemen, maar een Oorzaak van de uijtwerkselen van U nu al genoemd;
073 Z Ik zie vast hoe gij tegen mij alle uwe vrunden te zamen roept en alzo 't gene gij niet vermogt hebt met uwe valsche reedenen uijt te werken, dat tragt gij nu te doen met dubbelzinnigheid van woorden ... Uw zeggen dan is, dat de oorzaak (aangezien zij is een Veroorzaker van sijne uijtwerkzelen) derhalven buijten dezelve moet zijn;
074 Z Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge;
077 Z maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt;
084 Z Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan zo lang zijn oorzaak duurd; hetwelk ik wel zie zeeker waar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van die gevrogte , die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, heeft voortgebragt en dat deze dan zo lang haar oorzaak duurt, niet en konnen te niet gaan;
maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van die gevrogte welkers wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen;
085 Z Dogh dit en voldoet mij niet. Want ik zie dat gij besluijt dat het menschelijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd;
091 Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te verdeelen, zoo laat ons dan eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is? 1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak , hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde. 2. Ten anderen is Hij een inblijvende en geen overgaande oorzaake, aangezien hij alles in zig zelfs en niet buijten zig en werkt omdat buijten hem niets niet en is;
093 7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak, dog alleen in opzigt dat bij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkselen voort te brengen;
095 Want het is buijten alle twijffel waar, dat God alles eeven zo volmaakt kan uijtwerken als het in sijne Idea is begreepen; en gelijkerwijs de dingen die van hem verstaan worden, van hem niet volmaakter konnen verstaan werden als hij die verstaat, alsoo konnen van hem alle dingen so volmaaktelijk worden uijtgewerkt , dat ze van hem niet volmaakter en konnen voortkomen;
098 Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het geene hij uijtwerkt , en kan in hem geen plaats hebben als door gebrek;
103 Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de allervrijste oorzaak gedaan en uijtgewerkt;
118 E.g. Indien iemand een uurwerk om te slaan en de uuren aan te wijzen net gemaakt heeft en dat dat werkstuk met het oogmerk van den maker wel overeenkomt, zo zegt men het goet te wezen en zo niet, zegtmen het kwaat te zijn, niet tegenstaande het dan zelfs ook goet zoude konnen wezen, zoo maar zijn oogmerk was geweest het verwart en buijten tijds te doen slaan te maaken. Want alle dingen en werken die inde Natuur zijn, die zijn volmaakt;
124 Daarenboven wort nog van haar gezeijd, dat God nooijt a Priori en kan bewezen worden, omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheijnlijk of door sijne uijtwerkinge;
134 Deze [sc.beweging en denking] dan zeggen wij dat en van alle eeuwigheid zijn geweest en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen blijven. Een werk waarlijk zoo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde;
135 van deze alle zeg ik, en zullen wij hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel, of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen;
137 Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan; onder welke wij begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben en deze noemen wij Entia Rationis;
140 Alle dingen die in de NATUUR zijn, die zijn of zaaken of werkingen . Nu goet en kwaad en zijn noch zaaken nog werkingen . ERGO en zijn goet en kwaad niet in de Natuur. Want indien goet en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zij dan hare beschrijvinge hebben. Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven. Ergo. ut supra volgt, dat goet en kw[a]at geen zaaken zijn of werkingen , die in de Natuur zijn;
146 n 13. en deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken , en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert;
147 n Maar zo andere lichame zoo geweldig op het onse werken , dat de proportie van beweginge van 1. tot 3. niet kan blijven, dat is de dood en een vernietiging der Ziele;
152 (2) ten anderen hare [sc.drie soorten kennis] uijt werkingen , en ten 3;
154 en niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter zijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe;
157 zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen;
159 Dit dan vooraf zo laat ons nu koomen tot haare uijtwerkingen >Dus verre van wat de Waan, 't waare geloof en klaare kennisse zijn; zo volgt nu dan van haar uijtwerken .]. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle3 de lijdinge (passien) die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede Begeerten4 en uijt de derde de waare en oprechte Liefde5 met alle haar uijtspruijtzels;
174 Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de Passien voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij het Waare Geloof genoemt hebben >Van de uijtwerkingen van het ware gelove.];
175 Deze dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn >De 1. uijtwerkinge is dat ze ons aanwijst wat de zaake behoort te zijn.];
