aangezien (dat), omdat, dewijl, vermits, bij gevolg, nademaal, nadien, want (dat)
AANGEZIEN 54x+6n; angezien dat; 5xB;
010 dog niet uijtstekentlijk, aangezien boven of buijten hem niet wezentlijker; 016 of in iet beters[niet] kan *veranderen, aangezien het volmaakt is; 027 dat hij niet meer zoude hebben willen, aangezien hij wel konde, smaakt na wangunst; 042 [no]odzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere; 047 kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, aangezien ze noch kleijnder noch grooter kan word[en]; 054 een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zou; 056 't rust onmogelijk niet bewegen kan: en aangezien het klaarlijk blijkt, datter in de Natu[uur]; 073 Uw zeggen dan is, dat de oorzaak ( aangezien zij is een Veroorzaker van sijne uijtwe[rkingen]; 084 nog ook buijten hem en hierom dan ook, aangezien zij niet onmiddelijk van God zijn voort[gebracht]; 091 inblijvende en geen overgaande oorzaake, aangezien hij alles in zig zelfs en niet buijten [hem heeft]; 103 't Welk dan valsch is. Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dinge; 115 haar veeltijds als zaaken aangemerkt, aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne; 115 kan met regt niet gezeid worden, aangezien dat niemand alle de oorzaken van de din[gen kent] 122 [besc]hrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrijvinge na haar waan, als van; 129 Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verb[onden]; 130 meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen; 132 [i]s mede van ons hier vooren al geantwoord aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is; 135 [w]at dan bezonderlijk aangaat de Beweginge aangezien die eigentlijker tot de verhandeling va[n de natuur weet]; 138 of onder de ENTIA Realia behooren. Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als; 186 in geloov, in klare kennisse. en aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebb[en]; 197 geen versterking onser natuur,]. aangezien zij zelve swak zijn en d' eene kreupele; 200 ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezen; 202 geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan; 203 >..kennen in haar oorzaaken.]: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste; 215 Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken; 258 welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen; 261 hoe die ook alsdan voortreffelijker word, aangezien die is vallende op een voorwerp dat; 272 oorzaak door de welke datze zij, want aangezien tot het wezen des zelfs; 276 God die geschapen heeft gelijkse is: want aangezien ze geen kragt heeft om zig te behouden; 279 om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar; 286 waar af wij hier boven gezeit hebben( aangezien zij gedaan worden door reden onder schi[jn]; 306 des zelvs oneindelijk en volmaakt is. en aangezien de uitgebreidheid een eigenschap is die; 307 Daar en boven: aangezien wij ook getoond hebben datter buijten; 313 Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt; 319 daar mede vereenigt wordt.] etc.. Doch aangezien wij nu al te vooren gezeid hebben dat; 323 het ander kwaad te zijn kenne? Antwoord: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zel[ven]; 337 't Is klaar dat in de mensch aangezien hij begonnen heeft, geen ander eigenschap; 351 en dat wij de zone Gods noemden. Want aangezien dat God van eewigheid geweest is, zo; 352 Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfst[andigheid]; 358 >...te handelen en de reden waarom.]. aangezien men lichtelijk uijt het gezeide kan sien; 370 ook niet nodig zijn en waarom.]: Want aangezien dat geene in ons' t welke God moet kenn[en]; 381 't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietend; 383 >...bestuur onses verstands te zoeken.]. en aangezien wij ondervinden dat wij zoekende de zin[lijkheden]; 394 ontfangen volgens de 3e stelling. en aangezien dat God het onmiddelijk heeft voortgebr[agt]; 419 De mensch aangezien hij een geschapen eijndige zaak enz. is; 425 [wi]jzingen van Liefde, begeerte enz. Nu dan aangezien de Idea voortkomt vande wezentlijkheid; 426 Verder aangezien tot het wezentlijk zijn van een Idea; 427 en kan behoren an' t wezen van de ziel aangezien het voorwerp van de denking niets en he[eft]; 430 schepzel onmiddelijk van God geschapen aangezien ze in zich voorwerpelijk heeft het vorm[elijk]; 431 de Idea geen dezelvde bezonderheid zijn aangezien die in de natuur niet zijn: Maar zo; 433 overige eijgenschappen. Maar aangezien wij van de overige eigenschappen niet.
