DENKEN

DENKEN 18x+3n;

bedaght;

bedenkingen;

denk 2x;

denkbeeld (5x);

denkbeeld 12x;

denkend 21x+9n+2m;

denking (14x);

denking 11x+9n+m;

denkings m;

gedacht 2n;

gedagt;

denk* 37xB (een kwaad denken, gedachten denken): Wee dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is, Micha 2:1;

cogita* 160xE (modus cogitandi; res cogitans);

Related concepts: idee

'Wijze van denken, denkende zaak, denkende eigenschap, denkende zelfstandigheid, denking' are used for the concept 'thinking' (cogitatio) as one of the two attibutes distinguished by Spinoza. The connotation of each of these alternatives is determinant for the choise in a particular context Less frequent is the use of 'denken' in non technical sense for thinking. 'Denkbeeld' occurs technically as synonym af idea.

043 geen gemeenschap te zamen hebben als denking en uijtgebreidheid, daar van wij nogtan;

044 Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande;

069 gij een denkende zelfstandigheid noemd;

070 dat en de Oneijndige uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenschappen;

072 't dat gij de denkende kraght verbeeld als zaak van de welke het Verstand, de Liefde, enz. afhangd;

080 -1 Tot meerder klaarheid zal ik u een ander voorbeeld stellen namentlijk een denkbeeld, het welk ik hebbe van een driehoek en een ander ontstaande door uijtstrekking van een van die hoeken, welke uijtgestrekte of uijtstrekkende hoek noodzakelijk gelijk is met de twee teegengestelde innerlijke, en zo voort. Deze, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw denkbeeld na dat de drie hoeken van den driehoek gelijk zijn met twee regte. Welk denkbeeld met het eerste zo vereenigd is, dat het zonder dezelve niet bestaan nogh begreepen kan worden en van alle denkbeelden die een ieder heeft, maaken wij een geheel ofte ('t welk hetzelfde is) een wezen van reeden, 't welk wij Verstand noemen. Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met het voorgaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen verandering vald, maar integendeel zonder de minste verandering blijft. en hetzelve kont gij ook zien in een iegelijk denkbeeld, dat in zig liefde voortbrengd: welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen.

087 -8 Maar om in ons een denkbeeld van God voort te brengen en word geen ander bezonder zaak vereischt, die daar hebbe het geen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen ... Dog dit zeg ik u dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen;

120 het welk tot de denking. [behoort];

143 uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking;

126 dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn

143 n 2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de denking. 3. De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht en een eigenschap van God. 4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk zijnde, zo van zelfstandigheeden als van wijsen, niet uitgezondert;

145 wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is;

148 alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap (tl.5x; 4xVMZ);

169 Want alles watter ook is off bedagt wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve;

308 dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is;

309 >niet van iets anders te bestaan als van denking en uijtgebreidheid.];

313 De voornaamste uijtwerkinge van de andere eigenschap is een Begrip van zaaken zoodanig dat na dat zij die komt te bevatten, daar uijt hervoortkomt of Lievde of Haat etc >Van des denkings uijtwerking welkers voornaamste is een begrip van zaaken uijt de welke liefde haat of droefheid etc. volgt.]. Deze uijtwerkinge dan aangezien zij geene uijtgebreidheid met zig brengt, zo en kanze ook aan de zelve niet toegepast worden zonder alleen aan de denkinge >Waarom zij geen uijtgebreidheid is of aan dezelve kan toegepast worden, maar de oorzaak van alle hare veranderinge in de denkende zaak moet zoeken. Ziet daarvan pag…. Tot en voorbeeld zij de liefde.];

334 n Daar is geen zaak in de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en wezentlijkheid t'zaamen;

384 en omdat wij hem (na voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te;

397 Maar niet zo mijn eenige eijnde dat ik trachte te bereijke is te mogen smaaken de vereeniginge met God en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bekend te maaken;

399 Dat het namelijk is een vaste wezentlijkheid de welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniginge met God verkrijgt om en in zich zelve te konnen voortbrengen denkbeelden;

419 De mensch aangezien hij een geschapen eijndige zaak enz. is, zo is 't noodzaakelijk dat het geen hij heeft van denking en 't welk wij de Ziel noemen, zulks zij een eigenschap van die eigenschap die wij denking noemen zonder dat tot sijn wezen eenig ander ding als deze wijzing behoort: en dat zo zeer dat zo deze wijzing te niet gaat, de ziel ook vernietigt word alschoon dat de voorgaande eigenschap onveranderlijk blijft;

421 onmiddelijkste van de eigenschap die wij denking noemen, voorwerpelijk in zig heeft;

422 dat van al dat geene' t welk in de denking voortgebracht word eene;

424 de Idea of het voorwerpelijk wezen het welk van zoodanig lichaam is in de denkende eigenschap;

427 aangezien het voorwerp van de denking niets en heeft en van de ziel dadelijk;

Concordance *denk* *dacht* *dagt*

013 , schoon ik of geen mensch ooijt om haar gedagt hadde. en hierom dan en zijn zij van mi;

013 lichaam enz. Alsoo dat alschoon ik eerst dacht , dat ik die verzierd hadde, daarna noch;

043 eel geen gemeenschap te zamen hebben als denking en uijtgebreidheid, daar van wij nogtan;

044 Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo vers;

060 d dezes en nader opening hebben wij goet gedagt , deze volgende reedenen hier bij te voe;

070 dat en de Oneijndige uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenscha;

070 scheijde wijzen zijn van' t geen gij een denkende zelfstandigheid noemd, die gij alles to;

072 oor sijn deelen en alzo is' t dat gij de denkende zaak kraght verbeeld als zaak van de we;

080 f. 26] voorbeeld stellen namentlijk een denkbeeld , het welk ik hebbe van een driehoek en ;

080 e, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw denkbeeld na dat de drie hoeken gelijk van den dr;

080 riehoek gelijk zijn met twee regte. Welk denkbeeld met de het eerste zo vereenigd is, dat ;

081 Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met de het voorgaande, da;

081 efde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen.

081 en van alle denkbeelden die een ieder heeft, maaken wij een geh;

081 tzelve kont gij ook zien in een iegelijk denkbeeld , dat in zig liefde voortbrengd: welke l;

087 alleen een zodanig in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te;

087 r gaat tot het ander. Maar om in ons een denkbeeld van[f. 30] God voort te brengen en wor;

088 j van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vere;

100 fs goet is, deze zeg ik, zullen mogelijk denken , dat ze met ons niet verschillen. Doch';

100 Zoude de Rechtvaardigheid, denk ik, wel konnen nalaten rechtvaardig te;

120 is alwetende, wijs, enz. het welk tot de denking , en weder dat hij is overal, alles verv;

126 om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch versta;

134 inge in de Stoffe ende het verstaan inde denkende zaak[f. 55] Nota.' t geen hier van de ;

136 Het angaande het Verstaan in de denkende zaak, deze zowel als het eerste is meed;

143 uijtgebreidheid om etc. ergo dan van de denking . 3. De zelfstandige denking dewijl ze n;

143 e uijtgebreidheid of van de zelfstandige denking; niet van de uijtgebreidheid om etc. er;

143 een eigenschap van God. 4. Een volmaakte denking moet hebben een kennisse, Idea, wijze v;

143 o dan van de denking. 3. De zelfstandige denking dewijl ze niet bepaald kan zijn, is one;

143 oet hebben een kennisse, Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaak wezentlijk z;

145 een kennisse, Idea enz. moet zijn in de denkende zaak en zo voort dan ook de ziel van on;

145 Om dan zo een Idea, Kennisse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaa;

145 dea, kennisse etc. van ons lichaam in de denkende zaak als nu; maar geenzins de zelve, de;

145 sse, wijze van denken in de zelfstandige denking te veroorzaaken als nu deze onze is, wo;

147 . 15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende zelfstandigheid, zo had ze ook deze ben;

148 zodat alles' t geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die ;

148 n heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast he;

163 omen gewaer te worden, daarof wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwe;

169 Want alles watter ook is off bedagt kan worden wort in vergelijkinge van he;

184 kwaad, al het welke maar Wijzen zijn van denken .

