WIJZING

WIJZING(E) (modification) 23x+4n;

wijs 9x+17n;

wijse 6x+2m;

wijsen 12x+3m;

wijze 33x;

wijzelijk 2xapp

wijzing 23x+4n+2m;

modaliter (Meyer: =wijziglijk);

gemodificeert;

modificatio;

wijz* 212xB (~wijzing);

mod*291xE; mod* 257x (modi cogitandi/ extensionis; infinita infinitis modis; pluribus/ multis modis afficere etc.); modificat* 12xE: quia non distinguunt inter modificationes substantiarum et ipsas substantias … Per modificationes autem id quod in alio est et quarum conceptus a conceptu rei in qua sunt, formatur: quocirca modificationum non existentium veras ideas possumus habere quandoquidem quamvis non existant actu extra intellectum, earum tamen essentia ita in alio comprehenditur ut per idem concipi possint, 1,8s2; Quicquid ex aliquo Dei attributo quatenus modificatum est tali modificatione quæ et necessario et infinita per idem existit, sequitur, debet quoque et necessario et infinitum existere 1,12; Omnis modus qui et necessario et infinitus existit, necessario sequi debuit vel ex absoluta natura alicujus attributi Dei vel ex aliquo attributo modificato modificatione quæ et necessario et infinita existit, 1,13; Modus ergo …, ex absoluta natura alicujus Dei attributi sequi debuit hocque vel immediate … vel mediante aliqua modificatione quæ ex ejus absoluta natura sequitur…, 1,13d; Debuit ergo sequi vel ad existendum et operandum determinari a Deo vel aliquo ejus attributo quatenus modificatum est modificatione quæ finita est et determinatam habet existentiam, 1,28d; Hinc sequitur essentiam hominis constitui a certis Dei attributorum modificationibus, 2,10c;

Related concepts: zelfstandigheid, toeval.

The use of wijze, wijzing as technical terms for modificatio is not consistent. Wijze sometimes interferes with the the regular signification of 'way, manner' (280) and with the attributes of which the particular things are the modifications (133). The epistemologic consequences of this doctrine are treated 152 sqq. As an alternative translation of modificatio toeval is used (401). The appendix consequently uses 'wijzing' (25x) whereas 'wijze' dominates elsewhere in the KV: 'wijzing' there only occurs twice. The use of 'wezen' in 126 and 191 seems due to copiist's error. Meyer has modaliter =wijziglijk; modificans=wijzinghmakend);

002 is dat ze is en dat van haar in generlij wijze kan afgescheide worden zonder ook;

037 willen eenige op deze wijzen [argumenteren: Indien God;

049 Niet het twede, want dan wass' er wijze , die' er niet kan zijn, want de uijtgeb[reidheid];

051 maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd;

060 Edog hoe en op wat wijze deze eijgenschappen nogtans in God;

069 en bijaldien gij dan het lighamelijke en het verstandige wilt noemen zelfstandigheeden in opzigt van de wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de zelfstandigheden van de welke zij afhangen: want als door zig zelfs bestaande en worden zij van u niet begrepen;

070 op dezelve manier, als het willen, gevoelen, verstaan, beminnen, enz. verscheijde wijzen zijn van 't geen gij een denkende zelfstandigheid noemd, die gij alles tot een brengt en van alle deze een maakt; alzo ik ook dan besluijt door uw eijgen bewijzen, dat en de Oneijndige uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenschappen (of volgens uw stijl andere zelfstandigheeden) niet anders zijn als wijzen van dat Eenige, Eeuwige, Oneindige, door zig zelfs bestaande weezen;

077 van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft;

081 welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe nee[men];

086 Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen;

091 hoe en op wat wijze God een oorzaak is;

099 Hier teegen werd op deze wijze geargumenteert. Het goet is daarom;

101 schoon alle dingen van hem op een andere wijze waren geschapen van eeuwigheid of;

101 van alle eeuwigheid op een andere wijze als die nu is, ware geschapen geweest;