DEWIJL 46x+14n+6m; dewijle 20x;
228xB; Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, dewijl gij Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet, Mal.2:9;
009 en kan hij niet alles verstaan, dewijl het menschelijk verstand bepaald is; 016 zulks is klaar, dewijl hij sijne *eijgenschappen verstaat; 017 Syne eigenschappen: beter is' t, dewijl hy' t geen aan God eigen is verstaat; 017 [zo]nder deze geen God, maar niet door deze, dewijl ze niet zelfstandigs te kennen geven; 035 dat het zoude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet; 045 aan God alheel niet kan toegepast worden, dewijl hij een eenvoudig wezen is; 047 bezonder zoude konnen worden verstaan, dewijl zij in haar natuur moet oneijndelijk zijn; 048 want niet in' t geheel, dewijl die oneijndig is, want waar heen zou; 054 onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als; 055 Eijndelijk de zelfstandigheijd, dewijl zij en het beginsel is van alle haare; 074 en dit zegd gij daarom dewijl gij maar alleen en weet van de oovergaa[nde oorzaak]; 082 aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn; 095 ontleenen wij dat van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten' t geen hij; 096 Wij zeggen dan, datt dewijl alles dat' er geschied van God gedaan w[ordt]; 097 grootste onvolmaaktheid het niet zijn. en dewijle het heijl en de volmaaktheid; 111 gebeurlijk is, et sic in infinitum. en dewijl nu al te vooren bewezen is, dat van een; 116 een hebben oorzaak en niet de algemeene, dewijle die niets zijn. God dan is alleen een o; 134 doch dit kan hier so wel staan, dewijl op het selve niets gebouwd is; 139 en niet met de algemene, dewijl ze alsdan niet en zouden zijn; 141 paalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen all; 143 3. De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn; 145 maar geenzins de zelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is; 147 15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende zelfsta[ndigheid]; 149 Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren; 156 noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door sijne deurzigtigheid terstond; 162 want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt m[aakt] 184 [volmaa]kt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens ens Rationis is, wij wel; 189 >.. zelve is een onvolmaaktheid.]. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel; 198 dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en zo veel; 201 en dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. ... >Omdat het maar alleen zijn wijsen die onmiddelijk van God afhangen en met haar niet en konnen vereenigen, dewijl wij die sonder God niet en konnen kennen en God kennende onmogelijk die zouden beminnen...]; 203 >... sonder hem niet konnen gekend werden.]: dewijl de kennisse van aller andere dingen; 209 >... zo mag die in ons geen plaats hebben.], dewijl wij weten dat een de zelve zaak; 212 afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid; 237 [onverb]rekelijke ordre en gevolg van oorzaaken( dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar; 239 >... m]ensche plaats konnen hebben en waarom.]: dewijle zij dingen vooronderstellen die wij; 246 >... beweging der geesten.]. Van het selve( dewijl het nog op goet, nog op kwaad eenige op[zicht heeft]; 256 niet en konnen hebben als wij willen. en dewijl het een zeeker( *) slach is van droefhe[id]; 259 >... aangemerkt dient te worden dewijl het de grond is van alle goet en kwaad.], dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: ..., zo volgt daarop dan noodzakelijk ( dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp; 264 >... tusschen ware en valsche Ideen.], ofte dewijle dit of dat te denken ontkennen ware wij[ze]; 265 >... vragen hoe men weet dat men weet.]: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te z[ijn]; 269 Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: ... en dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden; 272 het ware geloof zodanig is en moet zijn, dewijle uijt het zelve niet als de goede begeer[ten]; 274 nnb Want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hier af in de wil geen liefde ontstaan: ... Maar dewijl gewaarworden ook is een begrip en een verwarde Idea, zoo is't dan ook een wijze van verstaan; 276 nnd Soo dan dewijl 'er geen zaake is, die eenige kracht heeft om zig te behouden of om iets voort te brengen, zo rest niet anders als te besluijten, dat God dan alleen is en moet zijn de uijwerkende oorzaak aller dingen en dat alle Willingen van hem bepaald worden; 301 sijn welstand beroven en te vernietigen, dewijle alles' t geene hij is daarin bestaat; 306 zijn van dat oneijndig wezen. en dewijl wij nu mede al bewezen hebben, dat dit; 319 uijt beweeginge en ruste) en dewijle wij klaar en onderscheiden zien dat de; 320 ook beter als ons zelfs kennen wij hem, dewijl wij zonder hem ons zelfs geenzins; 333 want' t is als een deel van' t geheel, dewijl nooijt de ziel zonder' t lichaam noch; 334 moet noodzaakelijk een vereeniging zijn dewijl de een zonder de ander niet en kan best[aan]; 342 hooren zeggen of door ondervinding. en dewijle dan all het geen dat wij in ons bevinde; 349 verstaan konnen worden. en hier om dan dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vere[niging]; 352 en tot een vereenigt, namelijk God. en dewijl nu het lichaam het aldereerste is dat; 365 het laatste eijnde van de natuur, dewijle zij oneijndelijk is en dit onder alle; 367 uijt de gemeenschap met God ontstaat, dewijle hij nooijt en kan laten, maar altijd; 377 Doch dewijl'er heel geen noodzakelijkheid en is om Duijvelen te moeten stellen ...; dewijle wij die zonder zodanige verzieringe genoegzaam gevonden hebben; 384 Doch dewijl dit geen voortgang kan neemen zonder; 390 volgens de 3e stelling. en dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke; 395 Want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn; 400 zij niet van veele en is aangenomen en dewijle U ook niet onbewust is de hoedanigheid; 417 tegen de 3e propositie. Ergo dan, dewijl haar wezen niet en is begreepen; 427 en is niet vereenigt met het voorwerp, dewijlze het noch noch veranderd noch vernietigt; 431 Maar staat nogh aan te merken dat deze wijzingen in aanmerkinge dat geen derzelver dadelijk is, zij nochtans gelijkmatig begrepen zijn in haare eigenschappen: en dewijl in de eigenschappen geen ongelijkheid ter wereld is noch ook in de wezens van de wijzingen, zo en kan'er in de Idea geen bezonderheid zijn aangezien die in de natuur niet zijn: Maar zo wanneer eenig van deze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs onderscheiden van haare eigenschappen ( dewijl als dan hare bezondere wezentlijkheid welke zij in de eijgenschap hebben, het onderwerp is van haar wezen), als dan vertoonter zig; 437 Eijndelijk dan dewijle wij nu verklaart hebben wat het gevoel.
GEVOLG 7x+n+7m; gevolglijk 4x+2n+m; bijgevolg;
041 moetmen het oog ook meer toeschrijven en gevolglijk zo het wezen oneijndelijk is, zo moeten; 092 is hij en van zig zelfs een oorzaak en bij gevolgh van alle andere dingen; 145 lichaam, een ongeboren kind zijnde en in gevolge daarna, en in andere zalt bestaan als; 198 en zo bijgevolg besluijten wij; 237 in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken; 308 >Wat nu in aanmerkinge komt en van groot gevolg is.]; 323 [ge]bruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel hier meer in werkt hoe het; 327 en bij gevolg zoo zij ook het alder heerlijkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogelijk zoude zijn dat eenige van deze Passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken; 345 altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak; 346 deze manier van kennisse niet en is uijt gevolg van iets anders >Deze is niet uijt gevolg van wat anders. en wat hier uijt volgt]; 347 gelijk nu gevolglijk pag. zal aangeweezen worden; 348 de ware liefde uijt haar voortkomt en gevolglijk de vereeniging met God door de liefde; 349 kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk >Bewijs van dat deze niet en is uijt gevolg van wat anders; ziet pag....]; 379 eer wij tot kennisse en gevolglijk de liefde van God konnen geraaken; 393 Voor eerst dan >1. Eerste gevolg.]; 394 >226 082 2. Twede gevolgh ]; 395 >3. Derde gevolg.]; 396 >4. Vierde gevolg ]; 412 het verschil tusschen hun is dadelijk en gevolglijk zo en kan zij [Ax.5] die; 414 veroorzaakt van een ander[Prop. 2] en bij gevolg zoze wezentlijk is, zo isse of; 431 in de wezens van de wijzingen en gevolglijk in de voorwerpelijke wezens, die.
MAAL 4x+n; ANDERMAAL; 10xB; ALTEMAAL; DOENMAAL; NADEMAAL 2x+n; 7xB; MENIGMAAL; meenigmaal; EENMAAL 2x+n; t'eenemaal 3x; eenenmaale; tenenmaal;
*maal* 241xB: Hoe menighmael hebbe ick uwe kinderen willen by een vergaderen, Matth.23:37; Nademael gy het selve verstoot,.., siet, wy keeren ons tot de Heydenen, Hand.13:46; Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de... Hand.13:46; Oock in Thessalonica hebt gy my eenmael ende andermael gesonden, Phil.4:16;
011 dat wij van een Idea die ons eenmaal eerst van de zaake zelfs is hergekomen; 036 Hetwelk ten eenemaal overeenkomt met de beschrijvinge, die; 045 Want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar is, zo; 048 zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt; 061 Z Liefde: Ik zie, Broeder, dat ten eenemaal mijn wezen en volmaaktheid afhangd van; 068 Z aanstonds was ik vervolgd geweest van twee hooftvijanden des menschelijken geslaghts de Haat namentlijk en het Berouw en van Vergeetenheid ook menigmaal ; en alzo keer ik mij andermaal tot de Reeden en dat hij maar voortgaa en aan deze vijanden den mond stoppe; 111 te laten voort te brengen, zo waar't t'eenemaal onmogelijk en dat hij het zoude; 112 Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort; 160 Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand; 172 de doctors die zeeker remedie eeni[ge] maalen goet gevonden hebbende; 215 t geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan late; 273 Al te maal dingen zo verward dat het onmogelijk is; 281 klaar aan alle die welke ten eenenmaale buijten gebruijk van woorden of andere [beduidtekenen]; 290 verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding; 325 zulk een voorwerw[p], dat ten eene maal verscheide zoude zijn van de ziel; 328 en uijt drijvt gelijk door de wijn zulks meenigmaal word verrigt. 337 en nademaal hij bestaat van zodanig een lichaam; 374 Indien de Duijvel een dink is, dat t'eenemaal tegen God is en van God niet niets heeft; 408 wil niet zeggen dat gij die ten een en maal zult bij U houden.
NADIEN 4x; ~B; 'because'; only KV 1/1-3;
ex eo quod 64xE:
016 door iet dat van buijten komt, nadien het almagtig is; 045 en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaa[k is]; 061 nadien de volmaaktheid van het voorwerp't welk; 092 [in een minv]oorneeme oorzaak geen plaats kan hebben, nadien dezelve altijd is in de bezondere dingen.
OMDAT 70x+11n+14m;
007 omdat gelijck het geen magt heeft alle; 016 van hem niet konnen voortgebragt worden, omdat bij onvolmaakt is; 021 n De reden is omdat de Niet geen eigenschappen konnende hebben, de Al dan alle eigenschappen moet hebben: en zo dan de Niet geen eigenschappen hebbende omdat hij niet is, zo heeft de Iet eigenschappen omdat hy Iet is; 023 Deze dan zoude moeten bepaald hebben of omdat het hem aan de magt of aan de wil ontbr[eekt]; 023 kan zijn is hier uijt klaar, omdat ze alsdan noodzaakelijk iet zoude moete; 026 Niet het eerste is waar omdat het niet mogelijk is, dat een zelfstand[igheid]; 027 zo moet dat zijn of omdat die oorzaak niet meer heeft konnen geven of omdat die niet meer heeft willen geeven; 030 selfstandigheden zijn, bewijzen wij, omdat ieder zelfstandigheid in sijn geslacht; 032 meerder ook niet zeggen wij, omdat als dan deze tweede bepaald zoude zijn; 035 1. uijt de oneijndelijke magt Gods, omdat in hem [f.8] geen oorzaake en kan zijn door welke hij zoude hebben konnen beweegt worden het eene eerder of meerder als 't ander te scheppen: 2. uijt de eenvoudigheijd van zijne wille: 3. omdat hij 't geen goet is, niet kan nalaten te doen, gelijk wij hierna zullen bewijzen. 