WEZEN

WEZEN 96x+10m;

*ens 6x;

*entia 4x,

entia rationis 9x+n+2m;

essentia 3n;

existentie;

existeren;

weezen 2x;

weezen 2x;

wesen 2x+45n+m;

weze 2x;

wezens 15x;

wezenthe(e)den;

wezentheijd 27x+n;

wezentlijk 21x+10n+m;

wezentlijkheid 29x+13n;

ens 14xE (ens cogitans 2x, ens absolute infinitum 3x); entia 9xE: Videmus itaque omnes notiones quibus vulgus solet naturam explicare, modos esse tantummodo imaginandi nec ullius rei naturam sed tantum imaginationis constitutionem indicare et quia nomina habent, quasi essent entium extra imaginationem existentium, eadem entia non rationis sed imaginationis voco atque adeo omnia argumenta quae, contra nos ex similibus notionibus petuntur, facile propulsari possunt, 1app; Nam hæ duæ affirmationes, si mentem spectes, se habent ad invicem ut ens ad non-ens; nihil enim in ideis positivum est quod falsitatis formam constituit (…). Quare hic apprime venit notandum quam facile decipimur quando universalia cum singularibus, et entia rationis et abstractacum realibusconfundimus, 2,49s; Res igitur sub specie æternitatis concipere est res concipere quatenus per Dei essentiam ut entia realiaconcipiuntur sive quatenus per Dei essentiam involvunt existentiam adeoque mens nostra quatenus se et corpus sub specie æternitatis concipit eatenus Dei cognitionem necessario habet scitque, 5,30d;

Related concepts: doening.

The term 'wezentlijkheid' (existence) is used for the actual being of an essence (wezentheid, wezen; 028 ). In God essence and existence presuppose each other (044, 272, 415). Essences come into being by modification of one or both attributes (086, 130, 202, 306). Each essence is perfect in its kind and the most perfect being consists of all the essences (061). This perfection makes God give being to all essences with absolute necessity (104, 117). The quality of the knowledge of an object depends on the perfection or (divine) essence contained in that specific object (269 , 371 ). Knowing is a passion (280), but it becomes more active relative to the degree of perfection in the known object (387sqq.). Both the Scholastic terms essence and existence perfectly fit the need of means to express the subtleties of Spinozisme. This explains why they are relatively more frequent in notes and appendix and why some forms of these econcept even are specific for just these parts of the KV. Besides as a synonym of essence the term 'wezen' (ens) is used for any being in general (005, 046).

001Maar dat de wezentheid aan de Natuur Gods toebehoort;

002als dat tot het wezen van een Berg behoort dat bij een dal hebbe of' t wezen van de Berg is dat bij een daal hebbe;

003 De wezentlijkheid Gods is wezentheid. ERGO;

005n Uijt de beschrijvinge hierna van dat God oneijndige eijgenschappen heeft konnen wij sijne wezentheijd aldus bewijzen: al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap dewelke is Zijn. Ergo. Hierop nu te zeggen dat dit wel bevestigt [word] van de Idea, maar niet van de zaak zelfs is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter van de eigenschap die tot dit wezen behoort, alzo dat het geen 't welk bevestigt wordt, en is noch van de zaak noch van datgeen 't welk van de zaak bevestigt word;

010 Zijnde niet anders als dat die dingen formelijk zijn en hem nader als andere welkers voorwerpelijke wezentheid in zijn verstand is;

013 n andere Ideas, wel mogelijk maar niet noodzakelijk datze zijn: van de welke nochtans of ze sijn of niet zijn, haar wezen altijd noodzaakelijk is: als de Idea van een driehoek en die van de liefde in de ziel sonder 't lichaam enz. ... en hierom dan en zijn zij van mij niet verzierd en moeten ook buijten mij een subjectum hebben het welk ik niet en ben, zonder welk subjectum sij niet en konnen zijn. Boven deze isser noch een derde idea en die is maar een eenige en dese brengt met zig een noodsakelijk zijn en niet als de voorgaande alleen datze kan zijn: want die haar wesen was wel noodzakelijk, maar niet haar wezent[lijk]heid: maar van dese is de wesent[lijk]heid ende het wesen beijde noodzakelijk en is zonder deselve niet;

