Soo hielden de kinderen Israëls ... het Feest der ongesuerde brooden ... met groote blijtschap, 2Chron.30:21; Dient den Heere met blijdtschap, Ps.100:2; 't Is den rechtveerdigen eene blijdschap recht te doen, Spr.21:15;
Lætitia est hominis transitio a minore ad majorem perfectionem, defaff2;
215 Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de begeerte en de Blijschap >Een zeker slag van blijdschap zijn dese volgende: 1. De Hoop, gemengt nochtans met eenige droevheijd 2. Verzekertheid 3. 't Laghen 4. de Eere] >Van de Begeerte en de Blijschap. Wat de 3de uijtwerkinge van't gelove ons daar in sal aanwijzen];
217 Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap;
218 dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is;
232 niet anders is als een zekere zlag van blijdschap Wat de Hoope is.], gemengt nochtans met;
233 het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk;
246 en omdat het [sc.lachen] is een seeker slach van de Blijdschap >Is een zeker slag van blijdschap. Siet pag.91.], zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is;
248 De eerste is een seeker slag van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld;
331 recht tegendeelig als in de blijdschap geschied;
358 So dat wij nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blijschap in God, gerustheid des gemoeds enz >Na al dit voorgaande getoond te hebben zal het niet nodig zijn van de blijdschap in god etc. te handelen en de reden waarom.]. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien wat daar af is en te zeggen zoude zijn;
423 Staat aan te merken dat alle de overige wijzingen gelijk als Lievde, Begeerte, Blijdschap haaren oorspronk van deze eerste onmiddelijke wijzing hebben;
436 Staat aan te merken dat alle de overige wijzingen gelijk als Lievde, Begeerte, Blijdschap haaren oorspronk van deze eerste onmiddelijke wijzing hebben;
Ook zodanig dat in gevalle die niet alvoor en ging, daar geen liefde, begeerte enz. en zoude konnen zijn.
Article 61: La joie et la tristesse. Et la considé ration du bien présent excite en nous de la joie, celle du mal, de la tristesse, lorsque c'est un bien ou un mal qui nous est représenté