120 n Voort alles dat gemeenlijk aan God werd toegeschreven, en zijn geen eijgenschappen, maar alleen zeekere wijzen, de welke hem toegeeigent mogen werden of in aanmerkinge van alles, dat is alle zijne eigenschappen, of in aanmerkinge van Een EIGENSCHAP;

126 welke dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn en hierom dan ook aan hem die Een Wezen is zonder iets als uijt hem zelfs bestaande, niet en konnen toegepast worden;

130 De andere dingen zien wij dat maar wijzen van de eigenschappen zijn en zonder dew[elke];

133 De algemeene [sc.natura naturata] bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen. Waarvan wij in het navolgende Cap. zullen handelen. De bezondere bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soodat de Natura naturata om wel begrepen te worden, eenige zelfstandigheden van noden heeft;

142 Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, ziele, of lichaam bestaat, een selfstandigheid is;

143 -7n Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat er geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze. 2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de denking. 3. De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God. 4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert. ... 7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen in de zelfstandige uijtgebreidbeid, die wij lichaam noemen. ... 15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken;

148 zodat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben;

151 dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is;

152 Om dan aantevangen te spreeken van de *wijsen uijt de welke de mensch bestaat > De wijzen van de welke de mensch bestaat zijn Begrippen, afgedeeld in waan, waar geloof, en klare onderscheide ken[n]is, veroorzaakt door de voorwerpen ieder na syn aard.], zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak;

160 Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden;

162 die de zaake op de eerste wijze kent, want dewijl hij van eenige bezon[dere];

184 het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar Wijzen zijn van denken;

191 De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben. De andere dat zij[n] alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen >Welke alleen door haar oorzaak onvergankelijk: siet pag.53 et seq.].. Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de Waarhe[i]d;

193 Op twederleij wijzen isser macht om ons van de liefde te ont[slaan];

202 dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn;

215 zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere pas[sien];

234 gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is;

261 bewijzen of en hoe off op wat wijze die zijn kan en ook de onsterfelijkheid;

264 ofte dewijle dit of dat te ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet;

268 dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde. Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt;

269 en zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid;

273 n Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat de Willing een modificatie is van de Wil en de Ideen een wijzing van't Verstand; ergo zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene zelfstandigheden. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve;

274 n Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hier af in de wil geen liefde ontstaan: want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid. Segt gij dat de wil van wegen de vereeniginge die zij heeft met het verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het verstand verstaat en daarom dan ook bemindt. Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan;

278 Want omdat de mensch nu deze dan die will heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man en die man een Idea maakt van Mensch;

279 Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een wijze van denken een ens rationis en geen ens reale;

280 Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn;

283 Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer;

302 konnen geraaken? en ook, op wat wijze wij van die passien die wij kwaad;

310 Beweeging en ruste, uijt de welke wij dan alle de uijtwerkingen die daar af herkomen, vinden >Eerst de uijtgebreijdheids werkinge die maar bestaat in beweginge en ruste uijt de welke alle de uijtwerkingen herkomen en die zoodanig dat geen ander zaak als zij zelve alleen haar kan veranderen]. en zoodanig zijn deze twe (*)wijzen > Twee wijsen: omdat de ruste geen Niet is.] in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan als alleen zij zelve;

311 Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste zal konnen brengen;

314 Zodat alle de veranderinge die in deze wijze komen te ontstaan, de oorzaak van de zelve en moet geenzins in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden;

325 gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben;

330 dat deze droevheid op een van deze twee wijzen kan worde geholpen: of door herstelling;

336 Want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen;

359 wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de;

366 De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt en tot kennisse van God komt. en deze worden veroorzaakt en door de gemeenschap die hij heeft met God en door de gemeenschap die hij heeft met de wijzen van de Natuur;

367 Maar belangende de wet die uijt de gemeenschap met de wijzen ontstaat: Aangezien hij zig zelfs van de menschen kan afzonderen, zoo en is deze zoo noodzakelijk niet;

376 Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan;

379 manier van kennisse, hoe en op wat wijze wij tot onse gelukzalingzaligheid moete;

396 Want op deze wijze zijn zij de innerlijke gevrochte aldern[aast.];

399 wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwig;

