EDELMOEDIGHEID

EDELMOEDIGHEID 4x+2m;

generositas 4xE 219 van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van;

221 De Edelmoedigheid >Van de Edelmoedigheid] strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijn zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend;

225 Want wat belangt de Edelmoedigheid en Nedrigheid, deze geven door hun zelf;

227 Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is >De Edelmoedigheid en ware Nedrigheit is goet en heilzaam, maar de verwaantheid en strafbare Nedrigheid kwaad en verdervende.]. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf.