DOEN

DOEN 85x+13n+5m;

aandoening; aandoen; aangedaan 4x+3n+2m; aandoen;

bijdoen;

dede 2x;

doe 1x;

doende 5x;

doender 3x; doenende;

doening 4x;

doet 28x+5m;

gedaan 14x+3n+7m;

misdaan 2x+m;

voldaan;

voldoen 2x+n;

voldoet;

voorgedaan;

zodoende 2x;

aandoen* 16xB(een borstlap aandoen, smaadheid aandoen;

voordoen ~B; voldoen 2xB; misdaad* 55xB (misdoen 3x): Uwe misdaet,.., die gy aen ons misdaen hebt, Ps.137:8; Hoe vele misdaden, ende sonden hebbe ick? Job 13:23;

affect*/ affic*> 400xE; add* 8xE (bijdoen): Hoc tantum addo quod; actio* 61xE (Kók: doening); ag* 230xE: agendi potentia (61x); ad agendum determinari (12x); opus est (van doen heeft);

Related concepts: lijden.

'Doen' (do, make) + derivations predominantly occur in non-technical sense, not contrary to scripture. In technical use God is the active principle (035 , 393 ) or effective cause (091 ) and action and passion are complementary (053 ).

011 n daar wij dit nog bij doen. Het is wel waar, dat wij van een Idea die ons eenmaal eerst van de zaake zelfs is hergekomen, en so in abstracto algemeen van ons gemaakt sijnde, dat daarna van die zelve in ons verstand veel besondere worden versiert, die wij dan ook veel andere en van andere saaken afgetrokkene eijgenschappen konnen toedigten. Maar dit is onmogelijk te konnen doen zonder alvorens de zaake zelfs van de welke zij aftreksels zijn, gekend te hebben;

014 n Alsoo dat indien hij niet was, ik al heel van hem niets en zoude konnen bevestigen gelijk nogtans van de andere dingen schoon zij niet wesentlijk zijn, gedaan word: ja ook dat hij moet zijn het subjectum van alle andere dingen. Behalven dan dat uijt het tot noch toe geseide klaar blijkt dat de Idea van oneijndige eigenschappen aan het volmaakte wezen geen verzierzel is, so zullen wij dit volgende noch daar bij doen;

015 Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. en deze en geven ons geen vergenoeginge doordewelke wij onszelve konnen voldoen;

023 Dit doen wij aldus: 1. of ze moet haar zelfs bep[aald hebben];

035 3. omdat hij 't geen goet is, niet kan nalaten te doen, gelijk wij hierna zullen bewijzen. 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het zoude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet en kan voortbrengen. en dat meer is, zo doende zouden er oneijndelijke zelfstandigheeden meer niet zijn als er zijn, het welke ongerijmt is;

039 bekentenisse van dat God alwetende is, doen argumenteren, dan en kunnen zij niet;

049 dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik;

050 Doet hier nog bij: indien zij;

053 dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn;

055 zo kan zij met veel grooter regt een doender als een leijder genoemt worden;

056 een eerste oorzaak die dit lichaam doet bewegen, moet zijn, want het zig zelfs;

073 Z dat tragt gij nu te doen met dubbelzinnigheid van woorden gelijk;

081 Z het weze van het denkbeeld doet toe neemen;

083 Z Doet hierbij dat het geheel maar is een weze;

084 ERASMUS: Zoveel dit belangd hebt gij mij voldaan. Maar boven dit hebt gij nog gezegd (...);

085 Dogh dit en voldoet mij niet. Want ik zie dat gij besluijt;

086 'T is waar, ERASME, dat die dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods) [dat] die onmiddelijk van hem van eeuwigheid geschapen zijn. ... dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen. Want van de nootzaakelijke dingen die vereijscht worden om de zaaken te doen zijn, zijn eenige omdat zij de zaak zouden voortbrengen en andere omdat de zaak zoude konnen voortgebragt zijn;

091 1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde. 2. ... 3. Ten derden. God is een vrije oorzaak en geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken, wanneer wij zullen handelen van of God kan nalaaten te doen hetgene hij doet, alwaar dan meteen verklaard zal worden waarin de waare vrijheid bestaat;

093 want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkzelen voort te brenge;

094 Dat God het geene hij doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wij en zullen het meede bewijzen handelende van de Predestinatie, alwaar wij betonen zullen, dat alle dingen noodzaakelijk van hare oorzaaken afhangen;