178 De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn >De 2.uijtwerkinge , dat ze ons verstandelijke doet genieten de zake die zij buijten ons aanwijst en vertoond; ...];
179 De derde uijtwerkinge is, datze aan ons14 verschaft de kennis;
186 Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan >Dat nu uijt het betoog van tevooren gedaan blijkt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uijt het begripp];
200 zulke die wij uijtwerken door ordre of te zamen met de Natuur;
204 ende voortgaan en betoonen wat ons de 3e uijtwerkinge van' t gelove voor goet en kwaad;
206 Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder passien? (>Wij konnen werken met of zonder passien: met gelijk een meerder over sijn minder gemeenlijk doet;
zonder gelijk van Socreates gezeght word.);
207 Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of met, of zonder Passien gedaan worden, zo ... >Dewijl wij dan nu sonder passien konnen werken , wat sal dan best zijn...];
208 zo zien wij, dat zoo't kwaad is met passie te werken , dat het dan goet moet zijn zonder die te werken >..., ergo is't kwaad met passie te werken. Is dan goet zonder.];
211 Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. ...>Wat de uijtwerkinge van deze beijde zijn. ...];
215 Wat de 3de uijtwerkinge van' t gelove ons daar in sal aanwijzen;
219 Wat schifting de 3. uijtwerkinge van' t gelove doet in deze;
240 voordeel doen komt niet uijt de werkinge van haar Natuur als negative;
245 de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk;
249 de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend;
262 Tot hier toe dan gesprooken hebbende van alles 't geen ons de derde manier of uijtwerkinge van het ware gelove aanwijst, zoo zullen wij nu voortgaan en spreeken van de vierde en laatste uijtwerkinge die bij ons pag.75 nog niet en is gesteld;
263 het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst;
268 Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen wordt;
270 Wetende dan nu wat goet en Kwaad, waarheid en valsheid is en ook waarin de welstand van een volmaakt mensch bestaat >Wat ons 't ware geloof geleert heeft volgens de derde uijtwerking en ook de vierde.];
273 n Te zeggen: de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het Verstand is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ergo de Will onbepaalt genomen en ook het Verstand geen wezens van Reden maar dadelijke wezens;
275 n namentlijk, dat in God vereijscht word een zelve werk om in 't wezen te behouden als om te scheppen en dat anders zins de zaake niet een ogenblick soude konnen bestaan;
281 Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Weliswaar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen;
283 zwakke ziele, die door een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze;
284 die de Wille stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van;
286 Alle de werkinge dan, ... konnen alleenlijk onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden >Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is alleen onder de begeerte en niet als heel oneigen onder de wille behore.];
287 >volgens de vierde uijtwerkinge. ];
294 Dat wij namelijk van dat geene 't welk het aldervolmaakste is, zoodanig afhangen dat wij mede als een deel van't geheel, dat is: van Hem, zijn;
en om zo te zeggen, meede het onse toe brengen tot uijtwerkingen van soo veel geschiktelijk geordineerde en volmaakte werken als daarvan afhangig zijn;
295 alles wat wij verrigten en komen uijt te werken;
296 Al het welke werkingen zijn van soodanige menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben;
300 [he]t laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt, dat ze haar opgeleiden dienst;
305 en voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is >Voor eerst dat in de natuur een lichaam is.], door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. en dit doen wij daarom omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien;
307 zoo is dan klaar blijkelijk dat deze uijtwerking van het lichaam, waardoor wij;
308 Soo staat dan nu aan te merken, dat al de uijtwerkingen , die wij zien van de uijtgebreijdheid noodzaakelijk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeijgent worden: gelijk de Beweginge en Ruste. Want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (...), dat de zelve zouden konnen wezen;
309 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn: Alsoo dat als wij ondervinden niets anders te zijn in ons als de uijtwerkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid , wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn. Om dan eens klaar de werkingen van deze beijde te verstaan, zoo zullen wij een ijder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen en daar naa beijde te zaamen, voorneemen >Om de werkingen van deze beijde klaar te verstaan worden die bijzonder voorgenomen.]; als mede de uijtwerkinge zoo van de eene als van de ander;
310 Zoo wanneer wij dan aanschouwen de uitgebreidheid alleen, zoo is't dat wij in de zelve niet anders gewaar worden als Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden >Eerst de uijtgebreijdheids werkinge die maar bestaat in beweginge en ruste uijt de welke alle de uijtwerkingen herkomen ...];
