DUREN

BESTANDIG 3x+m;

bestandigheid 4x;

duren: duurd 2x;

duur: duringe;

duuren +n;

duuringe 4x;

duurt;

eeuwig 16x+3n+2m;

eeuwigdurentheid;

eeuwigheid 15x;

eewig 2x;

eewigheid n;

eewigheid;

ewigheid 2x;

gedurich m;

gedurig 2x;

geduringe;

geduurig 2n;

geduuringe;

onsterffelijkheid 2x+4m;

tijd 16x+16n;

tijde;

tijdelijk 2x;

tijden;

tijds;

*eeuwig* 591xB; gedurig: Dat het,.. mijn herte een geduerige smerte is, Rom.9:2;

*morta* 2xE (vel quia videt mentem non esse æternam seu immortalem, ideo amens mavult esse et sine ratione vivere; scripserint et plena prudentiæ consilia mortalibus dederint); aeterni* 35xE (22x sub quadam aeternitatis specie; 2x mentis aeternitas): nullam rationem habuimus mentis æternitatis quam demum in hac quinta parte novimus; dura* 48xE (nisi durante corpore; corporis duratio; ~causa); duratio* 33xE: Hic per existentiam non intelligo durationem hoc est existentiam quatenus abstracte concipitur et tanquam quædam quantitatis species. Nam loquor de ipsa natura existentiæ quæ rebus singularibus tribuitur propterea quod ex æterna necessitate Dei naturæ infinita infinitis modis sequuntur; aetern* 84xE; aeternita* 35xE (aeterna veritas; - et infinita modificatio; - necessitate; - (et infinita) essentia dei); persever* 27xE (15x in suo esse persevera*; 10x in existendo persevera*e );

Related concepts: onveranderlijk.

Time is the most important criterium for the value of cognition. As God is unchangeable, knowing him is a garantee for everlasting knowledge. This knowledge lays at the base of the theological concept of the immortality of the soul (261 , 355 sqq.). Traditional theological concepts like, eternity, immortality, unchangeability so receive a Spinozist content that enables them to function in this new context. Nature itself is everchanging, but cognition of the unchangeable devine force that created it makes us immortal by knowing the only possile world.

002dat bij een daal hebbe, hetwelk waarlijk eeuwig en onveranderlijk is en altijd moet zijn;

020 zo zal het nu tijd zijn te tonen wat bij is, namelijk;

077 zoo schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op de andere tijd;

084 Z Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan zo lang zijn oorzaak duurd; hetwelk ik wel zie zeeker waar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van die gevrogte, die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, heeft voortgebragt en dat deze dan zo lang haar oorzaak duurt, niet en konnen te niet gaan;

086 Z dat die dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods) [dat] die onmiddelijk van hem van eeuwigheid geschapen zijn;

088 Z laat dat op een ander tijd zijn;

096 Wij zeggen dan, dewijl alles dat 'er geschied van God gedaan woort, also bij hem noodzaakelijk moet voorbepaalt zijn, andersins waar hij veranderlijk, dat dan in hem een groote onvolmaaktheid zoude zijn. en dat deze voorbepaaldheid bij hem van Eeuwigheid moet zijn, in welke eeuwigheid geen voor of na is, zo volgt daaruijt kragtelijk, dat God te vooren op geen ander wijs de dingen heeft konnen voorbepaalen als die nu van eeuwigheid bepaald zijn en dat God nog voor, nog zonder deze bepalinge heeft konnen zijn;

101 -102 Nu valt dan voorder het geschil namelijk of God, schoon alle dingen van hem op een andere wijze waren geschapen van eeuwigheid of geordonneert en voorbepaald als die nu zijn, of hij dan zeg ik, eeven volmaakt zoude zijn? Waarop tot antwoord dient, dat bij aldien de Natuur van alle eeuwigheid op een andere wijze als die nu is, ware geschapen geweest, zo zoude noodzakelijk moeten volgen na de stellinge der geener die God wille en verstand toeschrijven, dat dan God beide en een ander wille en een ander verstand als doen gehad heeft, volgens de welke hij het anders gemaakt zoude hebbe; en zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe anders gesteld was als nu; also dat indien wij stellen, hij nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles anders schiep. Al het welke als dingen zijnde, die tastelijke ongerijmtheeden in zig besluijten en geenzins aan God die nu, te vooren en in alle eeuwigheid onveranderlijk is geweest en blijven zal, kan toegepast worden;