095 Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen 't geen hij gedaan heeft, zo ontleenen wij dat van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten 't geen hij doet, een onvolmaaktheid zoude zijn;

zonder nogtans in God te stellen een minvoorneem-beginnende oorzaak, die hem zoude bewoogen hebben te doen, want als dan en waar bij geen God;

096 Dog nu valt wederom het geschil namentlijk, of God al dat welk in zijn Idea is en hij zo volmaaktelijk kan doen, of hij dat seg ik, zoude konnen nalaten te doen? en of zulk nalaten in hem een volmaaktheid is;

097 Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat voortkomen uijt een oorzaak in hem, of uijt geen. Ja, dan is't noodzaakelijk dat hij het moet nalaten te doen. ... Alzoo dat wij dan ontkennen, dat God kan nalaten te doen het geene hij doet;

098 dewelke geenzins en is zo zij waanen, namentlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten, maar de ware vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt en alleen door zijne volmaaktheid oorzaak is van alle volmaaktheid: en dat dien volgende, zo God dit konde laten te doen, hij niet volmaakt zoude wezen: Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het geene hij uijtwerkt, en kan in hem geen plaats hebben als door gebrek;

099 Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij dat doen, de antwoord is, omdat de rechtvaardigheid het also vereischt;

100 welke zeggen, dat God alles' t geen hij doet daarom doet, omdat het in zig zelfs goe[t is];

103 de vrije oorzaak ..: de welke niet en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt. Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de allervrijste oorzaak gedaan en uijtgewerkt... Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dingen, zo moet dan in hem iets zijn, door het welke hij doet dat geene het welke hij doet en niet nalaat te doen;

104 Dewijl wij zeggen dat de Vrijheid niet bestaat in iet te doen of niet te doen en om dat wij mede getoond hebben, dat dat geene het welke hem iets doet doen, niet anders kan zijn als sijne eige volmaaktheid zelve, zo besluijten wij, dat indien het sijne volmaaktheid niet en was, die het hem dede doen, dat de dingen niet en zouden zijn of in het wezen konnen gekomen hebben om te zijn het geene die nu zijn;

108 1. Al voorens hebben wij bewezen dat God niet en kan laten te doen het geene hij doet namelijk, dat hij alles zo volmaaktelijk heeft geschapen, dat het niet volmaakter kan zijn;

112 Dog zo men na den regul vraagt om dit onderzoek te doen, wij zeggen, dat er alheel geen schijnt van nooden te zijn. ... Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond (gelijk wij zulks nu ook al te vooren gedaan hebben) dat God namentlijk alleen de oorzaak van alles is;

118 het verwart en buijten tijds te doen slaan te maaken;

121 Om dit te doen , zullen wij ons niet zeer bekommeren;

133 en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende;

134 gelijk hij aposteriori al eenigzins gedaan heeft, doch dit kan hier so wel staan;

136 zo zullen wij het nogtans hierna in de verhandelinge vande Aandoeningen van de Ziele [=II.Van de mensch en 't geen tot hem aanhorig is] klaarder bewijsen ende daarom hier niet meer daar af zeggen;

140 Nopende de bevestinge van 't gene wij nu gezeid hebben, de zaake is bij ons klaar, doch evenwel tot een besluijt van 't geseide, zullen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen ;

156 die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding;

161 >Hoedanig de lijdinge uijt de waan komen te ontstaan, zijnde het 2de dat Cap.1 belooft is te zullen doen.]. en om dit wel en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen;

163 n Voorders als wij iets komen gewaer te worden, daarop wij nooijt gedacht hebben van te vooren, zo is dat eevenwel niet zulks of wij hebben dit gelijks in't geheel of ten deel al te vooren bekent, maar niet in alles zo gesteld off wij zijn nooijt daar van zo aangedaan geweest etc;

166 het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van;

168 Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende;

175 de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak;

177 want het doet ons verstandelijk niet het geen in ons;

178 De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze ons brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn >De 2.uijtwerkinge, dat ze ons verstandelijke doet genieten de zake die zij buijten ons aanwijst en vertoond;

dat is klaar en onderscheide kennen, niet de zake zelve, maar wat ze moet zijn.];

180 Om dit dan mede bekwamelijk te doen >En hoe dat zulks gedaan word.], so laat ons;

186 Dat nu uijt het betoog van tevooren gedaan blijkt hoe al de tochten;

204 noch meer te seggen is, zal van ons gedaan worden pag.... en so zullen wij;

205 dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier;

206 Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied. Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn.

