bevestig;
bevestigende 3x+m;
bevestiging 5x+n;
bevestigt 12x+m;
bevesting 2x;
ontkend 2x+m;
ontkennen 15x+n;
ontkennende;
ontkenning 7x;
ontkent 4x;
nega* 38xE; negare 5xTIE; affirma* 64xE (4x+nega*): Verum antequam ulterius pergam, venit hic notandum me per voluntatem affirmandi et negandi facultatem, non autem cupiditatem intelligere; facultatem inquam intelligo qua mens quid verum quidve falsum sit, affirmat vel negat et non cupiditatem qua mens res appetit vel aversatur; In mente nulla datur volitio sive affirmatio et negatio praeter illam quam idea quatenus idea est, involvit, 2,49;
Denying (ontkennen) and approving (bevestigen) refer to judgements on knowledge that can be true or false. Selfevident knowledge by definition is not in need of such a judgement (282 sqq.) so that the will plays no part in it (277; cf.2,48s).
001konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen :[2] Maar dat de wezentheid;
005n al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap dewelke is Zijn. Ergo. Hierop nu te zeggen dat dit wel bevestigt [word] van de Idea, maar niet van de zaak zelfs is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter van de eigenschap die tot dit wezen behoort, alzo dat het geen 't welk bevestigt wordt, en is noch van de zaak noch van datgeen 't welk van de zaak bevestigt word: also dat tusschen de Idea en het Ideatum een groot onderscheid is en daar om dat het geene dat men bevestigt van de zaak, dat en bevestigt men niet van de Idea et vice versa;
014 n en zo ook dan, ja veel meer bevinde ik dit waar te zijn in deze derde eenige Idea en dat niet alleen dat het van mij niet af en hangt, maar in tegendeel dat hij alleen moet zijn het subjectum van't geen ik van hem bevestig. Alsoo dat indien hij niet was, ik al heel van hem niets en zoude konnen bevestigen gelijk nogtans van de andere dingen schoon zij niet wesentlijk zijn, gedaan word: ja ook dat hij moet zijn het subjectum van alle andere dingen;
063 Z en de ontkenninge dezes noemen wij de Niet;
094 Dat God het geene hij doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wij;
123 Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden, om dat de beschrijvinge de zaak naakt en ook bevestigende moet uijtbeelden en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigende maar alleen ontkennender wijse weten. Ergo. Zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven worden;
150 En dat zij voor een grondregul stellen dat dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij;
158 alleen aan ons bekend zijn door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn >Ziet de beschrijvinge van 't gelove pag. …; en waar in het bevestigende genomen voor de wille, van het gelove verschilt, pag...];
227 inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven;
228 haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven;
234 Tot hiertoe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is, zo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse namentlijk aldus;
263 Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: Waarheid dan is een bevestiginge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak;
en Valsheid een bevestiginge (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt;
267 Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft;
268 Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen wordt;
271 zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de *Wille genoemt word;
277 Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze Bevestiging van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied >Dat de oorzaak niet vrij is siet pag. …], dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat eenige uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers wezentlijkheid niet aan sijn Wezentheid is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn;
280 Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken;
alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent >Want de zaak zelfs en niet wij bevestigt of ontkend in ons van haar zelve.];
281 wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is;
282 Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. en dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend;
283 Want wij hebben gezeid, dat het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, het zij dan waar of vals: te weten, omdat wij iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wij ons inbeelden dat het voorwerp (schoon wij zeer weinig van het selve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in't geheel bevestigt of ontkent. Hebbende dit meest plaats in zwakke ziele, die door een ligte werkinge van het voorwerp in haar een wijze of Idea ontfangen zeer lichtelijk en buijten dit en is in haar geen bevestigen of ontkennen meer;
284 Eijndelijk zoudemen ons ook nog konnen tegenwerpen > Wat men hier nog al tegen kan in brengen.] datter veel dingen zijn, die wij willen en niet willen, als daar is iets van een zaak te bevestigen of niet te bevestigen, de waarheid te spreeken en niet te spreeken en zo voort. >En word beantwoord en getoond waar uijt het voortkomt.] Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Wille en word onderscheiden. Want de Wil bij die, die de Wille stellen, is alleen dat werk van het verstand daardoor wij van een zaak iets bevestigen of ontkennen zonder opzicht van goet of kwaad;
285 Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de Begeerte ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wij ondervonden of bevestigt hebben een dink goet te wezen. 't Welk volgens haar zeggen de wil is en de Begeerte die neijginge die men eerst daarna om dat te bevorderen bekomt, also dat ook na haar eigen zeggen, de Wille wel zonder de Begeerte, maar de Begeerte niet zonder de Wille die al voorgegaan moet zijn, wezen kan;
287 het dan nu kennelijk is, dat wij tot bevestigen of ontkennen geene wille en hebben;
288 Zo dat de neiginge [sc.voluptas bij Aristoteles] van de ziel niet iets is om te bevestigen oft'ontkennen, maar alleen een neiginge om iets te bekomen onder scheijn van goet en te vlieden onder scheijn van kwaad;
393 een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding, volgens de le stelling;