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het zoude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet en kan voortbrengen; 041 konnen verstaan, die zijn deze: 1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat; 042 Ten 3. omdat gelijk wij nu al gezien hebben dat de; 043 zo dan war de vereeninge onmogelijk, omdat wij klaarlijk zien dat zij al heel geen; 044 aan haar wesen toebehoort: Dog omdat wij bewijsen dat ze een eijgenschap van; 066 om dat het zig zelfs en niet omdat het een ander heeft veroorzaakt; 079 wezen van het hoofd heeft toegenomen, omdat het vereenigt was met de borst; 085 menschelijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelf; 086 Want van de nootzaakelijke dingen die vereijscht worden om de zaaken te doen zijn, zijn eenige omdat zij de zaak zouden voortbrengen en andere omdat de zaak zoude konnen voortgebragt zijn; 090 Deze volgende worden Eigene genoemd, omdat zij niet anders als Adjectiva die niet; 091 zig zelfs en niet buijten zig en werkt omdat buijten hem niets niet en is; 092 [minvoor]neembeginnende oorzaak en is in God niet omdat buijten hem niet is dat hem zoude konne; 098 Dog dit zeggen komt hervoort, omdat niet regt begreepen wort, waarin; 099 waarom zij dat doen, de antwoord is, omdat de rechtvaardigheid het also vereischt; 100 God alles' t geen hij doet daarom doet, omdat het in zig zelfs goet is, deze zeg ik; 108 alles zo volmaaktelijk heeft geschapen, omdat dat het niet volmaakter kan zijn; 111 dan ook die oorzaak gebeurlijk zijn, omdat die oorzaak die haar veroorzaakt heeft; 124 nooijt a Priori en kan bewezen worden, omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen; 142 Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins versta dat de mensch voor; 144 5. Wij zeggen wezentlijk zijnde, omdat wij hier niet spreeken van een kennisse; 156 3) derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan; 158 Waan dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt; 164 veldje of aardklootje daar op zij zijn( omdat zij niet anders beschouden) geen andere; 167 in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn; 173 en dan omdat wij in' t volgende zullen aanvangen; 177 buijten mijn verstand seg ik: waarlijk, omdat mij de redenen in dezen niet en konnen; 183 verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van' t goet en kwaad, als; 187 Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot; 189 Ik zeg een onvolmaakt[f. 79] heid, omdat de verwondering door zig zelfs niet tot; 194 en dat om dese twee redenen >Van de liefde tracht men nooijt ontslagen te worden gelijk als van de andere passien om 2 redenen: 1. Omdat het onmogelijk is; de 2. om datse ons nootzaakelijk is.]: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden; 195 Onmogelijk dan is't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en nut, dat wij in het *voorwerp aanmerken >Onmogelijk omdat het van ons niet afhangt, maar van het goet dat in de zaak gezien word... Noodzaakelijk dan ist niet van de zelve verlost te zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan >Noodzakelijk omdat wij zonder met iets vereenigt te zijn niet en zouden konnen bestaan.]; 201 een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lie[fde]; 202 waarom zijn klaar:( 1) *vooreerst omdat wij ondervinden, dat God alleen maar we; 210 hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve; 211 de 37afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets; 212 >... ook tegen eenig mensch en om wat reden.] omdat alles wat in de Natuur is, indien wij; 213 en omdat een volmaakt mensch het alderbeste is; 215 waar bij wij het hier dan laten Dese omdat ze met de Liefde uijt een; 216 is nodig daar af bevrijd te zijn omdat ze ons hindert; 236 als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander( hem voorgedaan hebbende); 245 Op een valsche waan ist dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot; 246 die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een seeker slach; 250 ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doe; 267 is omdat de Idea van bevestiging( of ontkenning); 269 Want hij is bestandig omdat hij van de zaak nooijt anders aangedaan; 278 een Idea maakt van Mensch: en om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg; 278 Want omdat de mensch nu deze dan die will heeft; 279 men antwoordt, om dat zij een wil hebben; 281 om dat 56haar toescheijnt wel iets anders; 283 te weten, omdat wij iets van' t voorwerp komende gewaar; 284 Doch dit komt voort om dat de begeerte niet genoeg van de Will; 293 en dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen; 300 hem alleen beminnen, omdat hij de heerlijkste en alder volmaaktste; 305 daarom >Reden waarom dit gedaan word.] omdat als wij de uijtwerkingen van; 310 deze twe( *) wijzen >Twee wijsen: omdat de ruste geen Niet is.] in het lichaam; 314 in het voorwerp iets kwaads te zijn of omdat het iets beters komt te kennen; 316 en omdat ook deze geesten door oorzaak van het; 317 >...belet worden de geesten te bewegen.] of omdat de beweginge vande geesten veel zijn; 317 veel zijn verminderd of omdat ze veel zijn vermeerderd; 319 en omdat de ziele het eerste het welke de ziele; 337 Doch ik zeg: omdat zij een proportie van beweging en stilt[e]; 342 alleen van hooren seggen hebben: en dat omdat ons de reeden niet van buijten aangekom[en]; 345 die meerder is, te niet gedaan word, omdat wij daar onder geenzins wilden betrekken; 349 ook hier uijt >Vervolg van dit bewijs.], omdat wij door Natuur zodanig met hem vereeni[gd zijn]; 352 Doch omdat deze Idea geenzins kan ruste vinden in; 359 veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem hat; 359 veel min dat hij haar soude lieven omdat sij hem lieven, haten omdat zij hem haten; 363 >En ook wat de menschelijke.]. Reeden, omdat alles wat de menschen voor haare welsta[nd]; 363 reeden, omdat alles watter geschied, niet en is tegen; 371 De 1. reede] omdat zoodanigen dink ons als dan meer zoude; 384 en omdat wij hem( na[f. 165 ] voorgaande bedenki[ngen]; 437 en ook uijt alle deze( gelijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God.
VERMITS: vermids 2x;; 3xB;
195 omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets; 243 somtijds( vermids haar die hebbelijkheid die vereischt.
