algemeen 23x+3n+m;
bezonder(e) 41x+7n;
bezonderlijk 5x;
bijzonderheid 3xvmz;
bijzonder 34xB (10x Zach.12:12-14): Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder. Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt, Gen.21:28-9; Zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw, alzo lief als zichzelven; en de vrouw zie, dat zij den man vreze, Ef.5:33;
particular*4xE; 4xTIE; singular* 17xTIE; 95xE: res s.;
Related concepts: deel, geheel.
Spinoza's theory about the notiones communes is presupposed in 115 and 139 (cf.Mignini p.401: TTP84,23-26; 61,31; 253,1-8): God did not create general ideas, but only particular things. Particular things therefore are the only object of adequate knowledge (116 , 144 ). The form 'bijzonderheid' only occurs in the appendix.
011 en so in abstracto algemeen van ons gemaakt sijnde;
044 n Dat is, indien geen zelfstandigheid kan sijn als wezentlijk en evenwel nogtans geen wezentlijkheid volgt uijt haar wezen wanneer ze afgescheide begrepen word, zo volgt datze niet iets bezonders, maar iets dat is een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen;
046 Ten 2. een zaake te zaamen gezet van verscheide deelen, moet zodanig zijn, dat de delen deszelfs in het bezonder genomen de een zonder de ander kan bevat en verstaan worden. Als bij Exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet: daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden zonder dat het geheel zo als 't samengezet is daar toe van nooden is;
047 Maar de uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, aangezien ze noch kleijnder noch grooter kan worden en geen deelen deszelfs bezonder zoude konnen worden verstaan;
083 Z Doet hierbij dat het geheel maar is een wezen van Reeden en niet en verschild van 't algemeen als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt word van verscheide Niet-vereenigde ondeilbaare, maar het Geheel van verscheide Vereenigde ondeilbaare; en ook hierin, dat het Algemeen maar begrijpt deelen van hetzelve geslagt, maar het Geheel deelen en van hetzelve en van een ander geslagt;
086 Z Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen;
087 Z Maar om in ons een denkbeeld van God voort te brengen en word geen ander bezonder zaak vereischt, die daar hebbe het geen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen;
093 7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak , dog alleen in opzigt dat bij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkselen voort te brengen;
106 de Voorzienigheid, welke bij ons niet anders is als die poginge die wij en in de geheele Natuur en in de bezondere dingen ondervinden, strekkende tot behoudenisse en bewaringe van haar zelfs wezen;
107 Zo dat wij dan volgens deze onze beschrijvinge stellen een Algemeene en een bezondere voorzienigheid. De algemeene is die door de welke ieder zaak voortgebragt en onderhouden word voor zoveel zij zijn deelen van de geheele Natuur. De bezondere voorzienigheid is die poginge die ieder ding bezonder tot het bewaren van zijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt word. Het welk met dit navolgende exempel verklaart word: Alle de leeden van de mensch woorden voorzien ende voorzorgt voor zo veel zij deelen van de mensch zijn, het welk de algemene voorzienigheid is: en de bezondere is die poginge, die ieder bezonder lit (als een geheel en geen deel van de mensch) tot het bewaren en onderhouden van zijn eijgen welstand heeft;
115 Dog deze tegenwerping ontstaat uijt deze onkunde van dat zij algemeene Ideen gesteld hebben, met dewelke zij meinen, dat de bezondere om volmaakt te zijn, moeten over een komen. Deze Ideen dan stellen zij te zijn in het verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben, dat namentlijk deze algemeene Ideen (als Redelijk, Dier, en diergelijke) van God zijn geschapen; en die Aristotelem volgen alschoon zij wel zeggen dat deze dingen geen daadelijke, maar zaaken van Reeden zijn, nogtans worden die bij haar veeltijds als zaaken aangemerkt, aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne voorzorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt;
116 Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere en vergankelijke dingen, maar wel van de algemeene die na haar meeninge onvergankelijk zijn. Dog wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt, want eerst de bijzondere alle alleen hebben oorzaak en niet de algemeene , dewijle die niets zijn. God dan is alleen een oorzaak en voorzorger van de bezondere dingen;
133 134 De Natura naturata zullen wij in twee verdeelen, in een algemeene en in een bezondere . De algemeene bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen. Waarvan wij in het navolgende Cap. zullen handelen. De bezondere bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soodat de Natura naturata om wel begrepen te worden, eenige zelfstandigheden van noden heeft. Wat dan nu aangaat de algemene natura naturata of die wijsen of schepzelen die onmiddelijk van God afhangen ofte geschapen zijn, dezer en kennen wij niet meer als twee namelijk de *beweginge in de Stoffe ende het verstaan inde denkende zaak;
139 Also dan als men dan zegt dat iets goet is, dat en is dan niet anders te zeggen als dat het wel overeenkomt met de algemene Idea die wij van zodanige dingen hebben. en daarom gelijk wij nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen, welkers wesen een volmaakte wezentheid moet zijn en niet met de algemene, dewijl ze alsdan niet en zouden zijn;
