gegrond;
grond 4x+2m;
grondig;
grondregel 3x;
grondregel 4x;
grondvest;
regel 4x;
regul 11x+n+2m;
regulen;
reguls +m;
wett m;
wette m;
wettelijk 3x;
wetten 15x+3m;
wettig;
zetregul;
Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots, Lc.6:48; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond ; Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel leiden, zo stelden zij, Ezra 3:10; Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, Hebr.11:1; Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten , Ps.104:5;
leg* 36xE(22x naturae leges/ ex naturae legibus (=goddelijke wet KV)); lex divina 2x: Nam plerique videntur credere se eatenus liberos esse quatenus libidini parere licet et eatenus de suo jure cedere quatenus ex legis divinæ præscripto vivere tenentur [..] sed etiam et præcipue metu ne diris scilicet suppliciis post mortem puniantur, inducuntur ut ex legis divinæ præscripto quantum eorum fert tenuitas et impotens animus, vivant, 5,41s; legitima 1xE (4xTIE: legitime deducere, legitima definitione, TIE071, 090, 104): illa tamen demonstratio tametsi legitima sit et extra dubitationis aleam posita, non ita tamen mentem nostram afficit quam quando id ipsum ex ipsa essentia rei cujuscunque singularis quam a Deo pendere dicimus, concluditur, 5,36s; funda* 24xE ([notiones co]mmunes vocantur quæque ratiocinii nostri fundamenta sunt; Præter hæc civitatis etiam quænam sint fundamenta ostendi; ex fundamento suum utile quærendi; regul* 4xE (Superest jam ut ostendam quid id sit quod ratio nobis præscribit et quinam affectus cum rationis humanæ regulis conveniant, quinam contra iisdem contrarii sint [...] Deinde quandoquidem virtus .. nihil aliud est quam ex legibus propriæ naturæ agere et nemo suum esse .. conservare conetur nisi ex propriæ suæ naturæ legibus , hinc sequitur primo virtutis fundamentum esse ipsum conatum proprium esse conservandi et felicitatem in eo consistere quod homo suum esse conservare potest; Qui recte novit omnia ex naturæ divinæ necessitate sequi et secundum æternas naturæ leges et regulas fieri, is sane nihil reperiet quod odio, risu aut contemptu dignum sit nec cujusquam miserebitur sed quantum humana fert virtus, conabitur bene agere ut aiunt et lætari ; Nihil in natura fit quod ipsius vitio possit tribui; est namque natura semper eadem et ubique una eademque ejus virtus et agendi potentia hoc est naturæ leges et regulæ secundum quas omnia fiunt et ex unis formis in alias mutantur, sunt ubique et semper eædem atque adeo una eademque etiam debet esse ratio rerum qualiumcunque naturam intelligendi nempe per leges et regulas naturæ universales);
Related concepts: rede.
The two clusters in the KV where wet* occurs, each have their own specific Spinozistic use of the term wet as 'rule' (logical use KV119-129) and as 'precept' (philosophical use KV301-367).
007 Om het eerste dezes bewijsredens te tonen, zo stellen wij deze volgende grond regulen , te weten: 1. Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn; 2. Dat een eijndig verstand het oneijndige niet kan begrijpen; 3. Dat een eijndig verstand door zigzelfs ten zij het van iet van buijten bepaald wordt, niet en kan verstaan;
009 Het eerste wort bewezen door de eerste grond regel : namelijk dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn. en volgens de tweede grondregel en kan hij niet alles verstaan, dewijl het menschelijk verstand bepaald is en door geen uijtterlijke dingen bepaald wordende om dit eerder als dat en Dat eerder als Dit te verstaan, zo zoude het onmogelijk zijn, dat het volgens de derde regel iets zoude konnen verstaan;
112 Deze oorzaak dan moeten wij of in de zaak of buijten de zaak zoeken. Dog zo men na den regul vraagt om dit onderzoek te doen, wij zeggen, dat er alheel geen schijnt van nooden te zijn. Want indien de wezentlijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken;
119 Alhier zullen wij dan nu aanvangen te spreken van die eigenschappen welke gemeenlijk aan God toegepast worden en echter nogtans aan hem niet en behooren: als mede van die door welke men poogt God te bewijzen, dog vruchteloos: en meede van de wetten der warer beschrijvinge ;
122 Eerstelijk zeggen zij, datter geen ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrijvinge na haar waan, als van geslacht en onderscheit bestaan kan en God dan geen gedaante van eenig geslagt zijnde, zo en kan hij niet regt of wettelijk werden beschreeven ;
123 Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden, om dat de beschrijvinge de zaak naakt en ook bevestigende moet uijtbeelden en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigende maar alleen ontkennender wijse weten. Ergo. Zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven worden;
128 Zij zeggen dan vooreerst, dat een wettige beschrijvinge bestaan moet van een geslagt en onderscheid;
129 Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verbonden aan haare stellingen te zijn, zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge voort brengen, te weeten volgens de schiftinge die wij van de Natuur maaken;
149 en alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan zelfstandigheid [te] zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen;
