DEWELKE

DEWELKE (which) 19x+3n; welke;

185 xB: Twee zoogende koeijen, op dewelcke geen jock gekomen en is, 1 Sam. 6, 7;

120 Aangaande de eigenschappen van dewelke God bestaat, die zijn niet als;

076 gezegd als in opzigt van die dingen, dewelke God( zonder eenige omstandigheeden als;

226 dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid die aan hem;

066 nogtans zoude hij almagtiger zijn, die dewelke en zig zelve en daar en boven nog;

098 of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt;

098 waarin de Ware Vrijheid bestaat; dewelke geenzins en is zo zij waanen;

074 en niet van de inblijvende oorzaak dewelke geenzins iets buijten zig zelve;

078 het vereenigen van een ander zaak met dewelke het een geheel maakt;

027 hij wel konde, smaakt na wangunst, dewelke in God die alle goet en volheid is;

045 dewelke in een volmaakt wezen geenzins;

005 behoort een eigenschap dewelke is Zijn. Ergo;

034 die het beginzel is van de dingen dewelke uijt haar eijgenschap voorkomen;

042 moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij;

042 een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort;

041 De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben;

015 en geven ons geen vergenoeginge door dewelke wij onszelve konnen voldoen;

130 maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij;

115 Ideen gesteld hebben, met dewelke zij meinen, dat de bezondere;

130 van de eigenschappen zijn en zonder dewelke zij ook niet en konnen bestaan noch ver[staan worden];

126 zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn.