ZEGGEN (say) (tl.250xKV) 112x+26n;
aanzeggen 2x; geseid 2x+8n;
geseijd 2x;
geseijt m;
gezeg;
gezegd 5x;
gezeght 2m;
gezegt 2x;
gezeid 69x;
gezeid m;
gezeid m;
gezeide 4m;
gezeide 6x;
gezeijd 12x;
gezeijt 17x;
gezeijt 2m;
gezeit 2m;
seg +3n;
seg 2m gesegt;
seggen 3m;
seggen 7x;
segt;
toezeggen 3x;
zeg 24x;
zegd 2x;
zegge 3x;
zeggen 5m;
zeght;
zegt 2m;
zegt 6x;
zeid 2x;
zeide 2x;
zeijd;
zeijden 2x;
zeit 2x;
zij;
15xB(aanzeggen): Eene dienstmaeght gingh henen, ende seyde het hen aen, 2 Sam. 17, 17; Ende Achab seyde Izebel aen al wat Elia gedaen hadde, 1 Kon. 19, 1; Dan sal ick haer opentlick aenseggen: Ick en hebbe u noyt gekent, Matth.7,23; cf.KV015 n, 177 .
dic* 109 xE; pon* 26xE; praedic* 5xE;
Related concepts: spreken, stellen, noemen.
Except for the more technical use in 020 , 036 , 041 (praedicare), zeggen is has its broader 17th century sense of put orally or in any other way ocurring in discursive reasoning and debating. Sometimes (161 , 280 ) the text in the marginis more explicit; promise, describe. With al vooren etc. it is used for internal references. Aanzeggen and toezeggen seem to be influenced by biblical use.
001eerste namenlijk of' er een God is? Dat zeggen wij te konnen bewezen worden voor eerst;
005 Hierop nu te zeggen dat dit wel bevestigt[word] van de Idea;
011 Vorders te zeggen dat deze Idea een verzieringe is, dat;
013 daarna nochtans gedwongen worde te zeggen dat sij niet te min hetzelve zijn;
014 Behalven dan dat uijt het tot noch toe geseide klaar blijkt dat de Idea;
015 n integendeel bevinden wij in ons zulks iets het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneijndige volmaakte eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn, eer 't volmaakt gezeid kan worden. en van waar is deze Idea van volmaaktheid? .... Vanwaar dan anders als van de oneijndige eigenschappen zelve, die ons zeggen dat z'er zijn zonder nogtans ons tot nog toe te zeggen wat zij zijn;
019 Weshalven van niet veel belang is het zegge van Thomas Aquina, namentlijk dat God;
020 Nadat wij nu als boven bewezen hebben dat God is, zo zal het nu tijd zijn te tonen wat hij is, namelijk hij is zeggen wij, een *wezen van de welke alles ofte oneijndelijke eijgenschappen gezeijd worden, van welke eijgenschappen een ijder deszelfs in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt is;
022 wij deze vier navolgende dingen vooraf zeggen 1;
026 die door zig zelfs geweest is, ERGO dan zeg ik isse door haar oorzaak bepaald;
028 n Hier op te zeggen dat de natuur van de zaak zulk vereischte en derhalven niet anders konde zijn, is niet gezeit: want de natuur van de zaak kan niets vereischen als ze niet en is. Zegt gij dat men nogtans kan zien wat tot de natuur van een zaak behoort die niet en is: dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam;
029 Doch 't geen wij hier scheppen noemen, en kan eigentlijk niet gezeid worden ooijt geschied te zijn en is maar om aan te wijzen, wat wij tusschen scheppen en gene[reren] on[derscheid] stel[lende, daar] van [konnen zeggen.];
032 om reeden vooren, meerder ook niet zeggen wij, omdat;
036 dat van de Natuur alles in allen gezeijt word;
037 Tegen' t geene dat wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding;
038 en wat het twede aangaat zeggen wij, dat wij bekennen, Indien God niet alles zoude konnen scheppen wat scheppelijk is, zulks zoude strijden tegen zijn almogentheid, maar geenzins indien hij niet zoude konnen scheppen 't geene in zig zelven strijdig is: gelijk het is te zeggen dat hij alles geschapen heeft en evenwel nog meer zoude konnen scheppen;
039 en waarom dog hier van zo veel gezeijd? ...; wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde, heeft voortgebragt en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn;
041 De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is ..., die zijn deze: 1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een oneijndelijk en volmaakt wezen moet zijn, door hetwelke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen van 't welke alles in allen moet gezeijt worden;
045 Uijt dit alles dan dat wij nu dus verre gezeijd hebben, blijkt;
046 daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder;
047 Maar de uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, ..., maar dat ze zoude van deelen bestaan, zo en waar zij geenzins door haar natuur oneijndelijk als gezeijd;
048 n Maar zult gij zeggen: iss'er geen deel in de uijtgebreijdheijd voor alle wijse? Geenzins, seg ik. Maar zegt gij, alss'er beweging in de stof is, die moet in een deel van de stoff zijn, want niet in 't geheel;
049 n Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan: als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest? Gij moet zeggen, of een ijdel of een ander lichaam of dat van de uijtgebreidheijd selve; daar is geen vierde;
051 wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wij, dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid in de zelfstandigheijd;