014 n Also zie ik dan nu, dat van mij geen waarheid, wesen, of wesentheid van eenige zake afhangt: want als in de tweede soorte van Ideen getoont is, zonder mij zijn zij't geene datze zijn: of na't wesen alleen, of na't wesen en de wesentlijkheid beijde. ... klaar blijkt dat de Idea van oneijndige eigenschappen aan het volmaakte wezen geen verzierzel is, so zullen wij dit volgende noch daar bij doen;

015 n Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. en deze en geven ons geen vergenoeginge door dewelke wij onszelve konnen voldoen: Want dat deze het al soude zijn, van de welke dit volmaakte wezen zoude bestaan, ja maar integendeel bevinden wij in ons zulks iets het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneijndige volmaakte eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn;

020 namelijk hij is zeggen wij, een wezen van de welke alles ofte oneijndelijke;

023 n zo moet dan alle selfstandigheid onbepaald aan't goddelijk wezen behooren. Dit doen wij aldus: 1. of ze moet haar zelfs bepaald hebben, of haar moet een ander bepaald hebben: niet zij haar zelve want onbepaald geweest zijnde, zoude zij haar geheel wezen moeten verandert hebben;

028 -9n Zegt gij dat men nogtans kan zien wat tot de natuur van een zaak behoort die niet en is: dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam. en hier in is 't onderscheid tusschen scheppen en genereren. Scheppen dan is een zaake daarstellen quo ad essentiam et existentiam maar genereren is dat een zaake voortkomt quo ad existentiam solum. en daarom isser nu in de Natuur geen scheppen, maar alleen genereren. So dat dan als God schept, zo schept hij de natuur van de zaak met de zaak gelijk. en zo zoude hij dan wangunstig zijn, zo hij wel konnende maar niet willende de zaak zodanig had geschapen, dat zij met haar oorzaak in essentia et existentia niet soude overeenkomen;

033 maar moet noodzaakelijk van hem die wezentlijk is, geschapen zijn;

041 De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is en geenzins verscheijde, want wij die de eene zonder de ander en d'ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan, die zijn deze: 1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een oneijndelijk en volmaakt wezen moet zijn, door hetwelke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen van 't welke alles in allen moet gezeijt worden. Want hoe aan een wezen 't welk eenige wezentheijd heeft, moeten eijgenschappen gezet worden en zo veel wezentheijd als men het meer toeschrijft, zo veel eijgenschappen moetmen het ook meer toeschrijven en gevolglijk zo het wezen oneijndelijk is, zo moeten ook zijne eigenschappen oneijndelijk zijn en even dit is het dat wij een volmaakt wezen noemen. 2. om de eenigheid die wij alom in de natuur zien. In de welke *zo verscheijde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen;

042 En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (die wij niet te min weeten dat in de Natuur is, afzonderlijk begrepen zijnde), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort;

043 n Dat is, zo verscheijde selfstandigheden waren die niet tot een eenig wesen betrokken wierden;

044 n Dat is, indien geen zelfstandigheid kan sijn als wezentlijk en evenwel nogtans geen wezentlijkheid volgt uijt haar wezen wanneer ze afgescheide begrepen word, zo volgt datze niet iets bezonders, maar iets dat is een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen. Of aldus: alle selfstandigheid is wezentlijk en geen wezentlijkheid van eenige selfstandigheid op zig zelfs begrepen, en volgt uijt zijn wezen; ERGO dan geen wezentlijke selfstandigheid kan op zig zelve werden begreepen, maar moet tot iets anders behooren: Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo verstaan wij die niet als in haar wesen en niet in haar wezent[lijk]heid, dat is dat haar wezent[lijk]heid noodzakelijk aan haar wesen toebehoort;

045 een eijgenschap van God stellen te zijn, dewelke in een volmaakt wezen geenzins en scheijnt te konnen vallen: Want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar is, zo zoude het volmaakte Wezen van deelen bestaan, 't welk aan God alheel niet kan toegepast worden, dewijl hij een eenvoudig wezen is;

046 deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen Wezens van reeden;

048 gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t' eenmaal vernietigt;