313 De voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat etc >Van des denkings uijtwerking welkers voornaamste is ...];
315 Zo wanneer nu dan deze eigenschappen de eene in de andere komt te werken , zoo ontstaat daar uijt lijdinge de eene van de ander >Watter uijt ontstaat als deze bijde eijgenschappen de eene in de ander komt te werken en hoe dit alles toegaat ziet pag.135 .], namelijk door de bepalinge van beweeginge die wij alsoo werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele in het lichaam gelijk nu al gezeid is >Verstaat ijder bijzonder of ook de ziel in't lichaam werkende kan wel maaken etc.], kan wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen;
318 Zoo veel dan nu gezeid van de werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele > Van de werkingen van lichaam in de ziel en welke haar voornaamste is.]. ...: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken;
319 (want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen;
321 >... Wat het lichaam en zijne uijtwerkingen hier in doet.]. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen , de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, het zij of goet of kwaad;
322 dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen;
323 en hier uijt is alderleij slag van gevoel dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen werkende is [in] ons lichaam, die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt : want die werkende , zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag. Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is;
324 dat de Lievde, Haat en Droevheid ..., de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden;
325 het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet;
330 om van dit lichaam geen werk te maaken;
331 n Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten;
334 die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt;
334 n 10. ... Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons, tusschen welke een groot onderscheid is: want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt;
337 om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder;
341 somtijds magt hebben die uijt te werken en somtijds weder niet;
350 of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God;
353 Deze vereeniginge word beter begrepen en afgenoomen wat die moet zijn, uijt de werkinge met het lichaam in de welke wij zien hoe dat door kennisse en tochten tot lichamelijke dingen in ons komen te ontstaan alle die uijtwerkingen die wij in ons lichaam door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden. en alzo ook onvergelijkelijk meerder en heerlijker indien eens onse kennisse en liefde komt te vallen op dat geene zonder 't welk wij noch bestaan noch verstaan konnen worden en dat geen zins lichaamelijk is, zullen en moeten zijn de zodanige uijtwerkinge , uijt deze vereeniginge ontstaande: Want deze noodzakelijk moeten mede gesteld zijn na de zaaken met de welke zij vereenigt word;
354 en wanneer wij dan deze uijtwerkingen gewaar worden, als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door welke sodanige uijtwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan, maar deze onse andere of tweede geboorte zal dan zijn, zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van dit onlichamelijk voorwerp, in ons gewaar worden;
354 zo wanneer wij geheel andere uijtwerkingen van liefde gestelt na de kennisse van;
358 wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse;
186 en aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is;
364 zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken ) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken;
365 Doch in aanzien hij [sc.de mens] ook is een deel en werktuig van geheel de natuur, zo en kan dan dit eijnd des menschen het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle andere meede als een werktuijg van haar moet gebruijken;
372 Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn >Uijt eenige werkinge welkers oorzaak ons onbekend is en kan niet beslooten worden dat het God is en de rede waarom.];
386 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat;
390 4. Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. en dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling;
391 Want deze oorzaak daar van hangt het gevrochte zodanig af dat uijt haar voortkomt;
395 3. Alle de gevrochte van het verstand die met hem vereenigt zijn, zijn de aldervoortreffelijkste en moeten gewaardeert worden boven alle de andere. Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak.;
396 4. Alle de gevrochte die wij buijten ons zelve werken , zijn voor zo veel meer volmaakt als zij meer mogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen om een zelve natuur met ons uijt te maaken. Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte aldernaast;
399 Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten , met sijn natuur wel overeen komende zonder nochtans dat noch zijne gevroghten aan eenige uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn om door dezelve te konnen of veranderd of verwisseld worden. Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. en dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen;
412 in zich niet hebben iets van zulk een uijtwerking;