141 Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen;
144 n Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse, Idea etc. die gheel de Natuur van alle wesen geschakeld in haar wezen kend zonder haar bezondere wezentlijkheid, maar alleen van de kennisse, Idea etc. van de besondere dingen, die telkens komen te existeren. 6. Deze kennisse, Idea etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is zeggen wij, de ziel van dit ieder besonder ding. 7. All en een ieder bezonder ding dat wezentlijk komt te zijn, dat word zulks door beweging en stilte en zo zijn alle de wijzen in de zelfstandige uijtgebreidbeid, die wij lichaam noemen;
155 Een (2)ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen;
156 Een (3)derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden;
162 Laat dan de Verwondering de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste wijze kent, want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat;
185 Want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of Ens Rationis;
199 Bijzonder als wij zien van wat voor een goet wij;
213 en omdat een volmaakt mensch het alderbeste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken;
271 welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen;
273 n Te zeggen: de uijtwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch en het Verstand is een oorzaak zonder welke de Wil niet en kan; ergo de Will onbepaalt genomen en ook het Verstand geen wezens van Reden maar dadelijke wezens. Dog mij aangaande wanneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zij algemeene en ik kan haar niet dadelijks toe eigenen;
278 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: en zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als zodanig maar als een ens reale. Want omdat de mensch nu deze dan die will heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze , die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man en die man een Idea maakt van Mensch: en om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van reden en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt;
280 Ik en spreeke dit niet van de algemene wille , die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben maar van bezonder dit of dat te willen;
329 Waar op diend dat onderscheid gemaakt moet worden, tusschen de gewaarwordinge van de ziele als zij eerst het lichaam gewaar word en tusschen het oordeel het welk zij aanstonts daarop komt te maaken van dat het haar goet of kwaad is >Dat is tusschen verstaan algemeen genomen en tusschen verstaan als opzigt hebbende op het goet of kwaad van de zaak.]. De ziel dan als nu mediate gezeid is, gesteld zijnde, hebben wij al te vooren aangewezen dat magt heeft de geesten te bewegen werwaart zij wil: Maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam deze haar zo gematigde gestalte benomen of veranderd word en zulks in haar gewaarwordende ontstaat'er droevheid en dat na de verandering is, die de geesten als dan ontfangen;
340 Aangezien dat het wezen zonder wezentlijkheid begreepen wordt onder de beteekeningen der zaaken, zo en kan de Idea van't wezen dan niet aangemerkt worden als iets bijzonders;
352 >Dat is onze ziel, zijnde een Idea van 't Lichaam, heeft uijt het lichaam sijn eerste wezen; want ze is maar en reprezentatie van 't lichaam, zo geheel als bijzonder, in de denkende zaak.];
365 Alzoo ook de mensch in aanzien hij een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereijken kan;
428 Ik zeg van een voorwerp dat dadelijk wezentlijk is enz. zonder meer bezonderheid. Om dan hieronder te begrijpen niet alleen de wijzingen van de uijtgebreidheid, maar ook de wijzingen van alle de oneijndige eijgenschappen de welke mede zo wel als de uitgebreidheid een ziele hebben;
431 en dewijl in de eigenschappen geen ongelijkheid ter wereld is noch ook in de wezens van de wijzingen, zo en kan'er in de Idea geen bezonderheid zijn aangezien die in de natuur niet zijn: Maar zo wanneer eenig van deze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs onderscheiden van haare eigenschappen (dewijl als dan hare bezondere wezentlijkheid welke zij in de eijgenschap hebben, het onderwerp is van haar wezen), als dan vertoonter zig een bezonderheid in de wezens van de wijzingen en gevolglijk in de voorwerpelijke wezens, die van de zodanige noodzaakelijk begrepen worden in de Idea;
432 en hiermede achten wij dan genoegzaam verklaart wat voor een ding de ziel in 't algemeen is, verstaande onder het gezeide niet alleen de Ideen welke ontstaan uijt de lichaamelijke wijzingen, maar ook die welke ontstaan uijt de wezentlijkheid van een ijgelijke wijzing van de overige eijgenschappen;
434 Wij zullen dan hier voor onderstellen als een zake die bewezen is, dat in de uijtgebreidheid geen andere wijzinge is als beweging en stilte en dat ieder bezonder lichaamelijk ding niets anders is als een zeekere proportie van beweginge en stilte; ook soo zeer dat bij aldien in de uijtgebreijdheid niet anders was als alleen beweging of alleen stilte, soo en zoude in de geheele uijtgebreidheid niet konnen aangewezen worden of zijn eenig bezonder ding. Alsoo dat dan het menschelijk lichaam niet anders is als een seekere proportie van beweginge en stilte;