057 Maar wij hebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn, van het welke alle eijgenschappen geseid worden en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken om voort te brengen alles wat voort te brengen is;

061 Liefde: Ik zie, Broeder, dat ten eenemaal mijn wezen en volmaaktheid afhangd van uwe volmaaktheid en nadien de volmaaktheid van het voorwerp 't welk gij begrepen hebt, uwe volmaaktheid is en uijt de uwe weeder de mijne hervoortkomt, zo zegt mij eens, ik bid u, of gij zulk een wezen begreepen hebt, dat ten oppersten volmaakt is, niet konnende door iets anders bepaald worden en in het welk ik ook begrepen ben;

066 Daar en boven zo dit wezen almagtig is ende volmaakt, zo zal het;

070 Oneindige, door zig zelfs bestaande weezen; en van alle deze stellen wij;

076 omstandigheeden als alleen zijne wezentlijkheid;

077 schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op de andere tijd;

078 Het wezen van de zaak en neemt niet toe door het;

079 zult gij nu daarom zeggen, dat het wezen van het hoofd heeft toegenomen;

081 en van alle denkbeelden die een ieder heeft, maaken wij een geheel ofte ('t welk hetzelfde is) een wezen van reeden, 't welk wij Verstand noemen. Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met het voorgaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen verandering vald, maar integendeel zonder de minste verandering blijft. en hetzelve kont gij ook zien in een iegelijk denkbeeld, dat in zig liefde voortbrengd: welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen;

082 om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet;

083 Doet hierbij dat het geheel maar is een wezen van Reeden en niet en verschild van' t;

084 oorzaak noemd van die gevrogte welkers wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen;

085 want om te zijn een wezen van zo een uijtsteekende volmaaktheid;

086 Z 'T is waar, ERASME, dat die dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods) [dat] die onmiddelijk van hem van eeuwigheid geschapen zijn. Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen;

090 en dat God een wezen is, van welke alle eijgenschap;

104 zo besluijten wij, dat indien het sijne volmaaktheid niet en was, die het hem dede doen, dat de dingen niet en zouden zijn of in het wezen konnen gekomen hebben om te zijn het geene die nu zijn;

106 behoudenisse en bewaringe van haar zelfs wezen;

107 ding bezonder tot het bewaren van zijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel;

110 of dat de wezentlijkheid van die oorzaaken niet;

112 Wat dan ons voorige tweede belangt van datter in de Natuur geen zaak en is van de welke men niet kan vragen waarom datze is, we[l]k ons seggen te kennen geeft, dat bij ons te onderzoeken staat door welke [o]orzaak iets wezentlijk is; want die niet zijnde, was 't onmogelijk dat het iets zoude zijn;

113 en geene wille van den mensch (want de wezentlijkheid vande wil van de mensch en behoort niet;

117 ne maar dat is de rechte volmaaktheid in God, dat hij alle dingen van de minste tot de meeste haar wezentheid geeft, of om beter te zeggen, dat hij alles volmaakt in hem zelfs heeft;

120 tot nog toe maar twee door haar zelf wezen ons bekend zijn;

121 ze dan hebben God beschreven te zijn een wezen uijt of van zich zelfs bestaande;

125 door die eijgenheeden niet weten, wat dat wezen is ende wat eigenschappen het heeft;

126 Als daar is Alwetende, Barmhertig, wijs, en zoo voort, welke dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn en hierom dan ook aan hem die Een Wezen is zonder iets als uijt hem zelfs bestaande, niet en konnen toegepast worden;

130 Wij hebben nu al gezien, dat de eigenschappen (of zo andere die noemen, zelfstandigheden) zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen, een door zich zelfs bestaande wezen is en der halven door zich zelve, zig zelfs te kennen geeft en vertoond. De andere dingen zien wij dat maar wijzen van de eigenschappen zijn en zonder dewelke zij ook niet en konnen bestaan noch verstaan worden. Dienvolgende dan moeten de beschrijvinge zijn van twee geslagten (of soorten). 1. namelijk van de eigenschappen, die van een zelfs bestaande wezen zijn en deze behoeven geen geslagt of iets waardoor zij meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, zo worden zij ook door hun zelfs bekent;