207 Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of met, of zonder Passien gedaan worden, zo achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden;

208 Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder passien doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen;

210 De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten >De haat is een ontstelling in de ziel tegens die ons willens en wetens misdaan heeft;

211 maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is;

212 dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is;

216 Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen;

217 ' t Welk wij doen konnen met te denken op middelen;

219 >Wat schifting de 3. uijtwerkinge van 't gelove doet in deze ses, namelijk:];

225 daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken;

228 De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: ... De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken;

230 het welke wij zeer licht zullen konnen doen , indien wij maar wel op merken op;

231 of dat hij iets moet doen om te bevorderen dat de zake komt;

235 Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daar;

236 Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, zo noemt men het volgijver. Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid;

240 want alles wat zij t' onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge;

242 want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is;

243 en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn... >Dat ze de mensch scheint eenig voordeel te konnen doen. Doch wel ingezien zijnde zijn schadelijk, kwaad en waarom.];

248 De eerste is een seeker slag van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen. Beschaamtheid is >Wat beschaamtheid is.] zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen;

250 maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. ...;

maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan zijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk;

252 Zo volgt nu van de Gunste, Dankbaarheid en ondankbaarheid. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt;

263 Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: Waarheid dan is een bevestiginge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak;

269 Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: en zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: en dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden >Want hij is bestandig omdat hij van de zaak nooijt anders aangedaan kan worden.], dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is;

275 dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat;

278 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: en zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als zodanig maar als een ens reale;

280 > ...de beschrijvinge die wij van' t verstand gedaan hebben pag. .];

285 Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar in beschout word; Also dat de Begeerte ook na de bevesting of ontkenning die wij van de zaake gedaan hebbe, nog blijft;

286 hier boven gezeit hebben( aangezien zij gedaan worden door reden onder schijn van goet;

291 Doch het zal misschien een vrijheid hebben om die lust die het heeft, van hem te doen, waar uijt dan volgen zoude dat deze lust in ons zonder onse vrijheid wel zoude konnen beginnen, maar dat wij eevenwel in ons een vrijheid zouden hebben om die van ons te doen....? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste >Beantwoord.];

291 Wat mag het dan eijndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? Niet anders voor waar als dat hij door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is als het eerste;

293 Zoo zien wij dan nu, dat de mensch als zijnde een deel van geheel de Natuur van welke hij afhangt, van welke hij ook geregeert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons dan eens zien wat nuttigheeden uijt deze onse stellinge voor ons ten besten zijn >Wat nuttigheden uijt deze stelling van dat de mensch uijt hem selfs tot sijn heil niets niet kan doen, volgen, namentlijk:]. en dat te meer daarom omdat wij niet en twijffelen, of zij zullen eenige niet wijnig aanstotelijk schijnen;

295 maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wij verrigten en komen uijt te werken;

297 om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel;

299 ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen;

301 en zo lange hij zulks doet , is hij in zijn welstand;

302 volgens onse gedane beloften trachten te voldoen : Namentlijk te onderzoeken;

303 *ligtelijk >Vide thes. 3, pag. 2.] konnen doen;

304 Seer ligtelijk konnen wij dat doen;

305 en voor 1. te wijzen dat in de Natuur een lichaam is >Voor eerst dat in de natuur een lichaam is.], door welkers gestalte en uijtwerkinge wij aangedaan en alzoo 't zelve gewaar worden. en dit doen wij daarom >Reden waarom dit gedaan word.] omdat als wij de uijtwerkingen van het lichaam en wat die komen te veroorzaaken komen te zien;

306 dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God;

311 sijne ruste, hem doet beweegen;

315 werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan;

318 datze haar zelfs aan de ziel doet gewaar woorden;

321 >Dat uijt dit voorige lichtelijk af te neemen is, welke de voornaamste oorzaaken van de passien zijn. Wat het lichaam en zijne uijtwerkingen hier in doet.]. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uijtwerkingen, de Beweginge en Ruste, de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, daar aan bekend maaken;

322 daarna word ook de ziele van haar aangedaan en dat niet voor zoo veel het een lichaam is (...), ne maar voor soo veel het een voorwerp is gelijk alle andere dingen de welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen, zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen >En hoe zij haar aan de ziele vertonen en hij van haar aangedaan wordt niet als van een lichaam maar als van een voorwerp. en de reden waarom.];

323 n Maar waar uijt komt ons dat dat wij het eene goet, het ander kwaad te zijn kenne? Antwoord: aangezien het de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de eene anders aangedaan als van d'andere. ..., die wij impulsus noemen, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken enz. 't welk de ziel wel gewaar word doch niet en werkt;

324 de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke;

325 geen vermogen zoude konnen hebben zoodaanige uijt werkingen te veroorzaaken als het nu wel doet: ... zoo en zoude zulks als 't al zoo waar, eevenwel niet meer noch anders in de ziel konnen werken als nu het lichaam wel doet;

334 van haar meest altijd aangedaan worden;

339 door andere lichaamen de welke zij dede bewegen;

341 magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten;

343 schoon zij ons dat beter is aanwijst, zij doet ons niet genieten;

345 door een ander die meerder is, te niet gedaan word;

360 menschen soodanig iets vrijwillig zouden doen;

362 Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden >Zoo en stelt God ook een wette den mensch voor om hem als hij die gedaan heeft te belonen. Want de wetten Gods en konnen niet werden overtreeden, zo men de reguls die in de natuur zijn met die benaming zoude willen noemen.];

368 geschiede zoude konnen door gesprooken woorden off onmiddelijk zonder eenig ander dink te gebruijken door't welke hij het zoude doen;

374 Stellen wij hem [=duivel] met eenige te zijn eenig denkend dink dat al heel geen goet noch wil noch doet en zich zo tenemaal tegen God kant;

376 en zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, ... Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft;

386 Om het welke te doen , ik van deze navolgende;

387 Voor zo veel te meer als een zaake wezen heeft voor zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want't is zeeker dat de doenende werkt door 't geen hij heeft en dat de lijdende lijdt door 't geen hij niet en heeft;

388 die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een innerlijke;

393 Aangezien het wezen Gods oneijndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lijding,... voor zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: en voor zo veel te meer ook vrij van verandering en verderving;

394 Het waare Verstand kan nooijt komen te vergaan want in zich zelve en kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh;

408 zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft;

431 Maar zo wanneer eenig van deze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs onderscheiden van haare eigenschappen (..), als dan vertoonter zig een bezonderheid in de wezens van de wijzingen en gevolglijk in de voorwerpelijke wezens, die van de zodanige noodzaakelijk begrepen worden in de Idea;

doen: aandoen; Aandoeningen; bijdoen; doen 105x; doende 6x; doender 7x; doenende; doening 3x; doenlijk; voldoen 3x; zodoende 2x;

011 nu getoont pag. 2. daar wij dit nog bij doen . Het is wel waar, dat wij van een Idea ;

011 digten. Maar dit is onmogelijk te konnen doen zonder alvorens de zaake zelfs van de w;

014 so zullen wij dit volgende noch daar bij doen :

015 oeginge door dewelke wij onszelve konnen voldoen : Want dat deze het al soude zijn, van d;

023 ald aan' t goddelijk wezen behooren. Dit doen wij aldus: 1. of ze moet haar zelfs bep;

035 en kan voortbrengen. en dat meer is, zo doende zouden er oneijndelijke zelfstandigheed;

035 hij' t geen goet is, niet kan nalaten te doen , gelijk wij hierna zullen bewijzen. 4.;

039 e bekentenisse van dat God alwetende is, doen argumenteren, dan en kunnen zij niet al;

053 rzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een;

055 en, zo kan zij met veel grooter regt een doender als een leijder genoemt worden. en met ;

073 enen uijt te werken, dat tragt gij nu te doen met dubbelzinnigheid van woorden gelijk;

086 en die vereijscht worden om de zaaken te doen zijn, zijn eenige omdat zij de zaak zou;

086 ntlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods)[ dat;

091 lijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken, wanneer wij zullen handelen va;

091 llen handelen van of God kan nalaaten te doen hetgene hij doet, alwaar dan meteen ver;

091 n en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor;

093 ooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, om uijtwerkzelen voort te brenge;

094 het geene hij doet zoude konnen laten te doen , ontkennen wij en zullen het meede bewi;

095 en, dat God niet heeft konnen nalaten te doen ' t geen hij doet gedaan heeft, zo ontle;

095 orzaak, die hem zoude bewoogen hebben te doen , want als dan en waar bij geen God.

096 hij dat seg ik, zoude konnen nalaten te doen ? en of zulk nalaten in hem een volmaakt;

096 zijn Idea is en hij zo volmaaktelijk kan doen , of hij dat seg ik, zoude konnen nalate;

097 4 Voorder, als God iets zoude nalaten te doen , zo most dat voortkomen uijt een oorzaa;

097 ij dan ontkennen, dat God kan nalaten te doen het geene hij doet:

097 oodzaakelijk dat hij het moet nalaten te doen . Zo neen, zo is' t noodzakelijk dat hij;

098 dien volgende, zo God dit konde laten te doen , hij niet volmaakt zoude wezen: Want he;

098 niet volmaakt zoude wezen: Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het ;

098 ntlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten, maar de ware vrijheid is alle;

099 zelve is. Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij dat doen,;

099 s doen en men haar vraagt waarom zij dat doen , de antwoord is, omdat de rechtvaardigh;

101 en ander wille en een ander verstand als doen gehad heeft, volgens de welke hij het a;

102 is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles ander;

102 achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe anders gesteld was als nu; also ;

103 bben: de welke niet en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van i;

103 ene het welke hij doet en niet nalaat te doen . Dewijl wij zeggen dat de Vrijhe;

104 d niet bestaat in iet te doen of niet te doen en om dat wij mede getoond hebben, dat;

104 lmaaktheid niet en was, die het hem dede doen , dat de dingen niet en zouden zijn of i;

104 n dat de Vrijheid niet bestaat in iet te doen of niet te doen en om dat wij mede geto;

104 n, dat dat geene het welke hem iets doet doen , niet anders kan zijn als sijne eige vo;

108 wij bewezen dat God niet en kan laten te doen het geene hij doet namelijk, dat hij al;

112 na den regul vraagt om dit onderzoek te doen , wij zeggen, dat er alheel geen schijnt;

118 geweest het verwart en buijten tijds te doen slaan te maaken. Want alle dingen en we;

121 tgebreidheid toebehoort.Om dit te doen , zullen wij ons niet zeer bekommeren me;

133 en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen(;

136 nogtans hierna in de verhandelinge vande Aandoeningen van de Ziele klaarder bewijsen ende daa;

136 onveranderlijk, niet konnende nalaten te doen ' t geen het doet, het welke alhoewel ge;

140 llen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen . Alle dingen die in de NATUUR zijn, die;

145 dood zijn, en niet te min zal dan en was doen , zo wel een Idea, kennisse etc. van ons;

156 derklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, n;

161 het 2de dat Cap. 1 belooft is te zullen doen .]. en om dit wel te en verstaanlijk te ;

161 n.]. en om dit wel te en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere de;

166 en.], het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de vrij;

168 er komt tot nadeel van dat zelve iets te doen , zo ontstaat in hem tegen dien doender;

168 s te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konn;

175 s de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak.[f. 75;

180Om dit dan mede bekwamelijk te doen En hoe dat zulks gedaan word.], so laat;

205 en te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier;

208 die te werken Als wij iet zonder passie doen , daar uijt en kan dan geen kwaad voortk;

208 en die ons te doen staan, sonder passien doen , daeruijt als dan geen kwaad en kan kom;

208 zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder passien doen, daeruijt al;

211 maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voor;

212 e zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak i;

215 in geheugenisse brengen' t geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan;

216 ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen . Derhalven is nodig dat wij ons ;

216 ren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verb;

217 n[f. 92] de selve ontslaan.' t Welk wij doen konnen met te denken op d middelen van ;

225 daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken;

228 afbare nedrigheid is' t die ons belet te doen ' t geene wij anders mosten doen om volm;

228 belet te doen' t geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat z;

230 l het welke wij zeer licht zullen konnen doen , indien wij maar wel op merken op de be;

231 ze begrijpt.]: of dat hij iets moet zijn doen om te bevorderen dat de zake komt, of o;

235 waantheid en belgzugt]: Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daar;

236 d. Doch als iemand een zaake besluijt te doen , omdat het een ander( hem voorgedaan he;

240 .]: want alles wat zij t' onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge[

242 ging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van' t welk wij dan twijffelen of het g;

243 mensch scheint eenig voordeel te konnen doen . Doch wel ingezien zijnde zijn schadeli;

248 ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt v;

248 evoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonde;

250 teren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse( anderzins vol;

252 edaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkre;

252 n evennaasten eenig goet te gunnen en te doen : Te gunnen zeg ik, als aan hem die eeni;

263 dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen , zo zullen wij eerst de beschrijvinge v;

275 tuurd, dat is niet te begrijpen, want zo doende scheijnt men te ontkennen dat de wil vr;

278 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen , die gewent zijn haar verstand meer bez;

278 ingen die waarlijk in de Natuur zijn: en zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als;

285 in de ziele om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daar ;

291 en om die lust die het heeft, van hem te doen , waar uijt dan volgen zoude

291 vrijheid zouden hebben om die van ons te doen . Tegenwerping.] Wij Doch deze vrijheid ;

293 eert word, uijt sijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand. Zo laat ons ;

293 t hem selfs tot sijn heil niets niet kan doen , volgen, namentlijk:]. en dat te meer d;

295 hebben te verhovaardigen in' t geen wij doen wat het ook is.]( welke verhovaardiging;

295 ) maar dat wij daarentegen alles wat wij doen Gode toe eigenen, die daar is de eerste;

297 n om te belonen den anderen, zal hij dat doen met inzigt om zo wel den eenen te helpe;

299 ben ten eijnde hij haar geen kwaad zoude doen . Want hoe dog zouden wij God konnen vre;

302 volgens onse gedane beloften trachten te voldoen : Namentlijk te onderzoeken, of wij door;

303 *ligtelijk Vide thes. 3, pag. 2.] konnen doen , wij nooijt inde zelve zullen komen te ;

304 Seer ligtelijk konnen wij dat doen : Verstaat, als wij grondige kennisse he;

305 en alzoo' t zelve gewaar worden. en dit doen wij daarom Reden waarom dit gedaan word;

305 lks door de Reeden mogelijk is te konnen doen . en dan zullen wij mede vervolgen te sp;

306 de Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wij al weeten dat God en wat G;

315 werwaart wij willen, vermogen hebben te doen gaan. De werkingen dan waardoor de eene;

321 , de zelve en konnen de ziel niet anders doen als hun zelfs als voorwerpen zijnde, da;

322 welke ook de zelve uijtwerkingen zouden doen , zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaam;

323 men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, wijn drinken e;

323 men, als dat men in droefheid iemand kan doen lachen, doen verheugen door kittelen, w;

323 t de voorwerpen zijn die ons haar zelven doen gewaar worden, zo woorden wij van de ee;

324 esloten.], de zelve uijtwerkingen zouden doen als die welke uijt beschouwinge van lic;

335 id heel licht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wij dat schoon de Natuur versche;

341 n magt in ons bevinden om of de goede te doen of de kwade te laaten en somtijds nocht;

354 n te zijn. Want onse eerste geboorte was doen als wij vereenigde met het lichaam door;

357 haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zij niet en was, alzo wijnig kan zij oo;

360 menschen soodanig iets vrijwillig zouden doen , dat zij niet souden afhangen van een e;

368 e gebruijken door' t welke hij het zoude doen ?

369 stemme, donder en blixem wisten zij als doen wel dat God niet was, alschoon de stemm;

376 de geen ogenblik konnen bestaan.]. en zo doende zullen wij terstond ondervinden van nee;

386 ge stellinge vervattet]. Om het welke te doen , ik van deze navolgende

387 or zoo veel te meer heeft zij ook van de doening en te min van de lijding. Want' t is ze;

387 van de lijding. Want' t is zeeker dat de doenende werkt door' t geen hij heeft en dat de;

388 die moet voortkomen van een uijtterlijke doende en niet van een i[n] nerlijke: Want ge;

393 jndig is, zo heeft het en een oneijndige doening en een oneijndige ontkenning van de lij;

393 or zo veel te meer hebben zij ook van de doening en te min van de lijding: en voor zo ve;

394 n kan het geen oorzaak hebben om zigh te doen vergaan volgens de 2e stellingh. en om ;

408 n overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult ger;

431 eze wijze haare bezondere wezentlijkheid aandoen en haar door de zelve op eenige wijs on;