WANT 165x+62n+12m adv.;
005 maar niet van de zaak zelfs is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter; 011 een verzieringe is, dat is ook vals: want het is onmogelijk die te hebben zoo; 012 in dezelve so groot een onderscheid? want Wij zien eenige die het onmogelijk is; 013 als de voorgaande alleen datze kan zijn: want die haar wesen was wel noodzakelijk; 014 of wesentheid van eenige zake afhangt: want als in de tweede soorte van Ideen; 015 n want dat deze het al soude zijn, van de welke dit volmaakte wezen zoude bestaan, ja maar integendeel bevinden wij... en van waar is deze Idea van volmaaktheid? Dit zulks iets dan en kan niet voortkomen van deze twee: want twee en geeft maar twee en geen oneijndige, ergo dan van Waar? ... die ons zeggen dat z'er zijn zonder nogtans ons tot nog toe te zeggen wat zij zijn. want van twee en weten wij maar wat zij zijn; 017 [als] hy' t geen aan God eigen is verstaat; want die dingen sijn geen eigenschappen Gods; 018 n De oorzaak van deze veranderinge zoude moeten zijn van buyten of in haar: Niet van buyten, want geen zelfstandigheid die als deze door zig zelf is, hangt van iets buyten hem af: ergo geen verandering daarvan onderwurpen. Ook niet in haar, want geen zaak veel min deze wil zijn zelfs verderf; 019 Ja nog beter a priori. want de dingen die men als zodanig bewijst; 023 n niet zij haar zelve want onbepaald geweest zijnde, zoude zij haar geheel wezen moeten verandert hebben. Van een ander isse ook niet bepaalt: want die moet zijn bepaald of onbepaald; niet het eerste, ergo 't leste, ergo 't is God. ... 't welk onmogelijk is. want van waar heeft ze dat daar in ze verschilt van God; 024 n Niet van God altijd, want die en heeft niet onvolmaakts of bepaalts enz. Ergo dan van waar als van de Niet? Ergo: geen zelfstandigheid als onbepaald. Waar uijt volgt, datter geen twee gelijke onbepaalde zelfstandigheeden konnen zijn: want deze stellende, isser noodzakelijk bepaling. ... Niet het 1. want dan waren twe gelijke. Niet het 2. want dan wasser een bepaalde. Niet het 3. want van de Niet komt geen Iet. Ten anderen: als van de onbepaalde een bepaalde kwam, zo wierd de onbepaalde ook bepaald enz. Ergo de eene zelfstandigheid kan d'ander niet voortbrengen. en uijt dit volgt dan alweer dat alle zelfstandigheid formelijk moet zijn, want niet [zijnde], daar is geen mogelijkheid te konnen komen; 028 niet anders konde zijn, is niet gezeit: want de natuur van de zaak kan niets vereisc[hen]; 030 in sijn geslacht volmaakt is, want zo' er twee gelijke[f. 6] waren, zo; 032 Niet het laatste is, want van de Niet kan geen Iet voortkomen; 041 maar een eenig wezen is en geenzins verscheijde, want wij die de eene zonder de ander en d'ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan, ... 't welke alles in allen moet gezeijt worden. want hoe aan een wezen 't welk eenige wezentheijd heeft, moeten eijgenschappen gezet worden en zo veel wezentheijd als men het meer toeschrijft, zo veel eijgenschappen moetmen het ook meer toeschrijven; 045 geenzins en scheijnt te konnen vallen: want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar; 047 werden geconcipieert, is onmogelijk, want door haar natuur zijn alle deelen eijnd[ig]; 048 n In de natuur dat is in de zelfstandige uijtgebreidheid: want die gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt, ... Maar zegt gij, alss'er beweging in de stof is, die moet in een deel van de stoff zijn, want niet in 't geheel, dewijl die oneijndig is, want waar heen zou die bewogen worden? Buijten haar is niet; ergo dan in een deel. Antwoord: daar is geen beweging alleen, maar beweging en stilte zamen; en deze is in het geheel en moet daar in zijn, want daar is geen deel in de uijtgebreijdheijd; 049 n Niet het eerste, want daar is geen ijdel, dat stellig en geen lighaam is. Niet het twede, want dan wass'er wijze, die'er niet kan zijn, want de uijtgebreidheid als uijtgebreidheid is zonder en voor alle wijze. Ergo dan het derde en zo en iss'er geen deel, maar de uijtgebreidheid geheel; 053 is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van datgeen; 056 >... want het zig zelfs als' t rust onmogelijk ni[et bewegen kan]; 057 is het voor ons hier op te antwoorden; want wij staan toe, dat indien het lighaam; 058 namelijk Denking en Uijtgebreijdheid: want hier spreeken wij maar alleen van eijge; 063 Z waarheid hiervan is mij ontwijffelijk: want zo wij de Natuur willen bepaalen; 064 Z in de Natuur zie, te zamen overeen komt. want hoe? Ik zie dat de verstandige zelfstan[digheid]; 065 Z U zelven in openbaare strijdigheeden; want zo deze derde gesteld word buijten; 068 Z terstond mijn verderf gevloeijd is? want zo ik mij ooit met datgene' t welk gij; 069 Z want klaarlijk zie ik dat'er maar een Eenige is, de welke door zig zelve bestaat van alle de andere eigenschappen een onderhouder is... zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de zelfstandigheden van de welke zij afhangen: want als door zig zelfs bestaande en worden zij van u niet begrepen; 071 Z een zeer groote verwerringe; want [f.22] gij schijnt, te willen dat het geheel iets zoude zijn buijten of zonder zijn deelen, dat voorwaar ongerijmt is. want alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tweede kundigheid; 072 Z vermengd gij het geheel met de oorzaak: want gelijk ik zegge, het geheel bestaat; 075 Z kond gij hem een verder oorzaak noemen? want dat is in een Inblijvende oorzaak; 076 Z klaar hebt konnen afneemen. want ik heb ook gezeid, dat wij hem in eenig; 077 Z geen inblijvende oorzaak zijn.