133 Door de Natura naturans verstaan wij een wezen dat wij (door zig zelfs en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (Attributa) die wij tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. Gelijk ook de Thomisten bij het zelve God verstaan hebben, doch haare Natura naturans was een wezen (zij zo noemende) buijten alle zelfstandigheden;

139 de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen, welkers wesen een volmaakte wezentheid moet zijn en niet met de algemene, dewijl ze alsdan niet en zouden zijn;

140 Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven. Ergo. ut supra volgt, dat goet en kw[a]at geen zaaken zijn of werkingen, die in de Natuur zijn;

143 -4n 4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die gheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren. 6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding. 7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen in de zelfstandige uijtgebreidbeid, die wij lichaam noemen;

145 komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van' t welk dan;

183 -4 Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil …, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als e.g. Van Adam, ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een wezen van Reden (ens Rationis) verwarren zoude > Deze Idea moet alleen een Ens rationis en geen Ens reale zijn noch daar mede vermengt], het welk wel naauwkeurig van een regtschapen Philosooph moet gemijd worden … Voorder om dat het eijnd van Adam … ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar Wijzen zijn van denken;

185 uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve… en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of Ens Rationis;

188 met God die het aldervolmaaktste wezen is, vereenigt en hem zo geniet;

198 Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn >En zijn wij met deze vereenigt zijnde, zoo ellendig, die nog eenigzins wesen hebben; wat zijn wij dan vereenigt zijnde met eere, Rijkdom, wellust, die all heel geen wezen hebben, ellendig.];

200 door die welke niet in onse macht zijn zulke die niet in onse macht zijn die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, afzijn;

202 wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu alvooren getoond hebben dat als wij iets beminnende >Omdat God alleen wezen heeft en alle andere dingen maar Wijzen zijn: Nu zo veel heerlijker als het wezen zelve is boven de toevallen, so veel te noodzakelijker moet dat wezen bemind worden van die die het kend. Seg boven de toevallen omdat wij een beter kennende, altijd een beter beminnen, als pag.80 van ons getoond is.];

211 omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde >Ook de Nijt, Maar uijt afkeer eenige droeffheid, om dat wij meteen ons berowen van de volmaaktheid die noch anderszins in de zaak is.], zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet;

258 konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren;

267 omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft;

269 Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: en zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: en dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden >Want hij is bestandig omdat hij van de zaak nooijt anders aangedaan kan worden.], dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft;

272 aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders;

272 n 'T is zeeker dat het bijzonder willen moet hebben een uijterlijke oorzaak door de welke datze zij, want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zoo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders;

273 n ergo de Will onbepaalt genomen en ook het Verstand geen wezens van Reden maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen. Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat de Willing een modificatie is van de Wil en de Ideen een wijzing van't Verstand;

275 vereijscht word een zelve werk om in' t wezen te behouden als om te scheppen en dat;

277 of welkers wezentlijkheid niet aan sijn Wezentheid is behorende;

278 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: en zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als zodanig maar als een ens reale >Waardoor het komt dat men meent dat de wil iets wezentlijks is.]. Want omdat de mensch nu deze dan die will heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man en die man een Idea maakt van Mensch: en om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van reden en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt;

280 Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent;

281 die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: en zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als zodanig maar als een ens reale >Waardoor het komt dat men meent dat de wil iets wezentlijks is.]. …gelijk hij ook zo uijt deze man en die man een Idea maakt van Mensch: en om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van reden en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn;

296 die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben;

298 de wezentlijke helle zelve zijn;

299 de welke alle dingen die eenige wezentheid hebben;

306 De welke [sc.God] wij hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschappen, waarvan ieder des zelvs oneindelijk en volmaakt is. en aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die wij oneijndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzakelijk dit meede een eigenschap zijn van dat oneijndig wezen. en dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit oneijndig wezen is wezentlljk, zo volgt dan met eenen dat deze eigenschap ook wezentlijk is;

307 buijten de Natuur die oneijndig is, geen wezen meer is off zijn kan >En datter buijten hem geen ander wezen is of zijn kan en wat daar uijt volgt.];

