beslo(o)t(en) 2n+m;
besluijt 12x+3n+m;
besluijt(en) 13x+n+2m;
conclud* 28xE(ex quibus concludere volunt substantiam extensam finitam);
Originally the term 'besluit' is used for the conclusion of (syllogistic) reasoning (163 : formeeel besluit). By extension conclude applies to any conclusion reached by reasoning; e.g. in accordance with the rules of the Cartesian method as Spinoza applies them. The term thus always is used in technical sense, but sometimes covers a different content. The use of 'besluit' in 363 for God's decree seems contradictory as far as one does not realize that in Spinoza's concept of God he is present in every reasoning.
070 Z alzo ik ook dan besluijt door uw eijgen bewijzen, dat en de Oneijndige uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenschappen ... niet anders zijn als;
085 Z Want ik zie dat gij besluijt dat het menschelijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd;
095 Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te [doen wat hij gedaan heeft];
102 Al het welke als dingen zijnde, die tastelijke ongerijmtheeden in zig besluijten en geenzins aan God die nu, te vooren en in alle eeuwigheid onveranderlijk is geweest en blijven zal, kan toegepast worden;
104 zo besluijten wij, dat indien het sijne volmaaktheid niet en was, die het hem dede doen, dat de dingen niet en zouden zijn of in het wezen konnen gekomen hebben om te zijn het geene die nu zijn;
140 doch evenwel tot een besluijt van 't geseide, zullen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen;
162 want dewijl hij [sc.de boer] van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat;
163 n Dit is juijst niet te verstaan dat altijd voor de verwondering een formeel besluijt moet gaan, maar ook isse zonder dit; ... Als e.g. Aristoteles zegt: Canis est animal latrans, ergo hij besloot al dat baft is een hondt; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat hij stilzwijgent al 't zelve dat Arisitoteles met sijn beschrijving. Zoo dat als de Boer hoort baffen, een hond, zeijd hij; alzoo dat als zij eens een ander dier hoorden baffen, de Boer die geen besluijt gemaakt hadde, zoud alzo wel verwonderd staan als Aristoteles die een besluijt gemaakt hadde;
164 Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een;
168 Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende;
198 Soo is hij dan immers wel ellendig, die met eenige vergankelijke dingen vereenigt word.... en zo bijgevolg besluijten wij: Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die;
214 Tot een besluijt zeggen wij, dat de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel deel de Lievde volmaaktheeden heeft;
235 Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen;
236 Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. en die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, zo noemt men het volgijver. Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. en de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid;
243 zo zoude men misschien mogen denken, dat haar deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn;
271 De Begeerte hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de Wille genoemt word;
272 n De Wille dan genomen voor de Bevestiging of het Besluijt, die verschilt hier in van het Waare Geloove datze zig uijtstrekt ook tot het geen niet waarlijk goet is en dat daarom om dat het overtuijg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn;
276 zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de [uitwerkende oorzaak van alles];
327 Alzoo dat wij met waarheid besluijten mogen >Wat wij uijt gezeide al hebben te besluijten.], dat Lievde, Haat, Droevheid en andere passien in de ziele worden veroorzaakt anders en anders na de gedaante van kennisse;
363 alle wetten die niet en konnen overtreden werden, zijn goddelijke wetten, reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen maar volgens sijn eigen besluijt. Alle wetten die overtreden konnen worden zijn menschelijke wetten. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welstand besluijten, daar uijt niet en volgt zulks ook tot welstand van geheel de Natuur te zijn;
372 Want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? Want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans onmogelijk om voor ons daar uijt dan te besluijten dat'er om dit gevrochte voort te brengen, een oneijndelijke en onbepaalde zaak in de Natuur moet zijn >Uijt eenige werkinge welkers oorzaak ons onbekend is en kan niet beslooten worden dat het God is en de rede waarom.];
373 Zo dat wij dan eijndelijk besluijten, dat God, om zich zelfs aan de menschen bekend te maaken noch woorden, noch miraculen, noch eenig ander geschapen ding kan of behoeft te gebruijken, maar alleen zich zelve;
386 So resteert nu nogh om van dit werk een eijnde te maaken kortelijk aan te wijzen welke daar zij de menschelijke vrijheid en waar in die bestaat > Het besluijt van dit geheel werk zal dan zijn de verhandeling van de menschelijke vrijheid, ...];
389 en uijt deze twee laatste besluijt ik deze volgende vierde stelling;
392 So laat ons dan nu eens zien, wat wij al uijt deze vorige stellingen hebben te besluijten >Wat nu al uijt deze voorige waare stellinge klaarlijk zal komen te volgen.];
400 Soo is mij dan alleen noch overig om een eind van alles te maaken, de vrunden tot de welke ik dit schrijve te zeggen >Verzoek van den autheur aan die geene tot de welke hij dit tractaat op haar verzoek heeft gedicteert en daarmee het besluijt van alles.];
424 app. Waar uijt klaarlijk besloten word, dat de natuurlijke liefde die in ieder zaak is tot behoudinge zijns lichaams (ik zeg de wijzing) niet en kan eenige andere oorspronk hebben als van de Idea of het voorwerpelijk wezen het welk van zoodanig lichaam is in de denkende eigenschap;