bespot;
bespotten 3x(11xb);
bespottende;
bespotter 2x+m;
bespotter 2x+m+n;
bespotting 2x(2xb);
boerter;
lachen;
~B; lach* 21xB (mostly subst.): God heeft mij een lachen gemaakt; belach* 20xB; Kleyne jongens ... bespotteden hem, ende seyden tot hem, Kaelkop gaet op, 2Kon.2,23; Maer gy, Heere, sultse belacchen: gy sult alle Heydenen bespotten, Ps.59,9; Andere hebben bespottingen ende geesselen geproeft, Hebr.11,36; Vallende op hare knijen voor hem, bespotteden sy hem, seggende, Weest gegroet, gy Koningh der Joden, Matth.27,29.
jocus 1xE: 752 Nam risus (4x) ut et jocus mera est lætitia adeoque modo excessum; irrisio 4xE: defaff XI. Irrisio est lætitia orta ex eo quod aliquid quod contemnimus in re quam odimus inesse imaginamur; 510 ex rei quam amamus admiratione sic irrisio ex rei quam odimus vel metuimus; 750 Invidia, irrisio, contemptus, ira, vindicta et reliqui; 841 ut sunt odium, ira, invidia, irrisio, superbia et reliqua hujusmodi quæ; 752 Inter irrisionem ( quam in I corollario malam esse.)
245 De bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid >Van de bespottinge en boerterijen waarop 't gelove zegt dat die steunen namenlijk op een valsche waan en welke die is en waaruijt die voortkomt]. Op een valsche waan ist dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen >Waarom zij in de bespotter een onvolmaaktheid te kennen geven.]. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespottelijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig <zo betonen zij>zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren
246 Het lachgen heeft geen opzicht op een ander >Van het lachgen en wat opzigt het heeft en wat het is.], maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een seeker slach van de Blijdscbap >Is een zeker slag van blijdschap. Siet pag.91.], zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten >Doch niet van 't lachen uijt beweging der geesten.];
323 als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn dri[nken];
Article 62: La moquerie, l'envie, la pitié Mais lorsqu'il [=bien présent] nous est représenté comme appartenant à d'autres hommes, nous pouvons les en estimer dignes ou indignes. Et lorsque nous les en estimons dignes, cela n'excite point en nous d'autre passion que la joie, en tant que c'est pour nous quelque bien de voir que les choses arrivent comme elles doivent. Il y a seulement cette différence que la joie qui vient du bien est sé rieuse, au lieu que celle qui vient du mal est accompagné e de ris et de moquerie. Mais si nous les en estimons indignes, le bien excite l'envie, et le mal la pitié , qui sont des espèces de tristesse. Et il est à remarquer que les mêmes passions qui se rapportent aux biens ou aux maux présents peuvent souvent aussi être rapportées à ceux qui sont à venir, en tant que l'opinion qu'on a qu'ils adviendront les représente comme pré