333 -4n 1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5. Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen pag ... 7. Nu vervolgens: ...Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons, tusschen welke een groot onderscheid is: want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn;

335 Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is >Antwoord op de zelve. De Natuur heeft wel verscheide eigenschappen maar is maar een eenig wezen.];

340 Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders; maar dan kan zulks eerst geschieden, zo wanneer de wezentlijkheid t'zamen met het Wezen daar is en dat om datter dan een voorwerp is, dat te vooren niet en was;

352 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt en tot een vereenigt, namelijk God. en dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de *Idea >Dat is onze ziel, zijnde een Idea van 't Lichaam, heeft uijt het lichaam sijn eerste wezen; want ze is maar en reprezentatie van 't lichaam, zo geheel als bijzonder, in de denkende zaak.];

355 die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks die in de Natuur is;

357 Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare wezentheid ook moet zijn (als zij komt te niet te gaan) de oorzaak van hare niet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen;

365 Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan;

370 En dat het door eenig ander ding als alleen door Gods wezentheid en het verstand des menschen soude geschieden, achten wij te zijn onnoodzakelijk;

371 namelijk dat God een oorzaak is en van onse kennisse en van alle wezentheid en dat alle bezondere dingen niet alleen zonder hem niet en konnen bestaan, maar ook zelfs niet verstaan worden;

372 wij nooijt door eenig ander dink welkers wezen noodzakelijk bepaald is schoon het ons;

376 want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn;

387 Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding;

393 Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de 1e stelling en volgende dien dan de dingen voor zoo veel te meer als zij door haar meer wezentheid met God zijn vereenigt, voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: en voor zo veel te meer ook vrij van verandering en verderving;

399 Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de;

405 en kan ook geen oorzaak zijn van de wezentlijkheid van zulk een ander dink;

409 Geen zelfstandigheid wezentlijk zijnde en kan toegepast worden een en;

411 en kan geen oorzaak zijn van de wezentlijkheid van een ander zelfstandigheid;

412 en gevolglijk zo en kan zij[Ax. 5] die (wezentlijkheid ) niet voortbrengen;

414 en bij gevolg zoze wezentlijk is, zo isse of een eigenschap van God;

415 Aan alle wezen van zelfstandigheid behoord van natuur de wezentlijkheid ook zo zeer dat het onmogelijk is in eenig oneijndig verstand te konnen stellen de Idea van het wezen eenens zelfstandigheid de welke niet en zij wezentlijk in de Natuur;

416 Het ware wezen van een voorwerp is iets het welk dadelijk onderscheiden is van de Idea des zelven voorwerps en dit iets is [Ax.3] of dadelijk wezentlijk of begrepen in een andere zaak die dadelijk wezentlijk is van welke andere zaak men niet en zal konnen dit wezen dadelijk maar alleen wijzelijk (modaliter) onderscheiden, hoedanig zijn alle de wezens van dingen die wij zien, de welke te vooren niet wezentlijk zijnde, in de uijtgebreidheid, beweging en ruste begrepen waren: en wanneer zij wezentlijk zijn niet en worden onderscheiden van de uijtgebreidheid dadelijk, maar alleen wijzelijk:;

417 Zij bestaat van oneijndige eigenschappen, een ieder van dezelve oneijndig en volmaakt in zijn geslacht, aan welkers wezen de wezentlijkheid toebehoort, alzo dat buijten de zelve geen wezen of zijn meer en is en zij alzo naaupuntig overeenkomt met het wezen van de alleen heerlijke en gezegende God;

418 volmaakt in zijn geslacht, aan welkers wezen de wezentlijkheid toebehoort, alzo dat buijten de zelve geen wezen of zijn meer en is en zij alzo naaupuntig overeenkomt met het wezen van de alleen heerlijke en gezegende God;

419 wij denking noemen zonder dat tot sijn wezen eenig ander ding als deze wijzing behoo[rt];

421 zo moet aangemerkt worden 1. dat de wijzing, de alderonmiddelijkste van de eigenschap die wij denking noemen, voorwerpelijk in zig heeft het formelijke wezen van alle dingen;

422 en zijnde het zodanig dat de Natuur of God een wezen is van welke oneijndige eijgenschappen gezeid worden en de welke in zich bevat alle wezens van de geschaape dingen;

