bewust 5x;
bewust 5x+m;
geweten 2x;
onbewust;
weet 6x+2m;
weete 3x;
weeten 5x+n;
wete 2x;
wetende 2x;
wetens m;
wetenschap;
wisten;
wet* 515xB (te weten, gij zult weten, wij weten etc); wetenschap 93xB (En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; met verstand en met wetenschap; Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken); bewust 1xB (Want ik ben mijzelven van geen ding bewust);
consci* 29xE (conscius est, conscios, conscii sumus (18x));
The use of 'weten' (know) in KV closely follows its biblical idiom. Only in 177 weten is used as a synonym of the technical term for the third kind of knowledge.
007 zo stellen wij deze volgende grond regulen, te weten : 1. Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn;
015 Want van twee en weten wij maar wat zij zijn;
016 is hier uijt blijkelijk, dat hij namelijk weet, dat het oneijndige van geen verscheide bepaalde deelen kan tezamengezet worden: datter geen twee oneijndelijke en konnen zijn, maar Een Eenig: dat het volmaakt en onveranderlijk is, als wel wetende dat geen zaake door zig zelfs haar eijgen vernietinge zoekt;
022 oneijndelijk volmaakt moet zijn, te wete, dat in het oneijndelijke verstand Gods;
025 die vraagen wij aldus, te weete : Of deze zelfstandigheid dan bepaald is;
031 Nopende dan het derde, te wete, dat de eene selfstandigheid;
039 Indien God alwetende is, zo en kan hij dan niet meer weten: maar dat God niet meer weten kan, strijd tegen zijn volmaaktheid: Ergo. Dog indien God alles in zijn verstand heeft en door zijn oneijndelijke volmaaktheijd niet meer kan weten; wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde, heeft voortgebragt en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn;
040 Dewijl wij dan nu weten dat alles gelijkelijk in;
042 En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (die wij niet te min weeten dat in de Natuur is, afzonderlijk begrepen zijnde), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort;
074 dewijl gij maar alleen en weet van de oovergaande en niet van de;
110 of in sensu composito te weten, of dat de wezentlijkheid van die;
116 Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere;
118 en maar gezeid word in opzigt van ons te weeten, als wanneer wij;
121 wat de Philosophi ons daarvan weten te zeggen;
123 maar alleen ontkennender wijse weten. Ergo;
125 wij nogtans door die eijgenheeden niet weten, wat dat wezen is ende;
127 gezeid hebben, verstaan; te weten dat God onveranderlijk is;
128 Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar zij dit hebben. en zeker zo dit waar moet zijn, zo en kan men niets niet weten: Want indien wij volmaaktelijk een zaak door de beschrijvinge van geslagt en onderscheid bestaande, moeten al vooren kennen, zo en konnen wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt, het welk geen geslagt boven hem heeft;
129 van beschrijvinge voort brengen, te weeten volgens de schiftinge die wij van de;
133 kortelijk gheel de Natuur schiften. Te weten in Natura Naturans en Natura naturata;
135 tot de verhandeling van de Natuur weet als wel hier behoord;
151 Dit dan zo zijnde, wat voor een regul stellen wij dan daarbij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort? .... op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden;
167 zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen;
177 Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, en van de waan die altijd twijffelachtig en doling onderworpen is en van 't weeten dat niet bestaat in overtuijging van Redenen, maar in een onmiddelijke vereeniginge met de zaak zelve. Dat de Zaake waarlijk en sodanig is buijten mijn verstand seg ik: waarlijk, omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan;
sodanig, want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten; buijten, want het doet ons verstandelijk niet het geen in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten;
184 Voorder om dat het eijnd van Adam of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, *gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens ens Rationis is, wij wel konnen weten : en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar Wijzen zijn van denken;
209 dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d' eene tijd;
210 die ons willens en wetens met wille ende weten misdaan heeft en de afkerigheid;
235 ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten;
236 Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om;
253 Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen;
264 en hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of Idea meer;
265 Waar op vooreerst tot antwoord diend >Op welke schijn word geantwoord.], dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen >Dat het sotheid is te vragen hoe men weet dat men weet .];
267 waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander >Waar door het komt dat van twee die waarheid hebben de eene meer van zijn waarheid bewust is als de ander.];
281 Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan >Waar uijt het komt dat dit niet waar scheijndt.], om dat haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is . Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Weliswaar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenenmaale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen;
283 het zij dan waar of vals: te weten , omdat wij iets van' t voorwerp;
285 nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt;
306 Om dan nu te toonen datter een lichaam is in de Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat God is >Hoe bewezen word dat in de natuur een lichaam is, namentlijk uijt het weten dat en wat God is; zie pag.1 tot 33.];
309 Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is of de mogelijkheid is bij ons om hetzelve bewust te zijn;
315 die is aldus: te weete de ziele in het lichaam gelijk nu al;
316 die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten >En hier uijt ontstaan die benaauwtheeden swaarmoedigheden, etc. die wij zonder de oorzaak te weten in ons gewaar worden.]. Want anderzins gewoonlijk zijn ons de redenen wel bekend;
336 verscheide Ideen: te weete Een Idea van' t lichaam van Petrus de;
369 Wij antwoorden, door woorden altijd niet want als dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was;
373 hoe konnen wij dat weten ? Wie zal ons dat zeggen;
400 en dewijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid van de eeuwe in de welke wij leeven, soo wil ik U ten hoogsten gebeeden hebben wel zorge te draagen omtrent het gemeen maaken van deze dingen aan anderen;