ZIEL

ZIEL (soul) 30x+25n+8m;

ziele 43x+9m;

men* 548xE; anim* 9xE;

Related concepts: lichaam.

The note 144-146 develops a quantitative concept of the soul as a proportion of motion and rest (318, 321, 337). In 210-238 this content is referred to by 'gestalte'. Elsewhere the concept 'ziel' is used in the non technical sense as the seat of consciousness and antonym of body (lichaam: extension). In the epistemology of 268sqq. the traditional passive soul is provided with this Spinozistic content (idea corporis, 312; Mignini:574n29: cf.2,13). The Cartesian doctrine of the esprits animaux (316, 317, 329) is explicitly denied in 5praef. In the appendix (419sqq.) the soul is more spinozistically related to the attribute cogitatio without any reference to the doctrine of the esprit animaux any more, but including the quantitative concept of proportion (433).

013 en die van de liefde in de ziel sonder' t lichaam enz;

141 Van wat de ziele is vergelijkt met het geene aangetekend;

142 de mensch voor zo veel hij uijt geest, ziele, of lichaam bestaat;

143 n 1. Onze ziele is of een selfstandigheid of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat er geen bepaalde zelfstandigheid in de Natuur kan zijn; ergo dan een wijze;

144 n 6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding;

145 n 9. Uijt deze proportie dan van beweginge en stilte komt ook wezentlijk te zijn dit ons licham van't welk dan, niet min als van alle andere dingen, een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van ons;

146 n 12. Zoodanig een lichaam dan dese zijne proportie als e.g. van 1. tot 3 hebbende en behoudende, zo zal de ziel en't lichaam zijn gelijk het onze nu is, zijnde wel gestadig verandering onderworpen, maar niet zo groot dat ze buijten de palen van 1. tot 3. gaat; dog zo veel het verandert, zo veel verandert ook telkens de ziel. 13. en deze verandering van ons ontstaande uijt andere lichaamen die op ons werken, en kan niet zijn zonder dat de ziel die als dan gestadig verandert, deze verandering gewaar word. en deze verandering is eigentlijk dat 't welk wij gevoel noemen;

186 Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan >Dat nu uijt het betoog van tevooren gedaan blijkt hoe al de tochten en beweginge van de ziel ontstaan uijt het begripp];

210 De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten >De haat is een ontstelling in de ziel tegens die ons willens en wetens misdaan heeft ...];

232 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen ... en wederom als wij de mogelijk komende saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen;

233 Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid... Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop;

235 geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid;

238 Als bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden;

252 zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet;

261 en dit zal ons misschien hier na een stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen en hoe off op wat wijze die zijn kan en ook de onsterfelijkheid van de ziel gelijk dat uijt dezelve grond hier na getoond word Cap.23.];

268 Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het Verstaan (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure Lijding; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde. Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen wordt;

273 Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandigheden;

274 schoon er al zodanige vereeniging van ziel en lichaam was;

275 n Want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. Want dan soude een Chimera waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de Ziel en 't Verstand en de Wil bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is;

276 Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt;

278 zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt;

280 Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent;

281 Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden;

283 Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele;

285 Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen;

288 Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is om te bevestigen;

312 De oorzaak hiervan is en kan geen andere zijn als om dat de ziel zijnde een Idea van dit lichaam, met het zelve zoodaanig vereenigt is dat en zij en dit lichaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken;

315 De werkingen dan waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele in het lichaam gelijk nu al gezeid is >Verstaat ijder bijzonder of ook de ziel in't lichaam werkende kan wel maaken etc.], kan wel maaken dat de geesten die anderzins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen;

316 en omdat ook deze geesten door oorzaak van het lichaam beweegt en alzoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren dat zij door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wij te mets in ons gewaar worden wanneer wij de reeden daar af als wij die hebben, niet en weten;

317 Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zij heeft om de geesten te beweegen >Dat en hoe de ziele kan belet worden de geesten te bewegen.];

318 Zoo veel dan nu gezeid van de werkinge die de ziele heeft in het lichaam: Laat ons nu eens zien van de werkinge die het lichaam heeft in de ziele > Van de werkingen van lichaam in de ziel en welke haar voornaamste is.]. De voornaamste van deze stellen wij te zijn datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden en daar door ook aan andere lichaamen. Het welk door niets anders word veroorsaakt als door Beweginge en Ruste te zaame >Geschied alleen door beweging en ruste en wat buijten deze de ziel gewaar word en komt niet voort van't lichaam.]: Want in het lichaam en zijn geen andere dingen als deze door de welke het zoude konnen werken; zo dat alles dan wat buijten deze gewaarwordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het lichaam veroorzaakt worden;

319 en omdat het eerste het welke de ziele komt te kennen het lichaam is, daar uijt komt hervoort dat de ziele het zoo bemind en daar meede vereenigt word >Waarom de ziele het lichaam zo bemind, daar mede vereenigt wordt.]. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat de oorzaak van de Liefde, Haat en Droefheid niet en moet gezogt worden in het lichaam maar alleen in de ziele (want alle werkingen van het lichaam moeten hervoortkomen uijt beweeginge en ruste) en dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de eene liefde te niet gaat door 't begrip dat wij bekoomen van iets anders dat beter is;

321 Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken; en na de vertooningen zijn die zij aan dezelve voorhouden, het zij of goet of kwaad;

322 daarna word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het lichaam de voornaamste oorzaak van de passien), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen >En hoe zij haar aan de ziele vertonen en hij van haar aangedaan wordt niet als van een lichaam maar als van een voorwerp. en de reden waarom.];

323 n 't welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag. Want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het gevoel volmaakter is;

324 Want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uijtwerkingen hebben gelijk de natuur van die zaak uijt des welks bevattinge de Lievde, Haat en Droefheid enz. in de ziele de onlighaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden;

325 bij aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen als wel het lichaam, het zeeker is het lichaam als dan geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: Waar uijt dan volgt niet dat het lichaam alleen de voornaamste oorzaak is van de passien , maar ook alschoon in ons iets anders waar behalven hetgeene wij nu aangemerkt hebben dat de passien zoo wij meenen, zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel en dienvolgende sich ook soodaanig vertoonen en niet anders, gelijk wij op zoodanig een wijze ook van het lichaam gesprooken hebben;

326 n Het lichaam is niet noodig gesteld te worden alleen te zijn de voornaamste oorzaak van de passien, maar een yegelijke andere zelfstandigheid zoude zulks zoo ze voorkwam, konnen veroorzaaken en niet anders noch meer; want 't en zoude niet meer in de natuur konnen verschillen (uijt welke verscheidenheid van voorwerpen de veranderinge in de ziel ontstaat) als deze die van 't een uijt eijnde tot het ander verschille;

327 Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders;

329 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, *tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is. De ziel dan als nu mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die de geesten als dan ontfangen;

331 n Deze pranging word de ziel weder gewaar en is pijnlijk. Nu wat is 't dat de Medicijnen of wijn te weege brengt? Dit namelijk, dat zij door haar werking deze geesten van 't hart afdrijven en weder ruijmte maaken, het welk de ziele gewaar wordende verkwikking krijgt bestaande daar in, dat het waanbegrip van kwaad, door de andere proportie van beweging en stilte die de wijn veroorzaakt, gediverteert en op wat anders valt, daar 't verstand meer genoegen in vind. Maar dit en kan geen immediate werkinge zijn van de wijn op de ziel, maar alleen van de wijn op de geesten;

332 De twede tegenwerpinge kan deze zijn>Tweede tegenwerping. Van de ziel.]: Aangezien wij zien dat de ziele alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, nogtan kan te weeg brengen, dat de geesten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen;

333 n want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooijt de ziel zonder 't lichaam noch het lichaam zonder de ziel geweest is. Dit vervolgen wij aldus;

334 n 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereeniging zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan bestaan: want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet verandert worden of de Idea word ook verandert et vice versa, zo dat hier geen derde van noden is, die de vereeniging van ziel en lichaam zoude veroorzaaken. Doch staat aan te merken dat wij hier spreeken van zulke Idea's die noodzakelijk ontstaan uijt de wezentlijkheijd der dingen met het wezen zamen in God, maar niet van die Idea's welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen, uijtwerken in ons, tusschen welke een groot onderscheid is: want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons, uijt een of meer van de zinnen die daarom ook niet als onvolmaaktelijk van haar meest altijd aangedaan worden, maar uijt de wezentlijkheid en 't wezen na al wat ze zijn. Nochtans is mijn Idea de uwe niet, die een en de zelve zaak in ons uijtwerkt;

336 daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus de welke de ziele maakt van Petrus en een ander van Paulus de welke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus door de Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het lichaam van Paulus: Alsoo dat de ziele van Paulus zijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander als van Petrus. en hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen: Want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel. en hierom dan is't niet min klaar dat het onmogelijk is, dat een lichaam het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven;

337 n en nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam van 't welk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenigt moet zijn met het lichaam, zo stellen wij onbeschroomt dat sijn ziel niet anders is als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. en om dat dit lichaam een beweginge heeft en stilte (die geproportioneert is en ordinaar gealtereert word door de uijtterlijke voorwerpen) en om datter geen alteratie in 't voorwerp kan geschieden zonder dat ons datelijk in de Idea het zelve geschied, hier uijt komt hervoort dat de menschen gevoelen (idea reflexiva). Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilte heeft, om datter geen werkinge kan geschieden in het lichaam zonder dat deze twe concurreren;

339 Doch wij antwoorden dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte: Want zij en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere lichaamen de welke zij dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren als zij aan de geesten hadden mede gedeeld;

346 en zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wij ook van ons lichaam gezeid hebben;

350 Wij hebben alvooren gezeid, datter in de natuur niet en kan zijn van't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele des zelven zaaks: en na dat de zaak of meer of min volmaakt is daar na is ook min of meer volmaakt de vereeniginge en de uijtwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve;

352 en dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat onse ziel gewaar word, om dat gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink, zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de Idea >Dat is onze ziel, zijnde een Idea van 't Lichaam, heeft uijt het lichaam sijn eerste wezen;

want ze is maar en reprezentatie van 't lichaam, zo geheel als bijzonder, in de denkende zaak.];

355 Soo wanneer wij eens met aandagt aanmerken wat de Ziele is en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan, zo zullen wij lichtelijk zien of zij sterfelijk of onsterfelijk zij >Wat het is daaruijt wij lichtelijk konnen zien de onsterfelijkheid van de ziele.]. De ziele dan hebben wij gezeid te zijn een Idea die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks die in de Natuur is ontstaande >Beknopte beschrijvinge van de ziele en haar oorzaak. Wat daaruijt komt te volgen.];

356 Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn: Daar bij hebben wij aangemerkt dat de ziele kan vereenigt worden of met het lichaam van het welke zij de Idea is, of met God, zonder de welke zij noch bestaan noch verstaan kan worden. Waar uijt men dan lichtelijk kan zien (1.) dat bij aldien zij met het lichaam alleen vereenigt word en dat lichaam komt te vergaan, zij als dan ook moet vergaan: Want het lichaam zijnde het fondament van haar liefde ontberende, moet zij mede te niet gaan;

398 Als mede de onsterfelijkheid van de ziele, waarmede wij eijndigen];

419 [van de menschelijke ziel] De mensch aangezien hij een geschapen eijndige zaak enz. is, zo is 't noodzaakelijk dat het geen hij heeft van denking en 't welk wij de Ziel noemen, zulks zij een eigenschap van die eigenschap die wij denking noemen zonder dat tot sijn wezen eenig ander ding als deze wijzing behoort: en dat zo zeer dat zo deze wijzing te niet gaat, de ziel ook vernietigt word alschoon dat de voorgaande eigenschap onveranderlijk blijft;

421 Om nu te verstaan hoedanig deze Wijzing zij die wij ziel noemen en hoe hij zijn oorsprong van het lichaam heeft en ook hoe zijne verandering (alleen) afhangt van het lichaam ('t welk bij mij is de vereeniginge van ziel en lichaam), zo moet aangemerkt worden;

425 dienvolgende zoo en kanner in de denkende eigenschap geen andere wijzing gegeven worden de welke zoude behooren tot het wezen van de ziel eenes ijgelijken dings als alleen de Idea welke noodzakelijk van zulk een dink, wezentlijk zijnde, moet zijn in de denkende eigenschap;

427 Eijndelijk indien wij zouden willen voortgaan en aan het wezen van de ziel toeschrijven dat geene door het welke zij wezentlijk zoude konnen zijn, men zoude niet anders konnen vinden als die eigenschap en het voorwerp van de welke wij nu gesprooken hebben: en geen van deze en kan behoren an't wezen van de ziel aangezien het voorwerp van de denking niets en heeft en van de ziel dadelijk onderscheiden word: en de eigenschap aangaande, wij hebben nu ook al bewezen dat ze tot het voorgenoemde wezen niet en kan behoren, 't welk door't geene wij daar na gezeid hebben, noch klaarder gezien word;

428 Ergo dan zo bestaat het wezen van ziel alleen hierin namelijk in het zijn van een Idea of voorwerpelijk wezen inde denkende eigenschap, ontstaande van het wezen eenes voorwerps 't welk inderdaad in de Natuur wezentlijk is. Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentlijk is enz. zonder meer bezonderheid. Om dan hieronder te begrijpen niet alleen de wijzingen van de uijtgebreidheid, maar ook de wijzingen van alle de oneijndige eijgenschappen de welke mede zo wel als de uitgebreidheid een ziele hebben;

432 verklaart wat voor een ding de ziel in' t algemeen is;

433 die meer eigen is om' t wezen van onze zielen uijt te drukken;

435 Het voorwerpelijke wezen dan 't welk van dese wezentlijke proportie is in de denkende eigenschap dat (zeggen wij) is de ziele van 't lichaam;

437 (gelijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God en een deel is van de oneijndige Idea, van God onmiddelijk ontstaande) kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse en de onsterfelijkheid der ziele;