052 altijd in de wijs: gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat;
053 gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets;
054 kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen;
055 en met dit gezeijde agten wij alles genoegzaam beantwoord;
057 van het welke alle eijgenschappen geseid worden;
058 maar gelijk als met een woord zeggen, hoe dat dezelve;
059 Eewig, Eenig, Onveranderlijk enz. ofte zeg ik, in opzigt van sijne werkinge;
060 en wij hier na in de volgende hooftdelen zeggen ;
061 de uwe weeder de mijne hervoortkomt, zo zegt mij eens;
062 vraagd het de Reeden, deze zal het u zeggen ;
069 Reede: Dat gij dan, 0 Begeerlijkheid, zegd verscheide zelfstandigheden te zien, dat is zeg ik u, valsch;
070 en van alle deze stellen wij als gezeid , Een Eenige ofte Eenheid;
071 Want alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel;
072 want gelijk ik zegge , het geheel bestaat;
073 Uw zeggen dan is, dat de oorzaak( aangezien zij;
074 en dit zegd gij daarom dewijl gij maar;
075 ER: Ik heb u, ô Theophile, hooren zeggen , dat God een oorzaak is van alle dingen;
076 Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een verder oorzaak is, zoo is dat van mij niet gezegd als in opzigt van die dingen, dewelke God (...) onmiddelijk heeft voort gebragt; ... Want ik heb ook gezeid, dat wij hem in eeniger manieren een verder oorzaak konnen noemen;
077 'T geen gij mij wilt zeggen, verstaa ik nu genoegzaam; maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt;
078 eens wel in acht het geen ik u hier zal zeggen ;
079 zult gij nu daarom zeggen , dat het wezen van het hoofd heeft;
080 Deze, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw denkb[eeld];
082 Ik heb duijdelijk gezegd , dat alle eijgenschappen;
084 Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan ... Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God;
085 [als] ik mij niet bedrieg, heb ik het u hooren zeggen ;
087 Want God, heb ik gezeid , word alleen door zig zelfs;
088 Dog dit zeg ik u dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen;
089 ik zal mij nu met' et geen gij mij nu gezeid hebt bezighouwden;
090 Hier te vooren dan hebben wij nu al gezeid, hoe dat de eene zelfstandigheid de andere niet kan voortbrengen en dat God een wezen is, van welke alle eijgenschappen geseid worden; ... Weshalven wij dan met alle reeden mogen zeggen, God te zijn een oorzaak van alles;
091 1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ...[oorzaak];
093 Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak, dog alleen in opzigt dat bij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkselen voort te brengen. 8. Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen die oneijndelijk zijn en onveranderlijk en de welke wij van hem zeggen onmiddellijk geschapen te zijn;
096 of hij dat seg ik, zoude konnen nalaten te doen? en of zulk nalaten in hem een volmaaktheid is? Wij zeggen dan, dewijl alles dat 'er geschied van God gedaan woort, also bij hem noodzaakelijk moet voorbepaalt zijn;
098 Dog dit zeggen komt hervoort, omdat niet regt begreepen wort, waarin de Ware Vrijheid bestaat; ... Dat God alleen de enigste vrije oorzaak is, is niet alleen uijt het geene nu gezeid is klaar, maar ook hierdoor namentlijk dat'er buijten hem geene uijtwendige oorzaak is, die hem soude dwingen of noodzaaken;
099 sluijt alzo wel, als of ik zeide : om dat God wil dat bij God is, daarom;
101 of hij dan zeg ik, eeven volmaakt zoude zijn;
102 also dat indien wij stellen, hij nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles anders schiep;
104 Dewijl wij zeggen dat de Vrijheid niet bestaat in iet te doen of niet te doen ... Het welke even veel is als of men zeide;
105 en zien wat ons daaraf te zeggen valt en zo voort ten eijnde;
108 De derde eigenschap is zeggen wij, de goddelijke praedestinatie;
110 Ergo. Misschien zal iemand zeggen , dat iets gebeurlijk wel geen;
112 we[l]k ons seggen te kennen geeft, dat bij ons te onderzoeken staat door welke oorzaak iets wezentlijk is;
...Dog zo men na den regul vraagt om dit onderzoek te doen, wij zeggen, dat er alheel geen schijnt van nooden te zijn;
113 uijt alle het geene wij in dit Cap. gezeit hebben en ook nog meer zal blijken;
114 Hoe is' t mogelijk dat God, die gezeid word ten hoogsten volmaakt;
115 Vooreerst dan, datter verwarringe in de Natuur is, kan met regt niet gezeid worden, ... Deze [sc.algemene] Ideen dan stellen zij te zijn in het verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben, ...;
en die Aristotelem volgen alschoon zij wel zeggen dat deze dingen geen daadelijke, maar zaaken van Reeden zijn, nogtans worden die bij haar veeltijds als zaaken aangemerkt, aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne voorzorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt;
116 over het geheele geslagte van Paard. Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van;
117 haar wezentheid geeft, of om beter te zeggen , dat hij alles volmaakt in hem zelfs;
118 daarop dient, dat alles watter van de zonde ook gezeid word, zulks alleen maar gezeid word in opzigt van ons te weeten, als wanneer wij twee dingen met den anderen off onder verscheide opzigten vergelijken. E.g. Indien iemand een uurwerk om te slaan en de uuren aan te wijzen net gemaakt heeft en dat dat werkstuk met het oogmerk van den maker wel overeenkomt, zo zegt men het goet te wezen en zo niet, zegtmen het kwaat te zijn, niet tegenstaande het dan zelfs ook goet zoude konnen wezen, zoo maar zijn oogmerk was geweest het verwart en buijten tijds te doen slaan te maaken;
121 wat de Philosophi ons daarvan weten te zeggen ;
122 Eerstelijk zeggen zij, datter geen ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden;
123 Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden;
124 Daarenboven wort nog van haar gezeijd , dat God nooijt a Priori en kan bewezen worden;
127 zij daar bij iets anders als zij alreeds gezeid hebben, verstaan;
128 1. Zij zeggen dan vooreerst, dat een wettige beschrijvinge bestaan moet van een geslagt en onderscheid;
130 zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen , een door zich zelfs bestaande wezen is;
134 n >Nota. 't geen hier van de beweginge inde Stoffe gezeid word, is hier niet in ernst gezeid. Want den Autheur meent daaraf de oorzaak nog te vinden gelijk hij aposteriori al eenigzins gedaan heeft, doch dit kan hier so wel staan, dewijl op het selve niets gebouwd is of daar van afhangig is.]. Deze [sc.attributen] dan zeggen wij dat en van alle eeuwigheid zijn geweest en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen blijven. Een werk waarlijk zoo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde;
135 van deze alle [sc.bijzondere natuurwetten] zeg ik, en zullen wij hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel, of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen;
136 het welke alhoewel genoegsaam door zig zelfs klaar zijnde 't geen wij hier nu geseijd hebben, zo zullen wij het nogtans hierna in de verhandelinge vande Aandoeningen van de Ziele klaarder bewijsen ende daarom hier niet meer daar af zeggen;
137 Om nu eens kortelijk te zeggen , wat dat in zig zelfs goet en kwaad is;
138 want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is of ons niet zo nuttelijk als iet anders. Want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is of [o]ok dat een appel kwaad is in opzigt van een ander die goet of beter is. Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden, bij aldien dat beter of goet in welker opzigt het zodanig genoemt word, niet en was;
139 Also dan als men dan zegt dat iets goet is, dat en is dan niet anders te zeggen als dat het wel overeenkomt met de algemene Idea die wij van zodanige dingen hebben. en daarom gelijk wij nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen;
140 Nopende de bevestinge van 't gene wij nu gezeid hebben, de zaake is bij ons klaar, doch evenwel tot een besluijt van 't geseide, zullen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen;
142 Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins;
144 n 5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die gheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren. 6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding;
151 altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan;
151 De Regul dan is deze: Dat behoort aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden;
152 zo zullen wij zeggen ( 1) wat zij zijn,( 2);
153 komt of door ondervinding of door hooren zeggen ;
154 (1)Iemand heeft alleenlijk horen zeggen >Deze waant alleen, of zo men gemeenlijk zijt, gelooft alleen van horen zeggen.] dat ... en niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter zijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft;
155 Een (2)ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen , maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevinde[nde] daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is;
156 Een (3)derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde >Deze waant of gelooft niet alleen door horen zeggen, maar door ondervinding; en dit zijn de twederleij wanende.], die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen. Doch een (4)vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden;
157 waarvan wij in' t voorgaande Capittel gezeid hebben en als in' t voorbijgaan weer zeggen wat Waan, geloof en klaare kennisse is;
159 Waarvan wij dit seggen : dat namelijk uijt de eerste;
161 Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (Passien) Lijdinge uijt de waan komen te ontstaan >Hoedanig de lijdinge uijt de waan komen te ontstaan, zijnde het 2de dat Cap.1 belooft is te zullen doen.]. en om dit wel en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen;
162 Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde;
163 Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt;
maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij;
165 uijt klare kennis en ook van hooren seggen komt;
167 spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren zeggen komt. Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wij mede in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven;
168 gelijk wij dat hier na zullen zeggen ;
169 komt ook voort uijt hooren zeggen alleen;
172 in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie;
173 Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen >'t Geen nu van deze wijnige, doch voornaamste gezeijt is, kan mede van alle andere gezeijt worden; [...]., zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen;
175 Ik zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaak;
176 Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, ... Maar als hij de gelijkmatigheid komt te *beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is;
177 Een krachtig betuijg van Redenen zeg ik: om het daar door te onderscheiden, ... Dat de Zaake waarlijk en sodanig is buijten mijn verstand seg ik: waarlijk, omdat;
177 want het [geloof] kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is;
179 en om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien die;
180 laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen;
181 Wij hebben nu te vooren al gezeijd , dat alle dingen genoodschikt zijn;
183 Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen;
184 zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, ...: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar Wijzen zijn van denken;
186 in vierderlij verdeeld als in horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov;
189 zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. ... Ik zeg een onvolmaaktheid, omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt;
191 dat zijn alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn;
196 ( de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur;
197 Want wij hebben gezeid de liefde te wezen een vereeniginge met;
199 Want door' t geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen;
200 Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die vergankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen in, andere buijten onse macht zijn;
201 en om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij zouden konnen nalaten God te beminnen;
204 Het geen van de liefde noch meer te seggen is, zal van ons gedaan worden pag....;
205 Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onderzoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen;
205 zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien;
206 (* >Wij konnen werken met of zonder passien: met gelijk een meerder over sijn minder gemeenlijk doet;
zonder gelijk van Socreates gezeght word.] ) Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates;
210 De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten ...het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo;
212 Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat;
214 Tot een besluijt zeggen wij, dat *de Haat en afkeer;
215 Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt ... Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten;
216 Bij deze zullen wij voegen de Droevheid, vande welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve ... Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering;
218 komt de droevheid als gezeid is, voort;
225 Want wij zeggen dat den bezitter deszelfs sijne volmaak[theid];
226 Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een;
227 Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als;
229 Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben;
234 op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is;
235 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien;
238 Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen , het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden;
239 Dog volgens' t geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen;
241 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben;
242 Wat het gelove ons zegt van de knaging en' t berouw;
245 waarop' t gelove zegt dat die steunen namenlijk;
246 zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is;
247 Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben;
250 Dog ik wil niet zeggen , dat men zo bij de menschen moet leven;
252 Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt;
Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben;
253 doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch;
257 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne;
259 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt >Watt tot meerder klaarheid van al het gezeide aangemerkt dient te worden dewijl het de grond is van alle goet en kwaad.], dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben;
265 Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn;
266 Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat de waarheid God zelve is;
269 en met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam;
271 De Begeerte hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft;
273 n Nota. Te zeggen: de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het Verstand is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan;... Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid;
275 n Als men zegt dat de Ziel en' t Verstand en de Wil bestuurd;
276 n Maar men moet zeggen, dat God die geschapen heeft gelijkse is: want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden terwijl ze is, veel min dan zal zij door zig zelfs iets konnen voortbrengen. Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht;
277 dat zulks zeg ik, dan ook door eenige uijtwendige oorzaak;
279 Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea;
280 Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is >Voor die gene die maar lett op de beschrijvinge die wij van 't verstand gedaan hebben], zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is;
282 Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen >'t Geen hier tegen zoude konnen geseijt werden.]: ... en dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend. Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de Waarheid en Valsheid gezeit hebben, wij dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien;
283 Want wij hebben gezeid , dat het voorwerp de oorzaak is van;
285 't Welk volgens haar zeggen de wil is en de Begeerte die neijginge die men eerst daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de Begeerte, maar de Begeerte niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan;
286 Alle de werkinge dan, waar af wij hier boven gezeit hebben (...) konnen alleenlijk onder die neiginge die men Begeerte noemt en geenzins als heel oneijgentlijk onder de benaming van Wille begreepen worden >Alzoo dat alle werkingen waar van boven gezeit is alleen onder de begeerte en niet als heel oneigen onder de wille behore.];
288 Want hij zeit de Wille te zijn die lust of trek;
289 Behalven dan dat wij alreeds gezeid hebben, dat de Begeerte van het begrip der zaaken afhangt en dat het verstaan een uijtterlijke oorzaak moet hebben en behalven ook 't geene wij van de wille gezeid hebben, zo is dan nog overig te betoonen dat de Begeerte niet vrij is;
291 Zo gij jaa zegt : Hoe, vraag ik, door wat oorzaak;
292 gelijkwij in de verhandeling van de Wille gezeid hebben dat de wille in de menschen niet anders is als deze en die wil, ... Zodat als wij zeggen dat de Begeerte vrij is, zo is't eeven zo veel of wij zeijden, dat deze of geene Begeerte een oorzaak is van zich zelfs;
294 dat is: van Hem, zijn;
en om zo te zeggen , meede het onse toe brengen;
298 de welke gelijk wij hier na zeggen zullen, de wezentlijke helle zelve zijn;
302 of wij zeg ik, daar door tot onse welstand;
303 zo zeg ik indien wij onderstellen datze geen;
308 Hetzelve dan dat wij hier nu zeggen van de uijtgebreidheld dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is;
309 wij dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn >Wat nog daarbij is aan te merken, namentlijk dat wij met verzekering mogen zeggen niet van iets anders te bestaan als van denking en uijtgebreidheid.];
312 na de gestalte der geesten zo hier na gezeid word;
314 het welk gelijk wij nu al hebben gezeid , geschied of om;
315 de ziele in het lichaam gelijk nu al gezeid is;
318 Zoo veel dan nu gezeid van de werkinge die de ziele heeft in;
319 Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde;
320 > Uijt het geene wij nu al te vooren gezeit hebben volgt dat zoo wij God kennen met soo klaaren kennis als wij 't lichaam kennen wij als dan met hem veel nauwer als met het lichaam moeten vereenigt worden.]. Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden en dit is daarom om dat wij hem niet door iets anders gelijk het zoo met alle andere dingen is, maar alleen door hem zelfs kennen en moeten kennen, gelijk wij dat mede nu alvoorens gezeijd hebben;
321 Uijt het geene wij dan tot hier toe gezeid hebben is lichtelijk af te neemen;
324 (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Lievde, Haat en Droevheid die uijt beschouwinge van onlighaamelijke dingen voortkomen, de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lichaamelijke dingen ontstaan: Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben;
327 >Wat wij uijt gezeide al hebben te besluijten.];
328 't geene wij in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende;
329 De ziel dan als nu mediate gezeid is, gesteld zijnde;
335 Doch ons eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze zwarigheid heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van de welke alle deze eigenschappen gezeid worden;
335 wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal;
337 Doch ik zeg : omdat zij een proportie van beweging;
342 opinien gegeven hebben, die wij zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wij zeiden dan, deze zijn of door hooren zeggen of door ondervinding. en dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als het geen dat ons van buijten aankomt, so volgt wel datt de reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die opinien die wij alleen van hooren seggen hebben: en dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekomen is. Maar geenzins van die die wij door ondervindinge hebben >Door de reden konnen de opinien of de waan die van horen zeggen komt wel vernietigt werden en waarom. Doch geenzins kan de reden de waan die door ondervinding is weg neemen en de reeden waarom.];
345 en hier om is't dat wij nu al zo dikwijls hebben gezeid, dat de eene liefde door een ander die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken de begeerten die uijt de redenering voortkomt >en hier om is zo dikwijls gezeid dat de eene liefde door de andere liefde word vernietigt, ...];
346 Wij hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve: en zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben;
347 onder andere benaaminge zo veel van zeggen en schrijven;
348 In het welke alleen gelijk wij nu al gezeit hebben, onse zaligheid bestaat. Ik zeg niet dat wij hem zo hij is moeten kennen;
350 Wij hebben alvooren gezeid , datter in de natuur niet en kan zij;
351 het geene wij in het eerste deel hebben gezeid van dat het oneijndelijk verstand;
352 dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers;
354 als dan konnen wij met waarheid zeggen weder geboren te zijn;
355 De ziele dan hebben wij gezeid te zijn een Idea die in de denkende zaak;
358 So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz >Na al dit voorgaande getoond te hebben zal het niet nodig zijn van de blijdschap in god etc. te handelen en de reden waarom.]. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn;
359 Maar voor eerst wij hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen zijn en konnen toegepast worden: Alzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft;
361 Doch als wij zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet soo niet verstaan worden alsof hij de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen;
362 Off om klaarder te seggen dat Gods wetten niet en zijn van zo een;
363 en om kortelijk hier af iets te zeggen : alle wetten die niet en konnen;
366 De mensch zeg ik, die zijn verstand wel gebruijkt;
369 als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: Want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemme zij dat hij God was. en het zelve dat wij hier van de woorden zeggen, willen wij mede gezeid hebben van alle uijterlijke tekenen;
373 konnen wij dat weten? Wie zal ons dat zeggen ;
374 zullen wij nu kortelijk iets zeggen en dat aldus: Indien de Duijvel;
378 maar ook dat de oorzaaken of om beter te zeggen ' t geen wij zonden noemen;
379 Niet alzoo als gemeenlijk gezegt word;
380 gelijk dat over al uijt het geene wij gezegt hebben blijkt >Wat nog al uijt het vorige gezeide is af te neemen.]. Desgelijks is ook uijt het voorige klaar af te neemen hoe dat zonder Deught off (om beter te zeggen) zonder het bestuur des verstands alles ten verderve stort zonder eenige ruste te konnen genieten en wij als buijten ons element leven;
382 Dit dan zodanig zijnde, zo konnen wij 't met reden voor een groote ongerijmtheid achten 't geene veele en die men anders voor groote godgeleerde acht zeggen >Hoe dwaas een zeggen het is 't geen nochtans meest alle menschen ook de beste, als in de mond besturven is.]. ... Dit is alzo onnozel als of een vis woude zeggen (voor welke doch buijten het water geen leven is) bij aldien mij op dit leven in het water geen eeuwig leven en zoude komen te volgen, zo wil ik uijt het water na het land toe. Ja maar wat konnen ons die God niet en kennen dog anders zeggen;
384 >... in ons niet het beste is en word dan gezeid wat het is.];
398 Uijt al dit geseijde kan nu zeer licht begreepen worden welke daar zij de menschelijke vrijheid >Uijt dit gezeide blijkt dan ook welke dingen in onze magt en aan geen uijtterlijke oorzaaken onderworpen zijn. ...];
399 Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen;
400 vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen ;
408 Ik en wil niet zeggen dat gij die ten een en maal zult bij U;
410 en volgens dien en kan van d'eene niet gezeid worden dat van de ander gezeid word [Ax.4], zijnde dat geene wij trachten te bewijzen;
422 van welke oneijndige eijgenschappen gezeid worden en de welke in zich bevat;
424 tot behoudinge zijns lichaams( ik zeg de wijzing) niet en kan eenige andere;
426 zoo is' t dan zeeker' t geene wij gezeid hebben, dat de Idea of' t voorwerpelijk;
427 ' t welk door' t geene wij daar na gezeid hebben, noch klaarder gezien word;
428 inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentijk;
429 die[n]t acht geslaagen op 't geene ik nu al gezeit hebbe spreekende van de eigenschappen. De welke ik gezeid hebbe niet na haar wezentlijkheijt onderscheiden te worden;
432 verstaande onder het gezeide niet alleen de Ideen welke ontstaan;
435 in de denkende eigenschap dat( zeggen wij) is de ziele van' t lichaam;
437 Doch voor tegenwoordig zal het gezeide ons genoegh zijn;