217 ontslaan.' t Welk wij doen konnen met te denken op d middelen van het verloorne weder t;

243 afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken , dat haar deze Knaging en Bero;

264 f dat te denken ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben a;

264 sche Ideen.], ofte dewijle dit of dat te denken ontkennen ware wijze van denken zijn en;

266 ard.]; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iema;

266 kt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt. Met dit gezeid dan word;

268 eeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat

268 n veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde;

269 e ander: en zo ook om dat die wijzen van denken , welke met de zaak overeenkomen, meer o;

279 t te willen en daarom maar een wijze van denken een ens rationis en geen ens reale Daar;

280 le, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat t;

300 lmaaktheid: Dogh indien hij zoude willen denken , dezen Bijl heeft mij nu zoo wel gedien;

308 dat willen wij ook gezeid hebben van de denking en van alles watter is.

309 niet van iets anders te bestaan als van denking en uijtgebreidheid.]. Om dan eens klaar;

309 n ons als de uijtwerkingen van de denkende zaak en die van de uijtgebreidheid, wij;

311 t onmogelijk dat die door de kracht van denken of iets anders zal konnen bewoogen word;

311 . Alzoo dat dan volgt dat geen wijze van denken in het lichaam of beweginge of ruste za;

313 ervoortkomt of Lievde of Haat etc Van des denkings uijtwerking welkers voornaamste is een

313 et toegepast worden zonder alleen aan de denkinge Waarom zij geen uijtgebreidheid is of a;

313 oorzaak van alle hare veranderinge in de denkende zaak moet zoeken. Ziet daarvan pag.... ;

314 in de uijtgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wij dit in ;

333 de Natuur of daar is een Idea van in de denkende zaak voortkomende uijt haar wezen en we;

333 . Daar moet ook een eijgenschap zijn van denken pag... 6. Daar is geen zaak in de Natuu;

334 geen zaak welkers Idea niet en is in de denkende zaak en geen Idea kan zijn of de zaak m;

335 ns eens erinnerende het geene wij van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal;

335 s[f. 142 ] hebben wij mede gezeid dat de denkende zaak ook maar een eenige in de natuur w;

336 en bewogen worden door eenige manier van denken om reden als boven.

336 lke de ziele maakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Pe;

336 lus, daar van daan komt het datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te wee;

337 als deze Idea van dit zijn lichaam in de denkende zaak. en om dat dit lichaam een bewegin;

337 lk noodzakelijk een Idea moet zijn in de denkende zaak en die Idea noodzaakelijk vereenig;

340 heidenst begrijp hebben; doch dit kan de denkende zaak alleen, die alleen geheel de Natuu;

351 geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn, welke ;

352 lichaam, zo geheel als bijzonder, in de denkende zaak.]. Doch omdat deze Idea g;

352 r kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat di;

355 en wij gezeid te zijn een Idea die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes z;

359 bben gezeid, dat aan God geene wijze van denken buijten die de welke in de schepzelen z;

374 te zijn eenig denkend dink Hij kan geen denkende zaak zijn zodanig zij willen.] dat al h;

374 Stellen wij hem met eenige te zijn eenig denkend dink Hij kan geen denkende zaak zijn zo;

376 andigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vere;

376 heid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? De reeden waarom is;

384 en omdat wij hem( na voorgaande bedenkingen en overwegingen) ondervonden hebben te ;

397 d en in mij voort te brengen waarachtige denkbeelden en deze dingen ook aan mijn naasten bek;

399 zelve te konnen voortbrengen denkbeelden en buijten zig zelve gevroghten, met si;

419 en eigenschap van die eigenschap die wij denking noemen zonder dat tot sijn wezen eenig ;

419 noodzaakelijk dat het geen hij heeft van denking en' t welk wij de Ziel noemen, zulks zi;

421 onmiddelijkste van de eigenschap die wij denking noemen, voorwerpelijk in zig heeft het ;

422 elijk dat van al dat geene' t welk in de denking voortgebracht word eene oneind;

424 n het welk van zoodanig lichaam is in de denkende eigenschap.

425 dink, wezentlijk zijnde, moet zijn in de denkende eigenschap: Want zoodanig een;

425 Z07a en dienvolgende zoo en kanner in de denkende eigenschap geen andere wijzing gegeven ;

426 ) geen ander dink vereijscht word als de denkende eigenschap en het voorwerp( of vormelij;

427 an de ziel aangezien het voorwerp van de denking niets en heeft en van de ziel dadelijk ;

428 of voorwerpelijk wezen inde denkende eigenschap, ontstaande van het wezen ee;

435 van dese wezentlijke proportie is in de denkende eigenschap dat( zeggen wij) is de ziele;