DOCH (however, though) 56x+11n+5m; dog 29x+5n+m; dogh 4x; edoch; edog 4x; 010; 039; 053; 064; 093; 093; 112; 119; 127; 133; 134; 140; 141; 146; 151; 155; 167; 173; 242; 253; 264; 264; 291; 294; 299; 323; 330; 339; 340; 376; 382; 382;
129 Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en [achte verbonden];
125 welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is.
060 Edog hoe en op wat wijze *deze eijgenschappe;
382 als of een vis woude zeggen(voor welke doch buijten het water geen leven is);
264 wat schade doch d'ander met door zijn valsheid heeft;
167 also die niet uijt waan komt; doch daar van ziet pag.... cap. 22;
376 hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan?
340 klaarst en onderscheidenst begrijp hebben; doch dit kan de denkende zaak alleen;
010 is het klaar dat God formelijk moet zijn, dog niet uijtstekentlijk;
039 en waarom dog hier van zo veel gezeijd;
053 dog de lijdinge, zo wanneer de doender;
064 Begeerlijkheid: eij dog dit rijmt zig alwonderlijk;
093 God is ook een Algemeene oorzaak, dog alleen in opzigt dat bij verscheide wer[ken];
093 onmiddellijk geschapen te zijn, dog de laatste oorzaak is hij;
119 door welke men poogt God te bewijzen, dog vruchteloos;
146 buijten de palen van 1. tot 3. gaat; dog zo veel het verandert, zo veel verandert;
294 Want dog : op ons zelven aangemerkt zijnde;
299 Want hoe dog zouden wij God konnen vrezen;
382 wat konnen ons die God niet en kennen dog anders zeggen;
068 Lievde: Wat dogh, O Eerlooze, hebt gij mij aangeweze;
274 een wijze van verstaan; dogh volgens het voorige en kan dit;
125 welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is;
060 Edog hoe en op wat wijze deze eijgenschappe;
110 Edog en het een en het ander, beide zijn zij [vals]