401 [de substantie staat wegen]s sijn natuur voor alle zijne Toevallen( modificationes);

416 Het ware wezen van een voorwerp is iets het welk dadelijk onderscheiden is van de Idea des zelven voorwerps en dit iets is [Ax.3] of dadelijk wezentlijk of begrepen in een andere zaak die dadelijk wezentlijk is van welke andere zaak men niet en zal konnen dit wezen dadelijk maar alleen wijzelijk (modaliter) onderscheiden, hoedanig zijn alle de wezens van dingen die wij zien, de welke te vooren niet wezentlijk zijnde, in de uijtgebreidheid, beweging en ruste begrepen waren: en wanneer zij wezentlijk zijn niet en worden onderscheiden van de uijtgebreidheid dadelijk, maar alleen wijzelijk;

419 tot sijn wezen eenig ander ding als deze wijzing behoort: en dat zo zeer dat zo deze wijzing te niet gaat, de ziel ook vernietigt wo[rdt];

420 en is niet anders als een wijzing van de andere eigenschap die wij uijtge[breidheid;

421 zo moet aangemerkt worden 1. dat de wijzing , de alderonmiddelijkste van de eigenschap;

423 Staat aan te merken dat alle de overige wijzingen gelijk als Lievde, Begeerte, Blijdschap haaren oorspronk van deze eerste onmiddelijke wijzing hebben;

Ook zodanig dat in gevalle die niet alvoor en ging, daar geen liefde, begeerte enz. en zoude konnen zijn;

424 tot behoudinge zijns lichaams (ik zeg de wijzing) niet en kan eenige andere oorspronk;

425 en dienvolgende zoo en kanner in de denkende eigenschap geen andere wijzing gegeven worden de welke zoude behooren tot het wezen van de ziel eenes [ij]gelijken dings als alleen de Idea welke noodzakelijk van zulk een dink, wezentlijk zijnde, moet zijn in de denkende eigenschap: Want zoodanig een Idea sleept met zich de overige wijzingen van Liefde, begeerte enz;

426 [voor]werpelijk wezen, de *alderonmiddelijkste wijzing is van de eigenschap Ik noem de alderonmiddelijkste wijzing van de eigenschap die wijzing de welke om wezentlijkte zijn niet van noden heeft eenige andere wijzing in de zelfde eigenschap.];

428 hieronder te begrijpen niet alleen de wijzingen van de uijtgebreidheid, maar ook de wijzingen van alle de oneijndige eijgenschappen;

429 dat het wezen van een zaak ijder van de wijzingen in de nu genoemde eigenschappen;

430 [ei]genschappen en de wezens van de wijzingen begreepen in deze eijgenschappen;

431 Maar staat nogh aan te merken dat deze wijzingen in aanmerkinge dat geen derzelver dadelijk is, zij nochtans gelijkmatig begrepen zijn in haare eigenschappen: en dewijl in de eigenschappen geen ongelijkheid ter wereld is noch ook in de wezens van de wijzingen, zo en kan'er in de Idea geen bezonderheid zijn aangezien die in de natuur niet zijn: Maar zo wanneer eenig van deze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs onderscheiden van haare eigenschappen (dewijl als dan hare bezondere wezentlijkheid welke zij in de eijgenschap hebben, het onderwerp is van haar wezen), als dan vertoonter zig een bezonderheid in de wezens van de wijzingen en gevolglijk in de voorwerpelijke wezens, die van de zodanige noodzaakelijk begrepen worden in de Idea;

432 verstaande onder het gezeide niet alleen de Ideen welke ontstaan uijt de lichaamelijke wijzingen, maar ook die welke ontstaan uijt de wezentlijkheid van een ijgelijke wijzing van de overige eijgenschappen;

433 eens zien of wij oogmerk neemende op de wijzingen van de uijtgebreidheid, konnen uijtvind[en];

434 dat in de uijtgebreidheid geen andere wijzinge is als beweging en stilte en dat ieder;

435 Zo wanneer nu een van deze twee wijzingen of in meer of in min (beweginge of stil; Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods.