ONBESCHAAMTHEID 4x+2m;
schaamte 5x;
beschaamdheid 4xB: Laet mijne tegenstanders met schande bekleet werden: ende datse met haer beschaemtheyt sich bedecken, als met eenen mantelPs.109:29; Laetse beschaemt ende te schande worden, die mijne ziele soecken, Ps.35,4; schaamte 70xB; Want de sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande, Jes.30.3; Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken, Lev.18.7;
pudor* 14xE: Pudor est tristitia concomitante idea alicujus actionis quam alios vituperare imaginamur, defaff XXXI.; Est enim pudor tristitia quæ sequitur factum defaff.31expl; Deinde quia ipse pudor species est tristitiæ, ad rationis usum, 4Cap.XXIII; justo sentire cum videmus ipsum ex nimio pudoris metu ea non audere quæ alii, defaff18expl;
Related concepts: versmaadheden.
216 >1. De Wanhoop 2.' t Berouw en Knaging 3. Beschaamtheid 4. Beklag.];
248 Beschaamtheid is >Wat beschaamtheid is.] zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen. De Onbeschaamtheid >Wat onbeschaamtheid is.] is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt;
249 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben >Dat dezelve ijdel en onvolmaakt zijn en waarom.]. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk >Dat zij schadelijk zijn en te verwerpen.];
250 als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude;
251 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan;
254 gelijk de onbeschaamtheid van de schaamte en dat alleen zonder eenig opzicht.
Article 66: La gloire et la honte. De plus, le bien qui est, ou qui a été en nous, étant rapporté à l'opinion que les autres en peuvent avoir, excite en nous de la gloire, et le mal, de la honte.
Article 54: L'estime [achting] et le mépris [verachting], la générosité [gunst] ou l'orgueil, et l'humilité [nederigheid] ou la bassesse [strafbare nederigheid]. A l'admiration est jointe l'estime ou le mépris, selon que c'est la grandeur d'un objet ou sa petitesse que nous admirons. Et nous pouvons ainsi nous estimer ou nous mépriser nous-mêmes, d'où viennent les passions et ensuite les habitudes de magnanimité ou d'orgueil et d'humilitéou de bassesse. Article 55: La vénération et le dédain. Mais quand nous estimons ou méprisons d'autres objets que nous considérons comme des causes libres capables de faire du bien ou du mal, de l'estime vient la vénération, et du simple mépris le dédain. (Descartes Passion de l'âme).