[f. 25] want zo hij en' t geene van hem is; 079 Z was met de borst? Dat is bedrog. want het is het zelfde dat het te vooren was; 085 Z Want ik zie dat gij besluijt dat het menschelijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd. Nu dan het is onmogelijk, dat 'er meer van nooden is geweest om een zodanig verstand voort te brengen als alleen de eigenschappen Gods; want om te zijn een wezen van zo een uijtsteekende volmaaktheid, zo moet het alzo wel als alle andere dingen die onmiddelijk van God afhangen, van eewigheid geschapen zijn; 086 Z onmiddelijk te konnen voort brengen. want van de nootzaakelijke dingen die; 087 Z uijt mijne woorden hebt konnen afneemen. want God, heb ik gezeid, word alleen; 090 maar nogtans is door deze geen God; want zij niet zelfstandigs door welke God; 093 anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om; 095 want het is buijten alle twijffel waar, dat God alles eeven zo volmaakt kan uijtwerken als het in sijne Idea is begreepen; ...; zonder nogtans in God te stellen een minvoorneem-beginnende oorzaak, die hem zoude bewoogen hebben te doen, want als dan en waar bij geen God; 097 is en datze van God is veroorzaakt, want van alle onvolmaaktheid is de grootste; 098 te doen, hij niet volmaakt zoude wezen: want het goet doen of; 100 Geenzins, want alsdan en kond'se geen Rechtvaardigheid wezen. ... Doch 't verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij verpligt of verbonde zoude zijn; 103 't Welk dan valsch is. want aangezien God de eerste oorzaak is van; 106 want het is openbaar, dat geen ding; 110 beide zijn zij valsch. want wat het eerste aangaat; 112 door welke [o]orzaak iets wezentlijk is; want die niet zijnde, was 't onmogelijk dat het iets zoude zijn. .. wij zeggen, dat er alheel geen [regel] schijnt van nooden te zijn. want indien de wezentlijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken; 113 dat deze en geene wille van den mensch( want de wezentlijkheid vande wil van de mens; 116 in haar voor een onwetenheid aangemerkt, want eerst de bijzondere alle alleen hebben; 118 buijten tijds te doen slaan te maaken. want alle dingen en werken die inde Natuur; 125 edog nooit en verklaren wat de zaak is. want alhoewel van zig zef zelfs bestaande; 128 zijn, zo en kan men niets niet weten: want indien wij volmaaktelijk een zaak door; 130 zij meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van; 134 is hier niet in ernst gezeid. want den Autheur meent daaraf de oorzaak nog; 138 want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is of ons niet zo nuttelijk als iet anders. want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is 140 want indien goet en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zij dan hare beschrijvinge hebben. Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven. Ergo. ut supra volgt; 142 lichaam bestaat, een selfstandigheid is. want wij hebben nu[f. 61] alvoorens in het; 143 of een wijze; geen zelfstandigheid want wij hebben al beweezen, dat er geen; 145 is van beweging en stilte en geen ander: want zoo' t lichaam is, zoo is de ziel, Idea; 149 grondvest als valsche onderstellingen. want dewijle de natuur van de Stoffe; 150 verstaan kan worden, dat ontkennen wij. want wij hebben alreeds bewezen Dat; 155 dat ook deze de dooling onderwurpen is. want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt; 160 >... ontstaan alle de Lijdingen in de Ziel.]. want wij t' eenemaal onmogelijk achten dat; 162 zaake op de eerste[f. 69] wijze kent, * want dewijl hij van eenige bezondere een; 165 opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en; 168 >... van de liefde, ontstaat uijt waan.]. want zo iemant een besluijt gemaakt heeft; 169 want alles watter ook is off bedagt wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; ... inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden; 171 De eerste beschrijvinge is de beste: want als de zaak genooten word, zo houd de; 172 de eerste manier van kennen voortkomt. want niemand gehoort hebbende van een dink; 176 twe een groot onderscheid is. 2040 2b want gelijk wij in ons exempel van de regul; 177 n Dat de Zaake waarlijk en sodanig is buijten mijn verstand seg ik: waarlijk, omdat mij de redenen in dezen niet en konnen bedriegen want anders en verschilden ze niet van de waan; sodanig, want het kan mij maar alleen aanzeggen wat de zaake behoort te zijn en niet wat zij waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten; buijten, want het doet ons verstandelijk niet het geen in ons, maar 't geene buijten ons is, genieten; 185 n want uyt geen bijzonder schepzel kan men een Idea die volmaakt is hebben; want deze hare volmaaktheid selve of ze waarlijk volmaakt is of niet, en kan niet afgenomen worden als uijt een algemeene volmaakte Idea of Ens Rationis; 187 want de waan brengt ons dikwijls in dooling; 195 of aan ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en; 196 versterkt en werden want door de zelve en bekomen wij geen; 197 >... maar sij zijn ons ook schadelijk.]. want wij hebben gezeid de liefde te wezen; 198 vereenigt word. want deze dewijlze buijten sijne macht zijn; 199 vergankelijke dingen af te scheiden. want door' t geene wij nu geseijd hebben, wo; 201 kennende onmogelijk die zouden beminnen. want God kennende konnen wij niet laten hem; 203 >... voor in kennisse van alle andere dingen, want die sonder hem niet konnen gekend werden.]: ... Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here onse God? want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed; 207 zonder ontsteltenisse des gemoeds( want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan; 210 Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn; 213 want als dan eerst konnen wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport >De goede conscientie en bedriegt ons noijt.]; 214 >... de liefde volmaaktheeden en waarom.]. want deze werkt altijd verbetering; 216 want zij komt voort van' t verlies van eenig [goed]; 217 en dit beijde met blijdschap. want ' t is zottelijk een verlooren goedt; 218 in geen droefheid kan vervallen. want hoe? Hij rust in dat goet; 225 want wat belangt de Edelmoedigheid en Nedrigheid, deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. want wij zeggen dat den bezitter deszelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend. Het welk het voornaamste is zo ons de reeden leerd, waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. en wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat; 226 zij ontstaat ontstaan uijt zekere waan. want wij zeiden dat zij toegepast word aan; 227 >... Nedrigheid kwaad en verdervende.]