150 En dat zij voor een grondregul stellen >Beschrijvinge van 't geene dat aan de Natuur van een zaake behoort.] dat dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden [Ad essentiam alicujus rei id pertinere dico quo dato res necessario ponitur et quo sublato res necessario tollitur, 2d2], dat ontkennen wij;
151 Dit dan zo zijnde, wat voor een regul stellen wij dan daarbij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? De Regul dan is deze: Dat behoort aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden;
154 Doch om dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1)Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men in de Regul van drien [TIE 23; E 2,40s2 Haec omnia unius rei exemplo explicabo] het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste. en niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter zijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft;
155 Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezondere hem een regul kan zijn van alle;
156 Een (3)derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden;
160 Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande gronden > wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden;
176 Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derde overeenkomt gelijk het tweede met het eerste;
184 zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, * gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand;
259 >[wat] aangemerkt dient te worden dewijl het de grond is van alle goet en kwaad.];
260 Doch in tegendeel van alle deze zo wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervallen. en daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul >Uijt de welke een vaste en onvrikbare regul komt te volgen en welke die is.], dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad;
261 en dit zal ons misschien hier na een stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen en hoe off op wat wijze die zijn kan en ook de onsterfelijkheid van de ziel gelijk dat uijt dezelve grond hier na getoond word Cap.23.];
274 (cf.1,22) Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hier af in de wil geen liefde ontstaan: want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid;
301 Alzoo ook de mensch zoo lange hij een deel van de Natuur is, zoo moet hij de wetten van de Natuur volgen, het welk de godsdienst is. en zo lange hij zulks doet, is hij in zijn welstand > en zonder 't welk wij niet en waren.];
304 Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat [sc.passies] onderworpen te zijn;
345 Want de mogelijkheid die ons de zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien . Want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie . en hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word;
347 Want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij onder de waan de zonde, onder het gelove de wet die de sonde aanwijst en onder de waare kennisse de genade die ons van de zonde vrij maakt, konnen verstaan?
349 Dat deze vierde kennisse >De 4de namelijk in 't exempel in de regul van 3e , pag.66.] die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk;
362 en hier uijt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten steld om wanneer zij die volbrengen te belonen. Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden >Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem als hij die gedaan heeft te belonen. Want de wetten Gods en konnen niet werden overtreeden, zo men de reguls die in de natuur zijn met die benaming zoude willen noemen.]: Als daar is dat het swakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zij in sich heeft, en diergelijke, die van soodanige aard zijn dat ze nooijt en veranderen, nooijt beginnen, maar alles onder dezelve geschikt en geordent is;
363 en om kortelijk hier af iets te zeggen: alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten >Beknopte beschrijving wat goddelijke wetten zijn.], reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt . Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten >En ook wat de menschelijke.];
364 Als de wetten van de Natuur machtiger zijn, worden de wetten van de menschen vernietigt. De goddelijke wetten zijn het laatste eijnde om het welke zij zijn en niet geonderordend; de menschelijke niet >Wanneer de goddelijke de menschelijke wetten vernietigen. De goddelijke wetten zijn haar zelfs laatste eijnde; de menschelijke niet en de reden waarom.]. Want niettegenstaande de menschen tot haar zelfs welstant wetten maaken en geen ander eijnde hebben als daar door haar eijgen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eijnde (als zijnde geonderordend onder andere eijnde de welke een ander die boven haar is, beoogt en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eijnde het met die eeuwige wetten van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt en zoo met alle andere alles helpt uijtwerken;
366 Dus verre dan van de wet van God gesteld. Staat dan ook aan te merken dat de mensch in hem zelve ook tweederlei wet gewaar word > Tweederleij wett word de mensch in hem zelfs gewaar waardoor deze beijde veroorzaakt worden.];
367 Want belangende de wet die uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd noodzakelijk met hem vereenigt moet zijn, heeft hij dan en moet hij altijd de wetten volgens de welke hij voor en met God moet leeven, voor oogen hebben. Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet;