ZELFSTANDIGHEID

ZELFSTANDIGHEID (substance) 42x+24n;

selfstandigheden 6x;

selvstandigheid +8n;

zelfstandig 7n;

zelfstandigheeden 15x;

zelfstandigs 2x;

1xB: Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, Hebr.2:3;

substanti* 130xE: Una substantia non potest produci ab alia substantia 1,6; Omnis substantia est necessario infinita 1,8;

KV 051 repeats: Exempli gratia aquam quatenus aqua est, dividi concipimus ejusque partes ab invicem separari; at non quatenus substantia est corporea; eatenus enim neque separatur neque dividitur. Porro aqua quatenus aqua generatur et corrumpitur; at quatenus substantia nec generatur nec corrumpitur, 1,15s;

Related concepts: denking, wijze, uitgebreidheid.

Zelfstandigheid most times occurs in syntagmata with 'geen, alle, de eene, de andere, bepaalde, eindige, twee gelijke, ieder' etc, that are logically inconsistent with Spinoza's philosophy, but functional in his way of reasoning. In the dialogues the use of zelfstandigheid instead attribute is conceded (denkende, uitgebreide zelfstandigheid; cf.069) and the adjective 'zelfstandig' only occurs in the notes (zelfstandige denking, zelfstandige uitgebreidheid). The appendix (409sqq.) repeats the argument in a concise way.

017 dewijl ze niet zelfstandigs te kennen geven, maar sijn alleen als adjectiva die substantiva vereischen om verklaart te worden;

018 Niet van buyten, want geen zelfstandigheid die als deze door zig zelf is, hangt van;

022 1. Datter geene bepaalde zelfstandigheid en is, maar dat alle zelfstandigheid in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt moet zijn, te wete, dat in het oneijndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid volmaakter kan zijn als die alreeds in de Natuur is. 2. Dat er ook geen twe gelijke zelfstandigheeden zijn. 3. Dat d'eene zelfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen. 4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid is als die formelijk in de Natuur is;

023 Konnende dan bewijzen datter geen bepaalde selfstandigheid kan zijn, zo moet dan alle selfstandigheid onbepaald aan't goddelijk wezen behooren. Dit doen wij aldus;

024 Ergo: geen zelfstandigheid als onbepaald. Waar uijt volgt, datter geen twee gelijke onbepaalde zelfstandigheeden konnen zijn: Want deze stellende, isser noodzakelijk bepaling. en uijt deze volgt weder, dat de eene zelfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen. Aldus: de oorzaak die deze zelfstandigheid zou voortbrengen, moet hebben de zelfde eigenschap van dese voortgebrachte en ook of eeven zo veel volmaaktheid of meerder, of minder. Niet het 1. want dan waren twe gelijke. Niet het 2. want dan wasser een bepaalde. Niet het 3. want van de Niet komt geen Iet. Ten anderen: als van de onbepaalde een bepaalde kwam, zo wierd de onbepaalde ook bepaald enz. Ergo de eene zelfstandigheid kan d'ander niet voortbrengen. en uijt dit volgt dan alweer dat alle zelfstandigheid formelijk moet zijn, want niet [zijnde], daar is geen mogelijkheid te konnen komen;

025 1. namelijk dat' er geen bepaalde zelfstandigheid en is enz. Zo iemand het tegendeel[ wil beweren] die vraagen wij aldus, te weete: Of deze zelfstandigheid dan bepaald is door zig zelfs;

026 omdat het niet mogelijk is, dat een zelfstandigheid zig zelfs zoude hebbe willen bepaalen; en dat zo een zelfstandigheid die door zig zelfs geweest is;

030 Datter geen twe gelijke selfstandigheden zijn, bewijzen wij, omdat ieder zelfstandigheid in sijn geslacht volmaakt is;

031 Nopende dan het derde, te wete, dat de eene selfstandigheid d'ander niet en kan voortbrengen: zo weederom iemant het tegendeel mogt staande houden, dat[n] vragen wij of de oorzaak die deze zelfstandigheid zoude moeten voortbrengen, dezelfde eijgenschappen van het voortgebragte heeft of niet en heeft;

032 ergo dan gelijk en twee gelijke zelfstandigheden klaarlijk strijdende;

034 Eijndelijk, zo wij de oorzaak van die zelfstandigheid die het beginzel is van de dingen dewelke uijt haar eijgenschap voorkomen, willen zoeken, zo staat ons dan al wederom te zoeken de oorzaak van die oorzaak en dan weder de oorzaak van die oorzaak et sic in infinitum, zodat, Indien wij noodzaaklijk ergens moeten stuijten en rusten gelijk wij moeten, zo is 't noodzaakelijk te rusten op deze allene zelfstandigheid;

035 Ten vierden, dat er geen zelfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen 1. .... 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het zoude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet en kan voortbrengen. en dat meer is, zo doende zouden er oneijndelijke zelfstandigheeden meer niet zijn als er zijn, het welke ongerijmt is;

042 Ten 3. omdat gelijk wij nu al gezien hebben dat de eene zelfstandigheijd de ander niet kan voortbrengen noch ook dat zo een zelfstandigheijd niet en is, het onmogelijk is dat se zouden beginnen te zijn. *En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (..), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn;

043 n Dat is, zo verscheijde selfstandigheden waren die niet tot een eenig wesen betrokken wierden;

044 n Dat is, indien geen zelfstandigheid kan sijn als wezentlijk en evenwel nogtans geen wezentlijkheid volgt uijt haar wezen wanneer ze afgescheide begrepen word, zo volgt datze niet iets bezonders, maar iets dat is een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen. Of aldus: alle selfstandigheid is wezentlijk en geen wezentlijkheid van eenige selfstandigheid op zig zelfs begrepen, en volgt uijt zijn wezen; ERGO dan geen wezentlijke selfstandigheid kan op zig zelve werden begreepen, maar moet tot iets anders behooren: Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo verstaan wij die niet als in haar wesen en niet in haar wezent[lijk]heid, dat is dat haar wezent[lijk]heid noodzakelijk aan haar wesen toebehoort;

047 de uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft;

048 In de natuur dat is in de zelfstandige uijtgebreidheid ;

051 Voorder, wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wij, dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid in de zelfstandigheijd, maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd. Ik dan, willende water deelen, deel alleen maar de wijse van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheijd zelve, welke wijsen nu van 't water, dan van wat anders altijd het zelve is;

052 De deeling dan of lijding geschied altijd in de wijs: gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan van de mensch ten aanzien hij zo een tsamenstel van wijse is van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheid van de welke hij afhangt zelve.;

055 Eijndelijk de zelfstandigheijd, dewijl zij en het beginsel is van alle haare wijsen, zo kan zij met veel grooter regt een doender als een leijder genoemt worden;

064 Z Want hoe? Ik zie dat de verstandige zelfstandigheid geen gemeenschap heeft met de uijtgebreide selfstandigheid en dat d'een de andere bepaald;

065 Z en indien gij buijten deze zelfstandigheeden nog een derde wilt stellen, die in alles volmaakt is, ziet zo wikkeld gij U zelven in openbaare strijdigheeden;

067 Z zo is 't noodzaakelijk dat het zig zelfs kenne en met een moet gij verstaan dat de kennisse van zig zelfs alleen minder is als de kennis van zig zelfs [f.20] te zamen met de kennisse van de andere zelfstandigheeden. All het welk openbaare tegenstrijdigheden zijn;

069 Z Dat gij dan, O Begeerlijkheid, zegd verscheide zelfstandigheden te zien, dat is zeg ik u, valsch: Want klaarlijk zie ik dat'er maar een Eenige is, de welke door zig zelve bestaat van alle de andere eigenschappen een onderhouder is. en bijaldien gij [f.21] dan het lighamelijke en het verstandige wilt noemen zelfstandigheeden in opzigt van de wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de zelfstandigheden van de welke zij afhangen: want als door zig zelfs bestaande en worden zij van u niet begrepen;

070 Z en op dezelve manier, als het willen, gevoelen, verstaan, beminnen, enz. verscheijde wijzen zijn van 't geen gij een denkende zelfstandigheid noemd, die gij alles tot een brengt en van alle deze een maakt; alzo ik ook dan besluijt door uw eijgen bewijzen, dat en de Oneijndige uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenschappen (of volgens uw stijl andere zelfstandigheeden);

090 >Deze volgende worden Eigene genoemd, omdat zij niet anders als Adjectiva die niet verstaan konnen worden zonder haar Substantiva. Dat is God zoude zonder deze geen God zijn, maar nogtans is door deze geen God;

want zij niet zelfstandigs door welke God alleen bestaat, te kennen geven.];

090 hebben wij nu al gezeid, hoe dat de eene zelfstandigheid de andere niet kan voortbrengen;

120 God bestaat, die zijn niet als oneyndige zelfstandigheeden van de welke een ieder des zelfs;

130 eigenschappen (of zo andere die noemen, zelfstandigheden) zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen, een door zich zelfs bestaande wezen is;

133 is. Gelijk ook de Thomisten bij het zelve God verstaan hebben, doch haare Natura naturans was een wezen (zij zo noemende) buijten alle zelfstandigheden. ..De bezondere bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soodat de Natura naturata [f.54] om wel begrepen te worden, eenige zelfstandigheden van noden heeft;

142 Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, ziele, of lichaam bestaat, een selfstandigheid is. Want wij hebben nu [f.61] alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn;

143 2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de denking; 3. De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God;

143 /147 n 1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat er geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze. 2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de denking. 3. De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God. 4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert ...15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken;

145 11. Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wort vereischt niet even eens wat lichaam (dan most het anders gekent woorden alst is), maar ook zulk een lichaam dat zo geproportioneert is van beweging en stilte en geen ander: want zoo 't lichaam is, zoo is de ziel, Idea, kennis etc;

149 en alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan zelfstandigheid [te] zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen;

273 -275 n Dog 't zij zo, nogtans moet men toe staan dat de Willing een modificatie is van de Wil en de Ideen een wijzing van't Verstand; ergo zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheidene en dadelijke onderscheidene zelfstandigheden. Want de zelfstandigheid word gemodificeert en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden te bestuuren, zo isser dan een derde zelfstandigheid: Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is een klaar en onderscheiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hier af in de wil geen liefde ontstaan: want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid. ...nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een Chimera waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de Ziel en 't Verstand en de Wil bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is. Om dan hier te eijndigen, zo en lust mij niet alles bij te brengen, dat ik heb tegen de stelling van een geschapen eijndige selfstandigheid;

326 n Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken;

333 n dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus: 1. Daar is een volmaakt wezen pag ... 2. Daar konnen geen twee zelfstandigheden zijn pag ... 3. Geen zelfstandigheid kan beginnen pag ... 4. Ieder is in sijn geslacht oneijndig pag ... 5;

352 [aa]ngezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstandigheid is en welkers wezen oneijndelijk is;

409 app Geen zelfstandigheid wezentlijk zijnde en kan toegepast worden een en de zelve eigenschap welke toegepast word aan een ander zelfstandigheid of (het welk hetzelvde is) in de Natuur en konnen geen twee zelfstandigheeden zijn tenzij zij dadelijk onderscheiden werden;

410 De zelfstandigheden twee zijnde, zijn verscheiden en dienvolgende [Ax.2] worden onderscheiden of dadelijk of toevallig; niet toevallig, want dan waren de toevallen door haar natuur eer als de zelfstandigheid, tegens de 1. axioma, ergo dadelijk. en volgens dien en kan van d'eene niet gezeid worden dat van de ander gezeid word [Ax.4], zijnde dat geene wij trachten te bewijzen;

411 [Prop. 2] De eene zelfstandigheid en kan geen oorzaak zijn van de wezentlijkheid van een ander zelfstandigheid;

413 [Prop. 3] Alle eijgenschappen of zelfstandigheid is door haar natuur oneijndig en ten op[perste volmaakt];

414 [Dem.] Geen zelfstandigheid is veroorzaakt van een ander[Prop. 2];

415 Aan alle wezen van zelfstandigheid behoord van natuur de wezentlijkheid ook zo zeer dat het onmogelijk is in eenig oneijndig verstand te konnen stellen de Idea van het wezen eenens zelfstandigheid de welke niet en zij wezentlijk in de Natuur;

417 en ook het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat een wezen van de selfstandigheid op deze wijze in een andere zaake begrepen zij als de welke alsdan van dezelve niet dadelijk en zoude onderscheiden worden tegen de 1e propositie;