. want geene en steld niet alleen den bezitter; 237 dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben,; 238 want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren want van deze hebben zij haar zijn)> Hoop en Vrees ( want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben; 240 >... flaaumoedigheid en vervaartheid.]: want alles wat zij t' onsen voordeel doen; 242 en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt; 244 want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid; 245 >... een onvolmaaktheid te kennen geven.]. want of het geene zij bespotten is zodanig; 249 >... ijdel en onvolmaakt zijn en waarom.]. want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen; 253 >... plaats hebben en de reden waarom.]. want een volmaakt mensch woord maar alleen d; 256 de zelve terstond kwaad keuren. want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het; 257 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden; 259 de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind; 265 want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is; 269 of eenige veranderinge lijden want hij is bestandig omdat hij van de zaak; 272 oorzaak door de welke datze zij, want aangezien tot het wezen des zelfs; 273 onderscheidene zelfstandigheden. want de zelfstandigheid word gemodificeert; 274 n want dewijl de Idea niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt en volgens dezen zet regul dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan overgaan in de ander zelfstandigheid, zoo en kan hier af in de wil geen liefde ontstaan: want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid dat men iets zoude willen welker zaaks idea niet is in de willende mogentheid; 275 n want neemt dat het lichaam met de ziel vereenigt was na de gemeene stelling der Philosophen, nochtans zo en gevoelt het lichaam nooijt, nog de ziel wordt niet uijtgebreijd. want dan soude een Chimera waar in wij twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden, dat is valsch. Als men zegt dat de Ziel en 't Verstand en de Wil bestuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vrij is, dat tegen hun is; 276 n Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer; ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word; 278 >... dat de wil iets wezentlijks is.]. want omdat de mensch nu deze dan die will he[eft]; 279 deze zaak zeer dikwils gebeurt.]. 2160 4b want als men iemand vraagt,[f. 117 ] waarom; 280 want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent > want de zaak zelfs en niet wij bevestigt of ontkend in ons van haar zelve.]; 282 en dienvolgende isser geen valschheid. want de valsheid hebben wij gezeid te zijn; 283 beantwoord zullen zien: want wij hebben gezeid, dat het voorwerp de; 284 van de Wille en word onderscheiden. want de Wil bij die, die de Wille stellen; 288 onder zig twee gedaanten bevattende. want hij zeit de Wille te zijn die lust; 291 Immers niet door iets dat het beter kend, want dit is het all dat het kend: Niet ook om dat het kwaad bij hem is, want hij kend niets anders... Doch deze vrijheid kan geen proef houden. want wat zoude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigen? De lust zelve? Neen zeeker. want niets en isser dat door sijn eigen natuur sijn zelfs verderf zoekt; 294 zulks noodzakelijk te zijn. want dog: op ons zelven aangemerkt zijnde en; 297 >... zij voordeelig aan het gemeene best.]. want door haar zal een rechter nooijt meer; 299 eijnde hij haar geen kwaad zoude doen. want hoe dog zouden wij God konnen vrezen; 300 want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid. want de eenigste volmaaktheid en het laatste einde van een slaaf en van een werktuig is ditt; 304 n Seer ligtelijk konnen wij dat doen: Verstaat, als wij grondige kennisse hebben van goet en kwaad, waarheid en valsheid: want dan is 't onmogelijk dat onderworpen te zijn, uijt het welk de passien ontstaan: want het beste kennende en genietende, heeft het slegtste op ons geen magt; 307 die uijtgebreidheid heeft: want ditt( gelijk wij nu al vooren in het ee[rste]; 308 want bij aldien deze kragt en uijtwerkinge niet in de Natuur en was, het soude onmogelijk zijn (schoon ook in de zelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die iet wat wezen door het welke hij meer als een ander dat iets kan voortbrengen; 316 >... oorzaak te weten in ons gewaar worden.]. want anderzins gewoonlijk zijn ons de redene; 318 >... en komt niet voort van' t lichaam.]: want in het lichaam en zijn geen andere ding; 319 in het lichaam maar alleen in de ziele( want alle werkingen van het lichaam moeten; 320 Ik zeg naauwer, want wij hebben nu al te vooren bewezen dat; 321 >... en zijne uijtwerkingen hier in doet.]. want , wat aangaat het Lichaam met zijn; 322 niet voor zoo veel het een lichaam is( want dan waar het lichaam de voornaamste; 323 n 't welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt: want die werkende, zijn de verheugingen waarlijk en van een ander slag. want dan werkt geen lichaam in lichaam, maar de verstandelijke ziel gebruijkt het lichaam als een werktuijg en gevolglijk, hoe de ziel; 324 van lichaamelijke dingen ontstaan: want deze zoo wij hier na noch zullen zeggen; 325 werken als nu het lichaam wel doet. want immers en zoude het niet anders konnen; 326 veroorzaaken en niet anders noch meer; want ' t en zoude niet meer in de natuur; 333 van de ander, in de ander werkt: want ' t is als een deel van' t geheel; 334 n want daar is geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak moet ook wezen... tusschen welke een groot onderscheid is: want de Idea's in God en ontstaan niet gelijk in ons; 336 want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt als ex:gr. het lichaam van Petrus en weder een ander als het lichaam is van Paulus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen... en hierom dan zo en kan ze ook geen steen die rust off stil leijt, beweegen: want de steen maakt wederom een ander Idea in de ziel; 338 eenige stilte konnen veroorzaaken. want nadat wij onse geesten een langen tijd; 339 deze stilte, doch niet als indirecte: want zij en brengt de stilte in de beweginge; 340 die alleen geheel de Natuur is: want een deel buijten zijn geheel aangemerkt; 343 en konnen door de Reeden overwinnen; want deze en zijn in ons niet anders als een; 344 leert ons de ervaringe, want etc: siet pag. 80, 127 ; 345 want de mogelijkheid die ons de zaake zelve geeft is altijd meerder als die wij bekomen uijt gevolge van een tweede zaak gelijk wij dit onderscheid zo aangemerkt hebben, spreekende van de redenering en van het klaar verstand, pag. 64, en dat met de gelijkenisse van de regel van drien. want meer mogelijkheid is in ons uijt het verstaan van de regul zelfs, als uijt het verstaan van de regul van proportie; 347 zo veel van zeggen en schrijven? want wie en ziet niet hoe gevoeglijk wij; 348 als wij op deze manier God komen te kennen, wij dan noodzakelijk ( want hij zich niet anders als de alderheerlijkste en aldergoetste en kan vertonen noch van ons gekent worden) met hem moeten vereenigen ... maar het is ons genoeg dat wij hem om met hem vereenigt te zijn, eenigzins kennen. want ook de kennisse die wij van't lichaam hebben, en is niet dat wij het kennen zo als het is of volmaaktelijk; 351 moet en dat wij de zone Gods noemden. want aangezien dat God van eewigheid geweest; 352 want aangezien geheel de Natuur maar een; 352 uijt het lichaam sijn eerste wezen; want ze is maar en reprezentatie van' t lich[aam]; 353 uijt deze vereeniginge ontstaande: want deze noodzakelijk moeten mede gesteld z; 354 waarheid zeggen weder geboren te zijn. want onse eerste geboorte was doen als wij v; 356 vergaan, zij als dan ook moet vergaan: want het lichaam zijnde het fondament van ha; 357 want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen [f.151 ] te niet gaan? Niet door haar zelve want alzo wijnig als zij door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij ook nu zij zo is, of veranderen of te niet gaan; 359 So zal dan nog overig zijn eens te zien( want tot noch toe hebben wij gesprooken van; 360 want zo zoude men moeten onderstellen dat de menschen soodanig iets vrijwillig zouden doen... Daarenboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken.>Ook niet schoon zij hem lieven want dit zoude een God vereischen die veranderlijks is.]; 362 want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden >Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem als hij die gedaan heeft te belonen. want de wetten Gods en konnen niet werden overtreeden...]; 364 >... menschelijke niet en de reden waarom.]. want niettegenstaande de menschen; 367 >... de ander niet word getoond.]. want belangende de wet die uijt de gemeensch[ap]; 369 door woorden altijd niet want als dan most de mensch alvooren geweten hebben de beteikenisse van die woorden eerze tot hem gesproken wierden, als bij exempel, Zoude God aan de Israeliten gezeid hebben Ik ben Jehova uwe God, zo mosten zij dan al te vooren geweten hebben zonder de woorden, dat hij God was, eer zij konden verzekerd zijn dat hij het was: want die stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was; 370 >... zoude ook niet nodig zijn en waarom.]: want aangezien dat geene in ons' t welke God; 372 want hoe is 't mogelijk dat wij uijt een bepaalde een oneijndelijke en onbepaalde zaak souden konnen besluijten? want of wij alschoon eenige werkinge of werk in de Natuur bemerkte welkers oorzaak ons onbekend was, zoo is't nochtans; 373 het God is en de rede waarom.]. 224 13 want of' er om dit voort te brengen Veel oor; 376 > want hij zoude geen ogenblik konnen bestaan.]. en zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak; 384 >.. en word dan gezeid wat het is.]. want buijten Hem hebben wij gezien, dat geen; 387 van de doening en te min van de lijding. want ' t is zeeker dat de doenende werkt door; 388 doende en niet van een i[n] nerlijke: want geen zaak op zich zelfs zijnde aangemerkt; 390 lang deze[f. 167 ] sijne oorzaak blijft. want een sodanig gevrocht gelijk het niet en; 391 het alderbeste past, is de inblijvende: want deze oorzaak daar van hangt het gevrocht; 394 Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak; 395 want dewijle zij innerlijke gevrochte zijn, zo zijn zij de aldervoortreffelijkste volgens de 5e stelling en daar en boven zijn zij ook noodzakelijk eeuwig, want sodanig is haar oorzaak; 396 een zelve natuur met ons uijt te maaken. want op deze wijze zijn zij de innerlijke ge; 397 >De lezer lette hier wel op, als mede op 't geene hier uijt volgt, want van dit hangen af zaaken van groot belang nopende de bestuuringe van 's menschen leven.]. want met dezelve gelijkheid konnen wij alle deelachtig zijn aan dit heijl gelijk het zo is als dit in hem voortbrengt de zelve begeerte die in mij is; 00 deze nieuwigheeden, want zeer wel is u bekend hoe dat een zaake; 410 dadelijk of toevallig; niet toevallig, want dan waren de toevallen door haar natuur; 412 hebben iets van zulk een uijtwerking, want het verschil tusschen hun is dadelijk; 414 2e, zoo isse noodzakelijk ook zodanig, want [Ax. 6] zich zelfs en zoudeze niet; 425 moet zijn in de denkende eigenschap: want [f. 178 ] zoodanig een Idea sleept met; 427 noch klaarder gezien word: want de eigenschap als eigenschap en is niet; 429 want zij zelve zijn de onderwerpen van haare wezens > want de dingen worden onderscheiden door't geene het eerste is in haar natuur, maar dit wezen der dingen is voor de wezentlijkheid, Ergo.]; 433 wezen van onze zielen uijt te drukken, want dit is ons eigentlijke voornemen.