103 moet immers volgen, dat hij t'eeniger tijd onvolmaakt geweest is;

118 het verwart en buijten tijds te doen slaan te maaken;

120 In aanmerkinge van Alle [sc.eigenschappen], als dat by is een eeuwig, door zig zelfs bestaande, oneindig, oorzaak van alles, onveranderlijk;

121 Deze dan hebben God beschreven te zijn een wezen uijt of van zich zelfs bestaande, oorzaak van alle dingen, Alweetende, Almachtig, eeuwig, eenvoudig, oneindig, 't opperste goet, van oneindige barmhertigheid enz;

126 Het zal dan nu ook tijd zijn, dat wij eens bezien die dingen;

134 Wat dan nu aangaat de algemene natura naturata ...dezer en kennen wij niet meer als twee namelijk de *beweginge in de Stoffe ende het verstaan inde denkende zaak... Deze dan zeggen wij dat en van alle eeuwigheid zijn geweest en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen blijven. Een werk waarlijk zoo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde;

135 Wat dan bezonderlijk aangaat de Beweginge aangezien die eigentlijker tot de verhandeling van de Natuur weet als wel hier behoord, gelijk als daar is dat ze van alle Eeuwigheid is geweest en in eeuwigheid onveranderlijk zal blijven, dat z'oneijndig is in haar geslacht, dat ze nog door zig zelfs bestaan noch verstaan kan worden, maer alleen door middel van de Uijtgebreidheid, van deze alle zeg ik, en zullen wij hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel, of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen;

136 alles klaar en onderscheiden in alle tijden te verstaan;

147 n 15. Doch dewijl het een wijse is in de denkende zelfstandigheid, zo had ze ook deze beneffens die van de uijtgestrektheid konnen kennen, beminnen en met zelfstandigheeden vereenigende (die altijd de zelve blijven) had ze haar zelve konnen eeuwig maaken;

149 dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was;

191 Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; andere wel niet vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk >En verschieden naar de hoedanigheid van 't voorwerp. en van welke voorwerpen eenige door haar zelfs natuur vergankelijk zijn; andere alleen door haar oorsaak onvergankelijk, maar een derde alleen door sijn eigen kracht eeuwig en onvergankelijk.]. De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben >Welke de vergankelijke zijn door haar selfs natuur.]. De andere dat zijn alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen >Welke alleen door haar oorzaak onvergankelijk: siet pag.53 et seq.].. Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de Waarhe[i]d >Welke de derde is.];

198 >door de veelvoudige toevallen die zij gedurich onderworpen zijn.];

201 Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt;

209 dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is;

213 dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te;

213 Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen;

239 welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd;

261 Zoo komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word, aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze grijpen. en dit zal ons misschien hier na een stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen en hoe off op wat wijze die zijn kan en ook de onsterfelijkheid van de ziel gelijk dat uijt dezelve grond hier na getoond word Cap.23.];

269 Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: en zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: en dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden >Want hij is bestandig omdat hij van de zaak nooijt anders aangedaan kan worden.], dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is;

270 Wetende dan nu wat goet en Kwaad, waarheid en valsheid is..., zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen;

272 dat zij wel t' eeniger tijd zoude konnen onfeijlbaar en zeeker zijn;

274 van de Wil geensins past op zo een geduurige scheppinge;

276 zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word;

276 n Als men dan zoude zeggen, dat de ziel de willing van zig zelfs voorbrengt, zo vraage ik, uijt wat kracht Niet uijt die welke geweest is, want die is niet meer;

ook niet uijt die welke zij nu heeft, want zij heeft er heel geen door welke zij de minste ogenblik zoude konnen bestaan of duuren dewijl ze geduurig geschapen word;

300 de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzaligheid;

323 dat wij in ons gewaar worden en dat veel tijds door de lichaamelijke voorwerpen;

330 of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnlijkheid te bevrijden, of door goede redenen overtuijgt te worden om van dit lichaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk en staat weder te komen doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk;

338 Want nadat wij onse geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wij;

353 door de beweeginge der geesten gedurig gewaar worden;

355 -6 Wat het is daaruijt wij lichtelijk konnen zien de onsterfelijkheid van de ziele.]. De ziele dan hebben wij gezeid te zijn een Idea die in de denkende zaake is, van de wezentlijkheid eenes zaaks die in de Natuur is ontstaande >Beknopte beschrijvinge van de ziele en haar oorzaak. Wat daaruijt komt te volgen.]. Waar uijt dan volgt, dat na de duuringe en verandering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderinge van de ziele moet zijn;

355 en waar uijt hare verandering en geduuringe ontstaan;

358 Tot hier toe dan achten wij genoegzaam getoond te hebben wat onse liefde tot God is ende de uijtwerkinge des zelfs, namelijk onse eeuwigdurentheid;

362 Want de reguls van God in de natuur gesteld volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wij die wetten willen noemen, die zijn sodanig dat zij nooijt en konnen overgetreden worden;

376 Doch laat ons eens zien off ook zo een ellendig dink wel een eenig oogenblik zoude konnen bestaan >Want hij zoude geen ogenblik konnen bestaan.]. en zo doende zullen wij terstond ondervinden van neen, want uijt de volmaaktheid van de zaak ontstaat alle de duuring van de zaak en hoeze meer wezentheid en goddelijkheid in haar hebben hoeze bestandiger zijn: De Duijvel dan geen de minste volmaaktheid in zig hebbende, hoe zoude hij doch denk ik, konnen bestaan? Doet hier bij dat de bestandigheid off duuring in de wijse van de denkende zaake maar en ontstaat alleen door vereeniginge die zoodanige wijze uijt de liefde veroorzaakt, met God heeft. Het rechte teegendeel van deze vereeniginge in de Duijvelen gesteld zijnde, zo en konnen zij onmogelijk niet bestaan;

381 Alzoo dat schoon ook voor het verstand uijt kragt van kennisse en goddelijke liefde niet en kwam te volgen een eeuwige ruste gelijk wij getoond hebben >Men zoude God lief hebben al kwam er geen eeuwig leven op te volgen.], maar alleen een tijdelijke, zo is't onze plicht ook zelfs deze te zoeke aangezien die ook zodanig is datmen die genietende, voor geen andere zaaken van de wereld zoude willen verwisselen;

386 >Het besluijt van dit geheel werk zal dan zijn de verhandeling van de menschelijke vrijheid, een zaake van zeer groot gewigt en van de onsterfelijkheid van de ziele, van niet min gewigts, alles in korthoudige stellinge vervattet];

390 Al het gevrogte van een inblijvende off innerlijke oorzaak ('t welk bij mij een is) en is niet mogelijk te konnen vergaan noch te veranderen zo lang deze sijne oorzaak blijft. Want een sodanig gevrocht gelijk het niet en is voortgebragt van uijtterlijke oorzaaken, zo en kan het selve niet verandert worden volgens de 3e stelling. en dewijl heel geen zaake als door uijtterlijke oorzaaken en kan komen te vernietigen, zo en is niet mogelijk dat dit gevrogte soude konnen komen te vergaan zo lange sijne oorzaak duurd volgens de 2e stelling;

398 >Als mede de onsterfelijkheid van de ziele, waarmede wij eijndigen.];

399 Soo blijkt met eenen ook uijt het geene gezeijd is, welke daar zijn de dingen die in onse magt en aan geen uijterlijke oorzaaken onderworpen zijn, gelijk wij hier ook mede en dat op een andere wijze als te vooren, hebben bewezen de eeuwige en bestandige duuring van ons verstand. en dan eijndelijk welke gevroghten het zijn, die wij boven alle andere hebben te waarderen;

408 zoo verzoek ik dat gij U daarom aanstonds niet en verhaast om het zelve te wederleggen voor en alleer gij het met genoegzame tijd en overweginge zult hebben bedaght en dit doende houde ik mij verzekert dat gij zult geraaken tot het genieten van de vruchten dezes booms de welke gij U belooft;

437 en ook uijt alle deze (gelijk ook omdat onse ziel vereenigt is met God en een deel is van de oneijndige Idea, van God onmiddelijk ontstaande) kan klaarlijk gezien worden den oorspronk van de klaare kennisse en de onsterfelijkheid der ziele;