424 Idea of het voorwerpelijk wezen het welk van zoodanig lichaam is in de;

425 en dienvolgende zoo en kanner in de denkende eigenschap geen andere wijzing gegeven worden de welke zoude behooren tot het wezen van de ziel eenes [ij]gelijken dings als alleen de Idea welke noodzakelijk van zulk een dink, wezentlijk zijnde, moet zijn in de denkende eigenschap: Want zoodanig een Idea sleept met zich de overige wijzingen van Liefde, begeerte enz. Nu dan aangezien de Idea voortkomt vande wezentlijkheid des voorwerps, zoo moet dan ook het voorwerp veranderende of vernietigende, de zelve Idea na graden veranderen of vernietigen;

426 Verder aangezien tot het wezentlijk zijn van een Idea (of voorwerpelijk wezen) geen ander dink vereijscht word als de denkende eigenschap en het voorwerp (of vormelijk wezen), zoo is't dan zeeker 't geene wij gezeid hebben, dat de Idea of 't voorwerpelijk wezen, de *alderonmiddelijkste wijzing is van de eigenschap;

427 Eijndelijk indien wij zouden willen voortgaan en aan het wezen van de ziel toeschrijven dat geene door het welke zij wezentlijk zoude konnen zijn, men zoude niet anders konnen vinden als die eigenschap en het voorwerp van de welke wij nu gesprooken hebben: en geen van deze en kan behoren an't wezen van de ziel aangezien het voorwerp van de denking niets en heeft en van de ziel dadelijk onderscheiden word: en de eigenschap aangaande, wij hebben nu ook al bewezen dat ze tot het voorgenoemde wezen niet en kan behoren, 't welk door't geene wij daar na gezeid hebben, noch klaarder gezien word;

428 Ergo dan zo bestaat het wezen van ziel alleen hierin namelijk in het zijn van een Idea of voorwerpelijk wezen inde denkende eigenschap, ontstaande van het wezen eenes voorwerps 't welk inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentlijk is enz. zonder meer bezonderheid;

429 De welke ik gezeid *hebbe niet na haar wezentlijkheijt onderscheiden te worden, want zij zelve zijn de onderwerpen van haare wezens >Want de dingen worden onderscheiden door't geene het eerste is in haar natuur, maar dit wezen der dingen is voor de wezentlijkheid, Ergo.]. Alsmede dat het wezen van een ijder van de wijzingen in de nu genoemde eigenschappen begrepen zijn;

430 en eijndelijk dat alle de eigenschappen zijn eigenschappen van Een oneijndig wezen. Waarom ik ook deze Idea in het IX. Cap. van het 1 deel genoemt heb een schepzel onmiddelijk van God geschapen aangezien ze in zich voorwerpelijk heeft het vormelijk wezen van alle dingen zonder te nemen of te geven. en deze is noodzakelijk maar een, in acht genomen, dat alle de wezens van de eijgenschappen en de wezens van de wijzingen begreepen in deze eijgenschappen, het wezen zijn van een alleen oneijndig wezen;

431 en dewijl in de eigenschappen geen ongelijkheid ter wereld is noch ook in de wezens van de wijzingen, zo en kan'er in de Idea geen bezonderheid zijn aangezien die in de natuur niet zijn: Maar zo wanneer eenig van deze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs onderscheiden van haare eigenschappen (dewijl als dan hare bezondere wezentlijkheid welke zij in de eijgenschap hebben, het onderwerp is van haar wezen), als dan vertoonter zig een bezonderheid in de wezens van de wijzingen en gevolglijk in de voorwerpelijke wezens, die van de zodanige noodzaakelijk begrepen worden in de Idea;

433 zo laat ons eens zien of wij oogmerk neemende op de wijzingen van de uijtgebreidheid, konnen uijtvinden een bezonderlijker beschrijving en die meer eigen is om 't wezen van onze zielen uijt te drukken, want dit is ons eigentlijke voornemen;

435 Het voorwerpelijke wezen dan 't welk van dese wezentlijke proportie is in de denkende eigenschap dat (zeggen wij) is de ziele van 't lichaam;